Cuba

15-28 april 2004

Donderdag 15 april 2004

Okee, we zijn in Cuba! Vanavond om half zeven, een uurtje later dan gepland, zijn we geland op de luchthaven José Martí bij Havana. Ik ben terechtgekomen in een land waar je je vantevoren maar moeilijk een voorstelling van kan maken, maar in de paar uur dat ik er nu ben, heb ik al een aardige eerste indruk. Goed, even vanaf het begin. Om half elf vanochtend (Nederlandse tijd) stond ik op Schiphol en maakte ik kennis met de rest van de deelnemers aan deze reis. De vlucht is vooral láng. Om half zeven lokale tijd (half één ‘s-nachts volgens m’n biologische klok) landen we op de luchthaven van Havana. Het passeren van de douane verloopt nogal traag. De dame in uniform van het Ministério del Intérior kijkt me onderzoekend aan en vergelijkt wat ze ziet met de foto in m’n paspoort. Gelukkig mag ik toch het land in.

Na het gebruikelijke koffers en tassen ophalen maken we kennis met onze reisleidster: Ilse. In onze bus, een soort mini-touringcar, rijden we vervolgens naar hotel Plaza, in het centrum van Havana. Onderweg zit Ilse wat praktische informatie te vertellen, onder andere hoe duur Cuba is, maar ik let vooral op wat er buiten voorbij komt. En dat bevestigt meteen dat wat je van de plaatjes in de reisgidsen kent. Oude auto’s uit de jaren zestig van de vorige eeuw en socialistische leuzen op de muren. Maar ook het beeld van een arm land met veel achterstallig onderhoud.

Na aankomst in het hotel spreken we af om in de stad nog wat te gaan drinken en eten. Onze bio-klok staat inmiddels op drie uur ‘s-nachts, maar dat doet er even niet toe. We belanden op het terras van een eettentje aan het Plaza de Armas. De tonijnsalade smaakt prima, net als de mojito, het nationale drankje van Cuba (rum, limoensap, muntblaadjes, suiker, water en ijs), en de livemuziek brengt bij mij in ieder geval de vakantiesfeer goed op gang. Als we teruglopen, komen we langs El Floridita, één van de beroemdste cafés van Havana, met name omdat de schrijver Ernest Hemmingway er vroeger kwam. Het is ook de plek waar naar verluidt de beste daiquiri’s worden geschonken. Die kosten weliswaar zes dollar per stuk, maar dan heb je ook wat en in een historische verantwoorde omgeving. Als ik om twaalf uur terugben op m’n hotelkamer, heb ik al een aardig beeld van Cuba: een wat vreemd aandoende mix van Spaanse koloniale invloeden en oostblokachtige toestanden, zwoele avonden met prima te drinken cocktails en uitdagende blikken van Cubaanse schoonheden. En dan moet de èchte kennismaking met Cuba nog beginnen!

Vrijdag 16 april 2004

Na het ontbijt vanochtend (continentaal, maar dan anders) zijn we de bus ingegaan voor de stadstoer, die een halve dag zou duren. De Malécon (boulevard) rijden we zo snel af, dat ik me al meteen voorneem daar ‘s-middags lopend naar terug te gaan. De eerste stop van de stadstoer is de grote begraafplaats Cementerio de Colón. De laatste tijd kan ik niet meer op vakantie of ik kom op begraafplaatsen… Vervolgens naar de Plaza de Révolution. Dat is zo’n moment waarop je denkt: “daar sta je dan”. Een plek die je alleen kent van plaatjes en televisie en waar je de historie voelt. Hier
houdt Fidel Castro altijd zijn urenlange donderspeeches in het bijzijn van tienduizenden Cubanen. Ik sta oog in oog met de bekende muur van het Ministério del Intérior met de Cubaanse vlag en het enorme portret van Ché Guevara. Vervolgens naar het rummuseum, dat vooral een reclamestunt van
Havana Club rum is. De korte rondleiding laat zien hoe rum wordt gemaakt. Het rumproeven is niet echt iets voor mij want ik drink geen sterke drank, tenzij het in een cocktail zit. Vervolgens lopend door Havana Veija (oud-Havana), door de oude, pittoreske straatjes en langs onder andere Plaza de San Francisco en Plaza de Armas. We lunchen op het Plaza Veija.

Na de lunch zijn we de rest van de dag vrij. Met de groep lopen we naar het Capitolio (een exacte kopie van het Capitol in Washington) en het Gran Teatro (gek eigenlijk dat deze markante gebouwen niet in het programma zitten). Daarna vertrekken de meeste mensen naar het fort aan de andere kant van de haven. Ik kies ervoor om naar de Malécon te lopen. Ik loop verder langs de haven en over een toeristische markt naar Plaza de la Catedral. Onderweg drink ik een mojito in het bekende café El Bodeguita, ook een Hemmingway-stek en de plek waar ze de beste mojito’s schenken. Onderweg kom ik behalve oude auto’s ook enkele oude Nederlandse bussen tegen. Soms (deels) overgeschilderd, maar vaak ook nog helemaal geel, met het nummer van ov-reisinformatie, het Nederlandse kenteken of de prijs van strippenkaarten er nog op. Erg grappig. Je wordt op straat veel aangesproken. Voor de lokale Cubanen zijn wij, westerse toeristen, wandelende geldbomen. Vrijwel iedereen wil aan je verdienen: sigaren verkopen, geld wisselen, taxirit aanbieden, noem maar op. Uiteraard zijn we hun amigo of friend en wordt gevraagd waar we vandaan komen. Ik begin me er na een tijdje redelijk aan te ergeren, ik word nèt iets te vaak aangeklampt. Via de achter het hotel Plaza gelegen Edificio Bacardi, het voormalige hoofdkantoor van rummaker Bacardi, kom ik terug bij het hotel. Het is dan half zeven en om acht uur hebben we afgesproken om met z’n allen te gaan eten in een paladare, een klein, illegaal privé-restaurantje. Het eten is er sober, maar wel okee.

Zaterdag 17 april 2004

Als ik dit schrijf, lig ik op bed in een soort cabin van ons ‘hotel’ in Vignales. Even m’n reisverslag bijwerken en om kwart over acht eten. Na het ontbijt vanochtend uit Havana vertrokken met Cubaanse muziek in de cd-speler van de bus. Vanuit de hoofdstad loopt een snelweg, de Carretera Central, naar
de provincie Pinar del Río, de streek ten westen van Havana. De snelweg wordt weinig gebruikt. Hier en daar rijdt een auto, maar je komt ook fietsers en paard-en-wagens tegen. Overal zie je grote bilboards langs de weg en op de bruggen over de weg staan communistische leuzen geschilderd. Langs de weg staan veel mensen te wachten in de hoop dat ze een lift krijgen. Vaak staan ze daar uren te wachten voordat ze, vaak door een vrachtwagen, worden meegenomen. Wij krijgen vaak boze blikken toegeworpen omdat we met onze halfvolle bus doorrijden.

Onze eerste stop is een sigarenfabriek. Een klein, onopvallend gebouwtje in een klein dorpje. Helaas mogen we hier geen foto’s maken. Als ik onze gids, José, vraag waarom niet, luidt het antwoord: “Just because”. Twee jaar geleden heeft de regering het verboden en naar de reden wordt niet gevraagd, zo simpel is het. Erg jammer, want het is leuk om te zien hoe sigaren worden gemaakt. In Cuba vijf miljoen exemplaren per jaar en alles met de hand. Terwijl we worden rondgeleid, zit personele naar ons te lonken. Ze willen ons (buiten het zicht van de baas, die ons rondleidt) sigaren verkopen. Voor hun is dit een interessante bijverdienste. Vijf dollar voor vijf Monte Cristo’s vind ik niet teveel en dus koop ik illegaal, onderhands en zo onopvallend mogelijk een doosje Cubaanse kwaliteitssigaren. Heel bijzonder zo op deze manier. Als we weer buiten komen, zit zelfs oma op de veranda aan de overkant illegaal te verkopen.

Vervolgens rijden we naar Las Terrazas, een klein dorp dat helemaal volgens de socialistische idealen is opgezet en met Sovjet-geld is gefinancierd. De commune is in de jaren zestig van de vorige eeuw gebouwd als werkgelegenheidsproject voor deze arme streek. De mensen hier werken in de koffieplantages die eveneens door de staat worden gerund. We bezoeken ook een oude koffieplantage, waar de slaven vroeger op de traditionele manier de in de zon gedroogde koffiebonen vermaalden. Na de lunch rijden we naar de rivier San Juan, waar we de gelegenheid hebben een uurtje in de zon te liggen en in de rivier te zwemmen. Menige Cubaan uit de buurt brengt hier blijkbaar z’n vrije zaterdag door, want het is er behoorlijk druk. En warm, zo in de volle zon. Na een uur vertrekken we weer. De weg leidt ons verder de provincie Pinar del Río in. Het landschap is vrij vlak, veel agrarisch gebied. Hier en daar staan een soort rieten of houten schuren in de velden waar vóór de oogst (in februari/maart) tabaksplanten stonden. In de karakteristieke schuren worden de tabaksbladen gedroogd. Als we richting Vignales rijden, verandert het landschap. We rijden de bergen van de Sierra de los Organos in. We stopen even bij hotel Jazmines, waar je prachtig uitzicht hebt op de karakteristieke, afgeronde bergen, die mogotes worden genoemd.

Om zeven uur zijn we in ons hotel, Ranches Don Vicente, dat eigenlijk meer als een camping-met-huisjes aandoet dan als hotel. Morgen gaan we hier in de omgeving een lange wandeling maken. Eerst eten we nog in wat het restaurant van het hotel moet voorstellen. Goedkoop en sober eten. Ook de cabins vallen in de categorie ‘eenvoudig’ . Net als het hotel in Havana trouwens, dat schrikbarend duur was voor de kamer die je kreeg (120 dollar voor een tweepersoonskamer). Maar goed, van het eten moesten we sowieso niet teveel verwachten en Cuba blijft een arm communistisch land, dus het hoort erbij. De vrijwel overal aanwezige livemuziek en smakelijke cocktails geven alles echter wel ene bijzondere sfeer. De avond afgesloten met een tweetal cuba libres (rum, cola en ijs) en rond kwart voor twaalf ga ik slapen.

Zondag 18 april 2004

Het ontbijt is niet zo best, een beetje té sober naar mijn smaak. Vanuit het hotel lopen we naar de Cueva del Indio. Met een bootje maken we een (kort) tochtje door de grot. Hierna pakken we de bus en rijden we naar hotel Jazmines (de fotostop van gistermiddag), waar de wandeling begint. Het is
echt prachtig weer en de wandeling loopt door de prachtige vallei van Vignales. Prachtig uitzicht op de mogotes en dwars door de tabaksplantages (waar vanwege de oogste niet zoveel tabak meer groeit). Toch een raar idee: alles is hier in Cuba eigendom van de staat. Het land en de huizen zijn in ‘bruikleen’ bij de boeren, de opbrengst vloeit rechtstreeks de staatskas in, de oogst gaat naar staatsverwerkingsfabrieken, restaurants zijn state-owned en ook de gidsen werken voor de Cubaanse regering. Het is ongetwijfeld één van de oorzaken van het feit dat Cuba arm is, ondernemingsgeest en commercieel denken worden niet gestimuleerd. De prachtige wandeling duurt zo’n drieënhalf uur. Onderweg bezoeken we een Cubaanse familie die hier woont. Deze boer beheert stukken grond en verbouwt daar tabak en koffie. Verser dan de koffie die we aangeboden krijgen, kan dan ook niet. Het huis is zoals dat van de meeste Cubanen uiterst sober ingericht. Een paar stoelen en een televisie en uiteraard de kenmerkende schommelstoelen op de veranda. We nemen ook een kijkje in de schuur waar de tabaksbladen hangen te drogen.

We lunchen in Casa Don Tomás, het oudste huis in Vignales en nu een restaurantje, van de staat uiteraard. Het is dan al ruim in de middag. Terug in het hotel claim ik een ligbed bij het zwembad. Even relaxen na een inspannende wandeltocht door een spectaculair landschap. We eten ‘s-avonds weer bij mensen thuis in een zogenaamde paladare. Er zijn via-via adresjes bekend waar je als toerist kan eten. Dat gebeurt in dit geval in een klein kamertje in een al net zo klein huisje, ergens in Vignales (dat wil zeggen je hebt het gevoel in de middle of nowhere te zitten). Het is hartstikke illegaal en mensen krijgen een forse boete als ze betrapt worden. Ze kopen het eten ook weer via-via en lenen wat borden en stoelen bij de buren en zo verdienen ze wat bij. Het eten is typisch Cubaans: rijst met zwarte bonen, tomaat, komkommer, witte kool en kip. Eten dat ik al drie dagen voorgeschoteld krijg. De Cubanen hebben gewoon weinig te besteden en ze eten nauwelijks groente.

Maandag 19 april 2004

We vertrekken om acht uur voor de lange rit naar Santa Clara. Even na Havana staan we voor het eerst stil en een uurtje later opnieuw. Pech. De motor van de bus maakt te weinig toeren en heeft amper trekkracht. De chauffeur probeert het probleem aanvankelijk zelf te verhelpen, maar dat lukt niet. We lopen ongeveer een kilometer terug naar een tentje langs de weg (rieten dak op palen, veel meer is het niet), waar we wat eten. Om half vier (!) is de bus gerepareerd. Oorzaak: vervuilde diesel (we hebben vanochtend getankt). We vervolgen de weg naar Santa Clara, maar het programma van vanmiddag wordt doorgeschoven naar morgen. Een half uur later begint de bus opnieuw te pruttelen. De chauffeur probeert contact te krijgen met z’n kantoor, maar tevergeefs. De bus rijdt niet harder dan 50 kilometer per uur. We stoppen opnieuw bij een tentje langs de weg. Er komt een nieuwe bus met een nieuwe chauffeur uit Havana, maar die is er pas om negen uur ‘s-avonds. Om half elf zijn we dan eindelijk in Los Caneyes, ons hotel voor vannacht.

Dinsdag 20 april 2004

Vanochtend bezoeken we eerst ‘el tren blindado’, een aantal oude treinwagons op de plek waar een transport van president Batista door Ché Guevara en zijn mensen is overvallen. Het transport vervoerde wapens en troepen die tegen de revolutionairen zouden worden ingezet. De geslaagde
overval was het begin van de verovering van Santa Clara door de revolutionairen en de val van Santa Clara betekende het einde van Batista. Hierna gaan we naar het mausoleum waar de resten van Ché Guevara en zijn maten in een muur zijn bijgezet. Het mausoleum bevindt zich onder het imposante standbeeld van Ché aan het plein dat ook naar hem is vernoemd. Vervolgens rijden we door het heuvelachtige landschap naar Hanabanilla. We maken een lange wandeling (ongeveer tweeënhalf uur) bij een prachtig gelegen stuwmeer. Het is een fikse klim de heuvels op, maar de uitzichten zijn
indrukwekkend. Gelukkig heb ik goede wandelschoenen aan. Ben wel drijfnat van het zweten. Om half drie zijn we terug. Dat is ook het moment waarop we onze lunch krijgen (kippenpoot, rijst, witte kool).

Om half vier vertrekken we richting Trinidad, wederom door het heuvelachtige landschap van centraal- Cuba. Het weer is al de hele dag fantastisch, net als de afgelopen dagen trouwens. Hotel Costa Sur ligt op een schiereiland aan de kust bij Trinidad aan de prachtige Playa Ancón. Als ik om kwart over zes bij m’n bungalowtje aankom, blijkt deze áán het strand te staan met voor m’n deur palmen, rieten parasols, een bar met muziek en een bijna ondergaande zon. Wat een plek om te logeren! Het is nog steeds warm (ondanks het tijdstip) en aangezien we ‘pas’ om acht uur gaan eten, ga ik eerst maar eens op het strand liggen. Tropische muziek en dito cocktail erbij. Prima geregeld! 🙂 Na het eten (naar Cubaanse maatstaven niet slecht: varkensvlees met gesmolten kaas en garnalen, tomaat, komkommer en witte kool, gelardeerd met slechte en te harde livemuziek) krijgen we op het strand een salsa-workshop aangeboden. We leren de basispasjes en bewegingen van salsa. Na afloop nog
even een drankje (cuba libre natuurlijk) en om kwart voor één ga ik slapen.

Woensdag 21 april 2004

Het bezoek aan Trinidad vandaag is de moeite waard. Een leuk, schilderachtig dorp met gekleurde huisjes en keienstraatjes. Het is nog warmer en zonniger dan de afgelopen dagen. Het Museo Histórico Municipal heeft een toren vanwaar je over Trinidad heenkijkt. Op zich is hier weinig bijzonders, maar het ziet er allemaal leuk uit. Het is toch raar. Cuba ligt midden in het Caribisch gebied. Je zou dus denken dat er volop vis en tropisch fruit te krijgen zou zijn. Niets is minder waar. Zoals gezegd is het eten hier erg sober en eenzijdig. Kip, varkensvlees, een enkele keer vis, witte kool, tomaat en komkommer vormen meestal het menu. Ook vindt je dingen als pizza en spagetti, maar die zijn ook niet om over naar huis te schrijven. Anders dan ik verwachtte, wordt ook op straat nergens eten verkocht. Geen kraampjes met vers fruit of zo. Hoogstens Cubanen die ‘pssst’ of amigo fluisteren om je aandacht te trekken en dan met sigaren aankomen. Boeren kúnnen ook geen eten verkopen, want alles wat er wordt geteeld is eigendom van de staat. Zelfs soevenirwinkels zijn staterun en overal hetzelfde. Vooral veel t-shirts (met name met Ché Guevara), cd’s en boeken over Ché, Fidel, Cuba etc. In een wat toeristisch aandoende bar drinken we het lokale drankje van Trinidad: Canchánchara (aguardiente -een lokale drank-, limoen, honing en water). Erg lekker. Om half drie zijn we terug bij onze bungalowtjes aan het strand. Dat wordt dus weer een paar uurtjes relaxen in de zon. Vanavond (nog steeds woensdag) eten we weer in een paladare. Een soort schuur waar ook nog vijf families wonen. Tot m’n verbazing is het eten best goed – naar Cubaanse begrippen. Na het eten gaan we naar het Casa de Musica. Live-muziek in de open lucht, mojito erbij.

Donderdag 22 april 2004

Na zes uurtjes slaap zit ik in de bus richting Camagüey. Onderweg zie ik weer allerlei soorten van vervoer voorbij komen. Het vervoer van mensen vindt hier op alle denkbare manieren plaats: behalve met auto’s en vaak overvolle bussen worden mensen vervoerd met paard en wagen, in pickups, met bicitaxi’s, in de laadbak van vrachtwagens en in bomvolle gesloten vrachtwagens. Het vervoer per (bijvoorbeeld) paard-en-wagen, ziet er leuk uit en geeft het land iets aandoenlijks. Maar feitelijk is het een toonbeeld van armoede en achterstand. Net als die prachtige oude Amerikaanse auto’s. Wij vinden ze prachtig, maar de Cubanen vinden dat maar vreemd. Zij zouden liever een nieuwe auto kopen, maar daar hebben ze geen geld voor. Het maakt Cuba wel erg fotogeniek. Maar niet alleen wat betreft het vervoer loopt Cuba ver achter bij de westerse wereld. Ik zie en aantal keren boeren het land ploegen met een ouderwetse door ossen getrokken ploeg. Je merkt ook in de hotels van het staatsbedrijf Horizontes: het is allemaal zwaar verouderd. Ooit door de Russen gebouwd en sindsdien heeft geen mens er meer naar omgekeken. De eetzalen zijn ongezellige en het eten slecht, enkele uitzonderingen daargelaten. Aantal keren krijg ik een lekkere sandwich jamon y queso of kip, maar met name de eerste week is het eten overwegend slecht.

Onze eerste stop is bij de Torre de Manacas-Iznaga. Deze toren hoort bij een grote suikerrietplantage. Vanaf de toren werden vroeger de slaven op de plantage in de gaten gehouden. Mooi uitzicht. Suikerriet wordt nog altijd met de hand met machetes geoogst. Het sap wordt gebruikt om rum van te maken. Na afloop drinken we vers geperst suikerrietsap: guarapo. Normaal met rum, maar daarvoor is het nog een beetje te vroeg. Vervolgens stoppen we in Sancti Spiritus. Hier bevindt zich een erg fotogenieke brug, maar verder is het niet echt een bijzonder stadje. Ik loop wat door de straatjes, het is erg warm. We lunchen op het binnenplaatsje van hotel Plaza aan het centrale Plaza Major. Om twee uur vertrekken we voor de drie uur durende reis door het vlakke landschap naar Camagüey. Onderweg zien we regelmatig stukken land die zijn platgebrand. Soms ontstaan de branden spontaan door de warmte, maar vaak worden ze door boeren aangestoken om het land sneller vruchtbaar te maken. Opvallend zijn de vele gieren die door de lucht zweven. Grote zwarte vogels met de bekende kale kop. Eentje maakt een inschattingsfout en vliegt bijna tegen onze aanstormende bus aan. Om zeven uur zij we in ons hotel. Morgen weer een dag in de bus, op weg naar Santiago de Cuba.

Vrijdag 23 april 2004

Onze eerste stop vandaag is in Las Tunas, maar dat stadje kan je net zo goed links laten liggen. We vervolgens de weg naar Bayamo, de hoofdstad van de provincie Granma (vernoemd naar het bootje waarmee Fidel en Ché in Cuba arriveerden voor de revolutie tegen Batista). Ik eet een broodje hamkaas
en een colaatje als lunch en loop wat rond om een paar leuke foto’s te maken. Zoals overal zie je ook hier overal uitingen van patriottisme in de vorm van Cubaanse vlaggen, nationalistische en socialistische leuzen, kleine beelden van José Martí voor huizen etc. Tegelijk bieden de winkels vaak een treurige aanblik. Er is weinig keuze, wat er is, is vaak oud en de Cubanen krijgen bonnen van de regering om vervolgens in lange rijen te staan voor eten. Door de mensen op straat wordt veel gekeken naar ons, de rijke toeristen uit het buitenland, waar ze zelf nooit geweest zijn en waarschijnlijk ook nooit zullen komen. Als we richting Santiago de Cuba rijden, met zicht op de Sierra
Maestra, begint het te regenen. Het is slechts een flinke bui. Het is alweer droog als we bij de Basilica de la Virgen de la Caridad del Cobre aankomen, achttien kilometer voor Santiago. Hier worden we belaagd door agressief overkomende verkopers die ons Mariabeeldjes willen aansmeren. Ik heb niet
veel met kerken, maar deze ligt er wel mooi bij. Om half zes zijn we in hotel Las Americas in Santiago de Cuba, een op het eerste gezicht prima hotel. Wat me al eerder was opgevallen is dat ze hier geen vloerbedekking kennen. In huizen en ook in hotelkamers liggen tegels op de vloer. De Cubaanse kamermeisjes vinden het leuk om van de schone handdoeken figuren te vouwen en die op het bed te leggen. Zo kom ik op mijn bed regelmatig zwanen en hartjes tegen. Opnieuw komt er een flinke bui naar beneden.

Als we ‘s-avonds de stad in gaan is het gelukkig droog. (…) Vanavond zijn we gaan stappen in Santiago de Cuba. Met de taxi zijn we naar Plaza de Armas gereden (ieder dorp heeft wel een Plaza de Armas of een Plaza de Révolution). Daar worden we meteen besprongen door een mannetje van een paladare drie straten verderop. We wagen het erop en dat blijkt een goede keus. Op een klein dakterrasje eet ik het lekkerste kippetje van deze vakantie. Na het eten gaan we naar de Casa de la Trova. Deze vindt je in iedere stad en ieder dorp en het is zeg maar het lokale muziekcafé. Deze in Santiago de Cuba is erg leuk met natuurlijk een band en een balkon waar het goed toeven is. Beneden staan wat Cubaanse meisjes die hopen aan de hand van een westerse toerist binnen te komen en wat Cubaanse mannen die naar de blanke dames van onze groep lopen te lonken. Leuke muziek (salsa, merenge en son, de langzame variant van salsa) en prima cuba libres. De sfeer is heel gezellig. Om half één gaan we naar een ander tentje: Artex. Ook dit is een leuk, klein danscafé. Zodra we binnen zijn, komt er een Cubaans meisje op me af. Ze pakt me vast en trekt me mee om te dansen. Ook anderen van de inmiddels sterk uitgedunde groep worden de dansvloer opgevraagd. van de Cubaanse kom ik niet meer af. Tussendoor is het de bedoeling dat ik haar drankjes betaal. Ze spreekt geen woord Engels en ik geen Spaans, maar goed, van dansen kan ze geen genoeg krijgen. Twee Cubanen met een Chevrolet uit 1962, die we in Casa de la Trova min of meer hebben beloofd dat ze onze taxi mogen zijn, zijn ons naar Artex gevolgd en brengen ons aan het eind van de avond naar Las Americas. In deze oude Chevy arriveren we om half drie bij het hotel.

Zaterdag 24 april 2004

Vanochtend bezoeken we eerst eerst El Morro, een fort bij de baai van Santiago de Cuba. Vervolgens rijden we naar het centrum van de stad. Het is echt bloedheet weer. Ik zweet me suf. Met een klein groepje lopen we een rondje door het centrum van Santiago de Cuba. Ook hier weer overal muziek,
op straat, in barretjes en in huizen. De mensen zijn hier opdringerig. We worden voortdurend benaderd door bicitaxi’s, bedelaars, verkopers, taxichauffeurs, restaurant-hustlers, geldwisselaars en sigarenverkopers. We worden veel nagekeken en naar de vrouwen wordt gefloten. Even na half drie
laten we ons naar het hotel terugrijden in een rode Chevrolet Impala, een auto uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. De rest van de middag liggen we bij het zwembad. ‘s-Avonds eten we weer in een paladare, dit keer één van de weinige legale paladares. Meer een soort restaurantje dus, of iets ertussenin. Na het eten gaat een deel van de groep naar Tropicana, een soort Cubaans cabaret met schaars geklede dames met veren op hun hoofd. Ik hebben daar geen zin in en besluit met een paar anderen om in de stad ergens naartoe te gaan. We lopen naar Plaza Dolores, maar daar zit niet echt iets leuks. We belanden even verderop in een barretje. Nadat we wat hebben gedronken, komen we een jongen tegen die ons gisteren ook een keer heeft weggebracht. Als we zeggen naar ons hotel te willen, wijst hij een vriendje van hem aan met een oude Moskvich. Zonder veel nadenken stappen we
bij hun in de auto. Onderweg begin ik me af te vragen of dat wel slim is geweest. Ik herken de weg naar het hotel niet meteen en heb toch even zoiets van: shit, waar brengen ze ons heen? Maar de jongens blijken te vertrouwen en leveren ons keurig bij het hotel af. We drinken nog een pina colada en om half twee gaan we slapen.

Zondag 25 april 2004

Vandaag staat de lange rit naar Baracoa op het programma. We halen broodjes in Guantanamo en lunchen op een strandje. De rit gaat vervolgens door de bergen, waar het bovenin nevelig en regenachtig is. Om half vier komen we in Baracoa aan. Als we door het stadje wandelen, blijkt dat het
niet veel bijzonders is. Het hotel ligt aan de kust, aan de andere kant van de baai, maar veel strand zie ik niet. Vanavond eten we in het hotel. Na afloop doen we nog een drankje bij het zwembad, waarna we met de bicitaxi naar het dorp gaan. Doel: Casa de la Trova. Deze Casa de la Trova is klein, maar
erg leuk. Er staat een bandje van bejaarde mannetjes te spelen. Helaas houden die er al om twaalf uur mee op. Helaas, want we zijn er net en hebben nog niet eens gedanst. Iets anders is er niet echt (zondagavond?), dus we nemen de bicitaxi terug naar het hotel. De jongen van de heenweg heeft op ons gewacht. Raar dat ze dat doen, maar wel grappig, zo’n groep bicitaxi’s voor de deur, wachtend tot de klanten weer naar huis willen. Eenmaal terug gaan we bij één van ons op de kamer nog wat drinken en is het weer bijna twee uur voordat ik in bed lig.

Maandag 26 april 2004

Vandaag geen programma, dus lekker uitgeslapen. Beetje door het stadje gelopen, op een terrasje gezeten en lopend terug gegaan naar het iets buiten het stadje gelegen hotel. Een aardige wandeling met deze warmte. We pauzeren halverwege even op een brug, waar van alles langskomt: paardenwagens, bicitaxi’s, schoolkinderen in uniform, een man met een varken aan een touwtje, vrachtwagens met mensen etc. Als we ‘s-avonds willen gaan eten, worden we bij de deur van het hotel bestormd door een enorme groep bicitaxi’s, die ons naar het restaurantje La Oriente willen brengen. Vervolgens naar Casa de la Trova voor een nieuwe avond uit. Iedereen komt goed los en het is erg gezellig (zoals alle uitgaansavonden overigens). Omdat de Casa de la Trova weer om twaalf uur sluit, gaan we (op aanraden van wat lokalo’s) naar Ranchos, een wat hoger gelegen (vanaf de straat eerst een trap op) open ‘disco’ verderop in het dorp. Zoals gezegd is iedereen (we zijn met z’n achten) helemaal los vanavond. Er wordt gedanst met lokale Cubanen, gedronken en gelachen. Als we teruggaan, staan de bicitaxi’s uiteraard alweer op ons te wachten. De afterparty in het hotel eindigt om vier uur…

Dinsdag 27 april 2004

Ik ben in Oost-Europa beland! Deden de vorige hotels al Oostblokachtig aan, hotel Pernik in de troosteloze buitenwijk van Holguín slaat alles. Buiten ziet het eruit als Moskou tien jaar geleden, een paar grijze betonnen woontorens, een vervallen stadion en braakliggende stukken grond. Gelukkig zitten we hier maar voor één nacht. Vandaag niets gedaan. Tot tien uur uitgeslapen, ingepakt, wat gegeten en om één uur vanuit Baracoa vertrokken voor de lange rit naar Holguín. Onderweg veel regen gehad en om half acht in Holguín aangekomen. Ik heb het gevoel dat de vakantie voorbij is. Gisteravond hebben we het goed afgesloten. Ik wil nu wel weer naar huis, het is mooi geweest. Morgenochtend nog even de stad in en dan ‘s-middags naar de luchthaven.

Woensdag 28 april 2004

Na het ontbijt lopen we met een paar mensen nog even de stad in, maar ook het centrum van Holguín is niet echt bijzonder. We lopen wat rond, op zoek naar souvenirwinkeltjes, maar ook die zijn er maar weinig. Met een oude taxi rijden we terug naar het hotel. Om twee uur komen we met z’n allen samen
bij het zwembad om afscheid te nemen van José (onze Cubaanse gids),van de chauffeur en en van Ilse. Om vier uur vertrekken we naar het vliegveld van Holguín voor de vlucht naar Amsterdam. Donderdagochtend om half elf landen we op Schiphol. Even voor twaalf uur ben ik thuis na een zeer
geslaagde en gedenkwaardige vakantie.