Marokko

19 september – 2 oktober 2009

Zaterdag 19 september 2009

Koningssteden, kasbahs, moskeeën, couscous, medina’s, woestijn en Atlasgebergte, dat zijn in grote lijnen de ingrediënten voor onze tweede reis dit jaar. Bestemming: Marokko. Op slechts 3,5 uur vliegen, aan de noordwestkust van Afrika, 25 miljoen inwoners op een grondgebied dat 20 keer zo groot is als Nederland. Om vier uur lokale tijd (twee uur vroeger dan in Nederland) landen we op de luchthaven van Casablanca. De rij voor de paspoortcontrole is lang, maar dat is nog niets vergeleken met de tijd die het kost om onze bagage te krijgen. Pas als iemand een mannetje van de luchthaven aanspreekt, komt onze bagage op de band (zij het een andere dan waar iedereen staat te wachten).

In de hal van de luchthaven staat een vertegenwoordiger van de reisorganisatie te wachten om ons in een half uur naar het centrum van Casablanca te brengen. Casablanca (of Dar al-Beida, zoals de Marokkanen de stad noemen) is de economische hoofdstad van Marokko en met vijf miljoen inwoners de grootste stad van Afrika, op Cairo na. De stad heeft niets te maken met de romantische filmklassieker Casablanca (die ook niet in deze stad is opgenomen) en doet ook niet denken aan het sfeervolle Marokko dat je verwacht. Gewoon een grote, drukke stad, met hoge kantoor- en flatgebouwen, reclameborden en veel verkeer. Een stad waar vrijwel alles tweetalig is (Arabisch en Frans), McDonald’s en Pizzahut hun vestiging hebben en de brede boulevards eerder Frans dan Noord-Afrikaans aandoen.

Ons hotel zit aan de rand van het centrum en is een standaard toeristenhotel dat z’n drie sterren maar amper waard is. Het is zeven uur en de avond valt. Het is nog Ramadan (nog twee dagen) en mensen sneller naar de moskee, daartoe opgeroepen dor het gezang vanuit de minaretten. Bidden en eten: tussen zeven en acht uur is het op straat uitgestorven. Om acht uur gaan we op zoek naar een restaurantje. Mannen zitten op de diverse terrasjes (cafés zijn in Marokko het domein van de man, op de terrassen is meestal geen vrouw te bekennen). We vinden een soort eetcafé, waar we de enige klanten zijn en waar we voor weinig geld redelijk te eten krijgen. We gaan vanavond vroeg slapen. Morgen maar eens kijken hoe de rest van de stad eruit ziet.

Zondag 20 september 2009

Als we door de stad lopen, wordt eens te meer duidelijk hoezeer deze stad (en dit land) beïnvloed is door de periode dat het een Frans protectoraat was. Het is dat je overal Arabische teksten ziet, anders zou je je ook in de buitenwijk van een grote Franse stad kunnen wanen. De gebouwen zijn naar Franse architectuur uit begin twintigste eeuw gebouwd, de meeste straten heten ‘boulevard’ of ‘avenue’ en ook het feit dat je langs de ‘boulangerie’, de ‘super marché’ en de ‘pharmacie’ loopt, geeft je het gevoel eerder in Parijs dan in Marokko te zijn. Het zijn de gezichten van de mensen, hun kleding, de geuren en de moskeeën die de stad zijn Noord-Afrikaanse uitstraling geven.

Het is zondagochtend en (nog) erg rustig op straat. De meeste winkels en restaurants zijn dicht. We lopen langs Place Mohammed V, het centrale plein van de stad, met een aantal markante gebouwen er omheen: de Préfecture (met klokkentoren), het Palais de Justice en het oude postkantoor. Vervolgens lopen we langs het drukke verkeersplein Place des Nations Unies en de oude en vervallen (en niet zo interessante) medina (we zullen later deze reis nog genoeg wel interessante medina’s bezoeken). Met name dit deel van de stad is oud en vies.

Casablanca heeft weinig bezienswaardigheden, maar één maakt de stad toch het bezoeken waard. De Hassan II moskee is dé trekpleister van de stad. De moderne moskee is in de jaren tachtig van de vorige eeuw gebouwd en ligt direct aan de Atlantische oceaan. Het is de op twee na grootste moskee ter wereld (na die in Mekka en Medina) en biedt plaats aan twintig duizend gelovigen. Op het enorme plein voor de moskee kunnen nog veel meer mensen een plek vinden. De vierkante minaret is 175 meter hoog (in tegenstelling tot de ronde minaretten in het Midden-Oosten zijn de minaretten in Noord-Afrika vierkant). De moskee is een schitterend bouwwerk, met mooie mozaïeken, gedecoreerde deuren, bogen en zuilengalerijen. Een fraai staaltje hedendaagse islamitische architectuur!

Vanaf de Hassan II moskee nemen we een ‘petit taxi’ naar het hotel. Deze kleine rode taxi’s (in andere steden zijn ze blauw of beige) rijden overal rond en brengen je voor een klein bedrag naar je bestemming. Bij de patisserie in de straat van ons hotel is het een drukte van belang. Mensen doen inkopen voor het aankomende Suikerfeest, het feest waarmee het einde van de Ramadan wordt gevierd. In de winkels en bij stalletjes op straat liggen allerlei zoete en hartige broodjes, waar we er een aantal van kopen en meenemen naar het iets verderop gelegen Parque de la League Arabe. Dit is een grote groene oase temidden van de lawaaiige stad, met lange rijen palmen langs paden waar grote foto’s tentoongesteld staan. In het gras liggen bewoners van de stad te relaxen, kinderen spelen en er wordt gejogd. Een goede plek om een tijdje gaan zitten lezen, voordat de zon ondergaat.

Maandag 21 september 2009

Na het ontbijt komt iemand van Avis ons halen om bij het lokale kantoortje van de autoverhuurder de papieren in orde te maken en onze huurauto mee te geven. Hij is zo vriendelijk om ons uit te leggen hoe we Casablanca moeten verlaten: bij het derde stoplicht rechtsaf, daarna de eerste weg links en na acht kilometer staat dan een bord richting Rabat. De eerste twee aanwijzingen kloppen, maar een bord Rabat ontbreekt. Een grote verrassing is dat niet, want tot nu toe komen we sowieso nauwelijks richtingborden tegen en ook naar straatnaamborden is het soms flink zoeken. Een goede kaart en richtinggevoel zijn dus een pré. Na acht kilometer kruisen we een snelweg, dus besluiten we die maar te nemen, in de hoop dat we de goede kant opgaan. Na een paar kilometer bevestigt een bord (eindelijk) dat we inderdaad richting de Marokkaanse hoofdstad rijden.

Het is een uurtje rijden naar Rabat. Via de doorgaande weg die dwars door de nieuwe stad leidt, rijden we recht op de Bab el Had af, één van de poorten in de oude rood-bruine stadsmuur die de oude stad scheidt van de door de Fransen gebouwde nieuwe stad. Vanaf de Bab en Had volgen we de Boulevard Hassan II tot vlakbij de rivier Bou Regreg. Hier staat de Tour Hassan, een onafgemaakte toren die de minaret had moeten worden van de Hassan II moskee. In 1776 is deze moskee echter door een aardbeving verwoest en voor de toren ligt nu een groot plein met alleen nog de zuilen van de moskee. Aan de andere kant van het plein staan de mausoleums van de voormalige koningen Mohammed V en zijn zoon Hassan II. Vanaf de Tour Hassan heb je een mooi uitzicht over de rivier en Salé, de conservatieve zusterstad van Rabat, aan de overkant. De Tour Hassan wordt ook door veel Marokkanen bezocht. Veel bezoekers zijn feestelijk gekleed ter gelegenheid van het Suikerfeest dat vandaag wordt gevierd.

Na de Tour Hassan lopen we door de Rue des Consuls in de oude medina, waar het weliswaar redelijk druk is, maar waar de winkeltjes vandaag vanwege de nationale feestdag helaas gesloten zijn. Aan de andere kant van de medina komen we bij de Kasbah des Oudayas. Dit fort is een stadje op zich, met tal van kleine straatjes met kleine huisjes die allemaal wit met blauw geschilderd zijn. We lopen kriskras door de schilderachtige straatjes totdat we uiteindelijk bij Café Maure komen, de ideale plek om even te relaxen. Op het terras met schaduw en de verkoelende wind van de oceaan genieten we van een glaasje muntthee en lokale zoetigheden.

Vanuit de kasbah lopen we terug door de medina. We hebben inmiddels trek gekregen en besluiten bij één van de kraampjes op straat wat te eten te kopen. Het drukst is het bij een kraampje waar ze platte broden doormidden snijden en iedere helft vullen met een mengsel van worstjes, vlees, uien en couscous. Druk betekent meestal goed, dus we bestellen twee broodjes. Wat er precies in zit, weten we niet, maar smaak van gebakken lever en de schapenkoppen die bij het kraampje ernaast worden verkocht, geven ons wel een idee…

Als we terug zijn bij de auto, besluiten we nog één bezienswaardigheid te bezoeken: het Koninklijk Paleis. Het moderne paleis staat op een groot, ommuurd terrein. We moeten ons paspoort laten zien om het terrein op te mogen. Het blijkt een kleine stad binnen de stad, compleet met kantoren van de ministeries, huizen voor de medewerkers en de onvermijdelijke moskee. Het paleis zelf is niet toegankelijk, maar door de fraai vormgegeven poort kan je wel een glimp opvangen van de koninklijke entree. De bewakers houden de fotograferende toeristen nauwlettend in de gaten en maken het onverbiddelijk duidelijk als je te dicht bij de poort komt.

Vanaf hier is het niet ver meer naar hotel Balima, centraal gelegen aan de Boulevard Mohammed V, recht tegenover het parlementsgebouw. Voor het hotel is een groot terras waar het aan het eind van de middag gezellig druk is. Terwijl de zon langzaam achter het parlementsgebouw zakt en wij een glaasje muntthee drinken op het terras, flaneren de inwoners van Rabat langs de boulevard. Sommige traditioneel gekleed, andere juist weer heel modern. Meisjes met en zonder hoofddoek, mannen in djellaba en jongens in spijkerbroek, spelende kinderen met ballonnen – alles door elkaar heen. Iedere dag rond de schemering vindt hier het sociale leven plaats. Het is er gezellig druk. Niet alle restaurants zijn op deze nationale feestdag geopend en dus belanden we uiteindelijk bij een Italiaans restaurant, waar de meeste gasten thee drinken als wij er gaan eten. Morgen naar Meknes.

Dinsdag 22 september 2009

Om acht uur zitten we op het dakterras van hotel Balima aan het ontbijt, in de koelte van de ochtend en met uitzicht op het parlementsgebouw aan de overkant. Na het ontbijt stappen we in de auto voor de rit naar Meknes. Als we de stad hebben verlaten (hier gelukkig wel borden) loopt de weg door een vlak, kaal landschap. Halverwege stoppen we even bij een benzinestation met café voor een kop koffie. Naarmate we dichterbij Meknes komen, wordt het landschap heuvelachtiger. Het gebied tussen Rabat en Meknes is in opkomst als wijngebied en inderdaad zien we hier en daar wijngaarden (later deze reis komen we tot de slotsom dat de kwaliteit van Marokkaanse wijn nog wel wat verbetering behoeft…).

We willen vanochtend eerst naar Voloubilis, een oude Romeinse stad, ten noorden van Meknes, maar eenmaal bij Meknes zijn ze weer opgehouden om borden te plaatsen. Ondanks de plattegrond in onze reisgids en ons toch redelijk ontwikkelde richtingsgevoel, rijden we toch verkeerd. Na een tijdje zoeken en de weg vragen, besluiten we om het programma om te draaien: eerst Meknes en morgenochtend Voloubilis. We parkeren de auto vlak buiten de stadsmuur. Eenmaal binnen de muur sta je meteen bij de imposante stadspoort Bab Mansour. De poort is begin 18e eeuw gebouwd in opdracht van de sultan van Meknes, die ook verantwoordelijk is voor de verdedigingsmuren rondom de stad. Tegenover de Bab Mansour ligt het Place el Hedim, een groot plein dat aan één kant voorzien is van terrasjes en aan de andere kant begrensd wordt door de medina.

Eerst lopen we aan de andere kant van de Bab Mansour naar het gebouw waar de graftombe van sultan Moulay Ismael is. Voor veel stadsbewoners is dit een heilige plaats en het is één van de weinige heilige plaatsen in Marokko die toegankelijk zijn voor niet-moslims (maar trek wel je schoenen uit). Het gebouw is van binnen helemaal betegeld met kleurrijke mozaïeken. Hierna lopen we terug naar Place el Hedim om te kijken of we daar ergens wat kunnen eten. Bij één van de restaurantjes worden we door de eigenaar aangesproken – in vloeiend Nederlands. Hij blijkt een Surinaamse vriendin te hebben (vandaar z’n goede Nederlands) en heeft een neus voor het herkennen van Nederlandse toeristen J. Hier op het terras genieten we van een heerlijke vruchtencocktail, een broodje, een verkoelend briesje en het uitzicht over het plein.

Vervolgens lopen we de smalle straatjes van de medina in. Niet alle winkeltjes zijn open en het is er niet erg druk. Na een paar keer links- en rechtsaf komen we bij de Madrase Bou Inania. Deze koranschool is in de 14e eeuw gebouwd. Voor tien dirham mag je naar binnen en dat is absoluut aan te raden. De madrase heeft een prachtige binnenplaats met fontein. De vloer en het onderste deel van de muren zijn betegeld met mozaïeken, daarboven is stucwerk aangebracht dat helemaal bewerkt is met geometrische figuren. Ook de houten poorten zijn voorzien van houtsnijwerk met abstracte vormen. Werkelijk álles is bewerkt en versierd. Via een smalle trap kom je op de eerste verdieping, waar de kleine (twee bij twee) ruimtes zijn waar de studenten van de koranschool sliepen. Een volgende trap brengt je op het dak van de madrase, vanwaar je over de daken van de medina kan kijken en een blik kan werpen op de naast de madrase gelegen moskee met zijn minaret en groene dakpannen.

Als we via de medina weer terug zijn op Place el Hedim en een glaasje muntthee hebben gedronken, begeven we ons richting ons hotel, dat in de ‘nouvelle ville’ staat. Na enig zoekwerk (alles is hier éénrichtingverkeer) vinden we hotel Bab Mansour. Hier gaan we een uurtje op bed liggen lezen voordat we weer de deur uitlopen op zoek naar restaurantje op te eten. Dat blijkt een lastige opgave. Hoewel het in de stad gezellig druk is, zijn de paar restaurantjes die er zitten gesloten. Wel zit er op iedere straathoek een patisserie of een ijssalon en zijn er talloze door mannen bevolkte cafés. Nadat we ergens op een terras een glaasje muntthee hebben gedronken, vinden we vlakbij het hotel een pizzeria. Snel, goedkoop en vooral: open.

Woensdag 23 september 2009

35 kilometer ten noorden van Meknes ligt Voloubilis, een oude Romeinse stad die zijn hoogtepunt kende in de tweede en derde eeuw. De meeste gebouwen zijn verdwenen, wat rest zijn een grote triomfboog en wat rechtopstaande (of weer rechtopgezette) zuilen. Waarom Voloubilis bezoekers trekt, zijn echter de vele mozaïeken vloeren van de oude Romeinse huizen die hier hebben gestaan. Deze zijn behoorlijk goed bewaard gebleven. Bovendien heb je vanaf de ruïnes een mooi uitzicht over de weidse omgeving.

Het is even zoeken hoe we van Voloubilis naar Fes komen, want rond Voloubilis lijken de wegen niet helemaal overeen te komen met de kaart. Een politieagent wijst ons uiteindelijk de goede kant op. De weg richting Fes loopt door eindeloos heuvelachtig landschap, dat er droog en kaal uitziet. Ongetwijfeld het gevolg van een lange, hete zomer. Het is nog zo’n 75 kilometer naar Fes. Als we in de buurt van de stad komen, stuiten we op hetzelfde probleem als een paar keer eerder tijdens deze reis: alles is ontzettend slecht aangegeven. Borden ontbreken, zijn slecht leesbaar of komen niet overeen met de plattegrond. We rijden veel op de gok, wat overigens meestal goed blijkt te gaan. Tot nu toe komen we telkens op de plaats van bestemming aan, zij het na veel zoeken, mopperen over ontbrekende borden en een aantal keren rechtsomkeert maken.

Ook de Tour de Fes, de rondweg om de oude stad van Fes heen, voldoet niet helemaal aan de kaart, maar toch weten we de plek te vinden vanwaar je een mooi uitzicht over de oude stad hebt. De grote moskeeën met hun minaretten en groene dakpannen zijn duidelijk herkenbaar. Voor vandaag houden we het bij dit beeld van Fes, morgen gaan we de oude stad bezoeken. Eerst gaan we op zoek naar ons hotel, dat in de ‘nouvelle ville’ ligt. De weg daar naartoe weten we goed te vinden, maar het hotel blijkt heel ergens anders te staan dan het kaartje van de reisorganisatie aangeeft. Na twee keer vragen bieden twee jongens op een brommer aan om ons naar het hotel te brengen. Behendig loodsen ze ons door het drukke verkeer en enkele minuten later staan we voor het hotel. Eén van de jongens probeert ons nog een gids te slijten voor als we morgen de oude stad gaan bezoeken en dringt erop aan dat we in het restaurant van een ‘vriend’ gaan eten, maar daar hebben we allemaal geen belangstelling voor. In dat geval wil hij 50 dirham voor de benzine en de service. Ik vind 30 dirham wel genoeg, wat hij morrend aanneemt. Blij dat we op de plaats van bestemming zijn, ploffen we even later op bed.

Aan het begin van de avond nemen we een ‘petit taxi’ naar Place Mohammed V, het centrum van de ‘nouvelle ville’. Hier wordt rond deze tijd volop geflaneerd en gewinkeld. Mannen zitten op de terrassen. Vlakbij het plein is een park met een paviljoen in het midden, waar we op het terras een muntthee bestellen. Eten doen we in het restaurant van het hotel, iets wat we normaal gesproken eigenlijk nooit doen. Maar in Marokko is geen cultuur van buitenshuis eten. Marokkanen eten thuis en in de cafés wordt dan ook voornamelijk thee gedronken. We zullen deze reis nog vaker de enige zijn die iets te eten bestellen.

Donderdag 24 september 2009

Vandaag staat Fes op het programma. De oude stad bestaat uit twee delen: Fes el Jdid en Fes el Bali. Wij concentreren ons op Fes el Bali. We parkeren de auto even buiten de stadsmuren bij de Bab Boujeloud, de mooiste en bekendste, maar relatief nieuwe (1911) stadspoort van Fes. De poort is aan de ene kant voorzien van blauw met goud mozaïek, aan de andere kant van groen met goud. Na de poort loop je de ‘hoofdstraat’ van de medina in, de Talaa Kabira. Aan het begin van de Talaa Kabira staat de madrase Bou Inania. Deze koranschool luistert naar dezelfde naam als die in Meknes en komt ook qua architectuur overeen. Ook hier een met mozaïek en houtsnijwerk versierde binnenplaats.

De oude medina is een wirwar van talloze smalle straatjes, die alleen toegankelijk zijn voor voetgangers en muilezels. Overal zitten kleine winkeltjes met van alles en nog wat: babouches (traditionele slofjes), lederwaren, kruiden, tapijten, vlees (schapenkoppen) enzovoort. Het is er een drukte van belang en we moeten regelmatig aan de kant om een ezel erdoor te laten. Je wordt er voortdurend aangesproken door jongens en mannen die je hun winkel willen laten zien, je een restaurant willen binnenloodsen of als gids willen optreden. We slagen er vrij goed in om in de kleine straatjes onze weg te vinden. Links en rechts van de Talaa Kabira zijn kleine souks, doodlopende en veelal overdekte straatjes waar handelaren zitten die gespecialiseerd zijn in bijvoorbeeld hennatatoeages of koperwerk.

De Talaa Kabira komt uiteindelijk uit bij de grote moskee van Fes: de Kairoyine moskee. Deze is verboden voor niet-moslims, maar de grote poort staat open zodat we toch een blik kunnen werpen op de binnenplaats van de moskee. Het is verbazingwekkend hoe je temidden van al die nauwe straatjes, met gebouwen die er aan de buitenkant niet uitzien, ineens zo’n prachtig versierde binnenplaats treft. Om de hoek van de moskee is Place Seffarine, een klein pleintje waar we bij een stalletje nougat kopen en even gaan zitten pauzeren. Hierna lopen we door een klein straatje richting de Chouaras tanneries. Dit is de grootste van de drie leerververijen in Fes. Bij enkele omliggende winkeltjes kan je naar het dakterras, vanwaar je van bovenaf de ververij kan zien. Wat je daar ziet, is ongelooflijk: beneden is een plein dat geheel vol staat het ‘vaten’ met de structuur van een soort grote eierdoos, vol met verf waarin de grote leren huiden worden geverfd. Nieuwe huiden liggen op de daken te drogen in de zon. De stank is enorm. Mannen en jongens staan op en in de vaten de leren huiden te ‘wassen’. Sommige staan tot hun middel in het vieze goedje. Het is zwaar werk, in de penetrante stank en de volle zon. Hier is sinds de middeleeuwen letterlijk niets veranderd. Zo werden de huiden toen geverfd en zo gebeurt het nog steeds. Onvoorstelbaar…

Als we verder lopen, gebeurt het onvermijdelijke: we raken de weg in de wirwar van straatjes kwijt. We lopen op de gok verder, erop vertrouwend dat we vanzelf weer op een punt komen dat we herkennen. Als ik even later langs een ezel loop die ik daar eerder heb zien staan, blijken we weer bij de Talaa Kabira te zijn. Het is inmiddels tijd om wat te eten. Eén van de vele onopvallende deuren in de Talaa Kabira geeft toegang tot een prachtig versierde binnenplaats die dienst doet als restaurant. Een oase van rust in deze drukke medina. Hier kunnen we even rustig bijkomen van alle indrukken, geluiden, kleuren en geuren in Fes el Bali. Als we later die middag terug zijn in ons hotel, gaan we bij het zwembad een paar uurtjes liggen relaxen. Morgen staat de 425 kilometer lange rit dwars door het Atlasgebergte naar het zuiden op het programma.

Vrijdag 25 september 2009

We verlaten Fes via de N13 naar het zuiden. We zijn net onderweg als het begint te regenen. De afgelopen dagen is het prachtig weer geweest, maar vandaag is het grijs en grauw. Al snel rijden we het Atlasgebergte in. Dit deel is de ‘Moyen Atlas’, vergeleken met de ‘Haut Atlas’, die nog komt, nog niet zo hoog. We rijden de bergen over, door cederbossen en langs Ifrane, een soort Zwitsers bergdorp, keurig aangeharkt en met chalets, heel on-Marokkaans. Na de bergen volgt een grote hoogvlakte, een eindeloos kale, rotsachtige vlakte met hier en daar een kudde schapen en af en toe een dorpje. In Midelt is het tijd om te stoppen voor de lunch. We zijn nog niet uitgestapt of een jonge man stelt voor dat we in restaurant Fes om de hoek gaan eten. Hij begint over Djoser en Baobab en dat die altijd bij hem eten. Nou ja, als hij die reisorganisaties kent, zal het wel ok zijn. En dat is het ook: het eten is prima, vooral de selectie van lokale voorgerechtjes is heerlijk. Na afloop worden we meegenomen naar een tapijtenzaak iets verderop, die van dezelfde man blijkt te zijn. We krijgen uitleg over de betekenis van de motieven op berbertapijten en krijgen diverse exemplaren geshowd. Het kost heel wat moeite om de enthousiaste verkoper ervan te overtuigen dat we echt geen tapijt van hem gaan kopen. Daarna is de vriendelijkheid ook snel verdwenen. Het is een beetje jammer dat onder de schijnbare vriendelijkheid van de Marokkanen toch telkens weer de gerichtheid op je euro’s verborgen gaat…

Na de lunch rijden we op de ‘Haut Atlas’ af. De bergen reiken hier tot boven de 3000 meter, maar gelukkig loopt de weg over een wat lager deel. Het weer blijft slecht. Donkergrijze wolken hangen boven de bergen en de regen slaat onophoudelijk tegen de voorruit. De grond kan zoveel water niet aan en regelmatig stroomt het modderbruine water over de weg. Op die plekken moeten we stapvoets door het water. Eén keer moet ik bovenop de rem als de auto’s voor me ineens stil staan voor een ondergelopen stuk weg. De auto voor ons komt angstaanjagend snel dichterbij, maar de wielen krijgen geen grip op de natte weg. Op slechts enkele centimeters afstand komt onze Renault Clio tot stilstand… Heel langzaam rijden we vervolgens over het stuk ondergelopen weg.

Na Er-Rachidia, de laatste grote plaats, verlaten we de N13, worden de wegen smaller en het landschap kaler. De aarde en rotsen zijn rood-bruin van kleur en het uitzicht weids. De omgeving doet hier denken aan het zuidwesten van de Verenigde Staten. Door het slechte weer, maken we weinig foto’s. Maar op één moment, als de zon héél even door een gaatje in de bewolking prikt, maken we er één van een volmaakte regenboog boven een vallei. Een toevalstreffer. Het is eind van de middag als we in Erfoud aankomen. Moe van de lange reis nemen we onze intrek in het Kasbah Tizimi hotel, een traditioneel ingericht hotel in de vorm van een kasbah aan de rand van Erfoud. Morgen worden we hier opgepikt om de woestijn in te gaan. Hopelijk is het dan wat beter weer.

Zaterdag 26 september 2009

Het is vannacht nog lang slecht weer geweest, maar vandaag is het weer zonnig. We kunnen rustig aan doen, want we worden pas om één uur opgehaald om naar Erg Chebbi te gaan, de woestijn ten zuidoosten van Erfoud. Onze huurauto blijft achter bij het hotel. Om precies één uur komt Ibrahim met een Toyota Landcruiser voorgereden. Het eerste stuk gaat nog over de verharde weg, maar na een half uurtje houdt de weg op en rijden we dwars door de woestijn verder. Een droge, kale vlakte zo ver als je kan kijken. Alleen hier en daar een palmboom of een kasbah. Ibrahim loodst de terreinauto behendig door het landschap en na een tijdje doemen de zandduinen van Erg Chebbi op. Goudgele duinen temidden van een verder grijze woestijn. We stoppen bij Kasbah Tombouctou, waar we nog wat tijd krijgen om te relaxen. Om vijf uur komt Ibrahim ons halen om per kameel verder te gaan. Die extra uurtjes hadden van ons niet gehoeven, maar goed.

Even na vijf uur liggen aan de rand van de zandduinen twee kamelen met hun herder rustig te wachten. We worden op de rug van de kamelen gehesen en met het gebruikelijke geschommel komen de beesten overeind. Wat volgt is een adembenemende tocht van een uur door de zandduinen van Erg Chebbi. Dit is zoals een kind zich de woestijn voorstelt: zand, zand en nog eens zand. Al snel lijkt het alsof we de enige op de wereld zijn. Alleen het geluid van de wind en de zachte stappen van de kamelen in het mulle zand. Glooiende duinen zo ver als je kan kijken. Heel bijzonder en bijna onwerkelijk om hier zo op een kameel door de woestijn te lopen. Echt comfortabel is het niet op de rug van een kameel. Iedere stap die het beest zet, hobbel je voor- en achterover. Maar het uitzicht maakt alles goed.

We stoppen even bij een hoog duin om de zon onder te zien gaan. Maar bovenop worden we bijna weggeblazen door de opstekende wind en het laatste stuk worden we letterlijk gezandstraald. Het wordt al donker als we bij de oase aankomen waar we vannacht zullen slapen. Aan de voet van een duin staan ongeveer twintig berbertenten in een rondje. Eén ervan is voor ons. Er zijn maar een paar andere tenten bezet. De tenten bestaan uit dekens van kamelenhaar, die over palen zijn gespannen, binnen liggen keurig twee matrassen met lakens en dekens. We worden verwelkomd met een glaasje muntthee, later krijgen we ook te eten. Tajine, het traditionele maal dat je overal in Marokko kan eten (een stoofschotel met vlees en groenten, bereid in een stenen schaal met een kegelvormige deksel). Als het helemaal donker is, komen de sterren tevoorschijn. Het lijken er wel meer dan thuis. De oase wordt verlicht door de maan.

Zondag 27 september 2009

Om half zes staan we op om de zon op te zien komen. De zonsopkomst boven de zandduinen levert mooi plaatjes op. Hiermee is ons verblijf in de woestijn compleet. Nou ja, bijna dan: eerst moeten we nog een uur per kameel terug naar de plaats waar Ibrahim ons gisteren heeft afgezet. De terugtocht is minstens zo oncomfortabel (ik zal er een paar dagen spierpijn aan overhouden), maar ook even mooi. Terug bij Kasbah Tizimi vervolgen we onze reis met de huurauto richting Tinerhir. De weg loopt dwars door het zuiden van Marokko, dat wordt gekenmerkt door kale vlaktes, met de bergen van de ‘Haut Atlas’ op de achtergrond. Onderweg een aantal kleine dorpjes, waar de vrouwen allemaal zwart gesluierd gaan en de mannen op ezels rijden. Ook wordt hier opvallend veel gefietst: de fiets als alternatief voor de ezel.

De dorpen waar we langs komen ogen armoedig. Alleen de doorgaande weg is verhard, veel huizen niet afgebouwd of staan leeg en naast de weg liggen stenen, puin en afval. Ook laat de afwatering te wensen over. De hevige regen van twee dagen geleden hebben ze hier nu nog last van. Op één plek moeten we een lage brug over, waar het water niet onderdoor, maar overheen stroomt. En best wel hard ook. De jeugd van het hele dorp is uitgelopen om automobilisten door het water van de brug te loodsen. Héél langzaam en in de eerste versnelling lukt het onze Clio om de overkant te halen. Het teveel aan water hier komen ze elders te kort: de rest van de omgeving is kaal en bergachtig. Om half één komen we aan in Tinerhir, waar we twee nachten zullen blijven. We doen rustig aan: een beetje lezen, een rondje door het (niet erg interessante) dorp en ’s avonds eten in het restaurant van het hotel.

Maandag 28 september 2009

Gisteren voelde ik me al niet echt lekker (moe en verkouden), maar vandaag voel ik me pas echt belabberd. Ik ben snipverkouden en heb geen energie. Gelukkig hoeven we vandaag ook niet zo veel. Nadat we hebben uitgeslapen en ontbeten, rijden we naar de Todrakloof, even ten noorden van Tinerhir. Een smalle weg slingert hier tussen de bergen van de ‘Haut Atlas’ door, in de vallei liggen de groene akkers van de lokale berberbevolking. De weelderig met palmen begroeide valeibodem steekt scherp af tegen de kale rood-bruine bergen. Onderweg komen we door diverse kleine dorpjes, waar ieder tweede huis zich aanbiedt als restaurant met panoramisch uitzicht. Gevoel voor zaken hebben ze hier wel.

De bouwstijl hier in het zuiden is anders dan in het noorden: veelal eenvoudige, vierkante huizen, met kleine ramen om de warmte buiten te houden, vaak pastelroze geschilderd met mintkleurige deuren. Tegen de berghellingen aan liggen oude kasbahs, die nog op de traditionele manier met leem zijn gebouwd. Doordat het leem is gemaakt van de grond van de bergen, hebben de oude woningen dezelfde kleur als de omgeving. Het is hier en daar oppassen omdat delen van de weg zijn ingestort. Na onze rit door de Todrakloof (we moeten eerder dan gepland rechtsomkeert maken omdat de weg is opgebroken en onze Clio geen terreinauto is), lunchen we op het terras van een restaurant in Tinerhir. Ook hier zijn we de enige die eten, maar de tajine die we hier krijgen is wel de lekkerste tot nu toe. Terug in het hotel kruip ik met antigrippine in bed. Vandaag wordt het niks meer met mij.

Dinsdag 29 september 2009

Ook vandaag draai ik op antigrippine. We verlaten Tinerhir om via de Vallée des Dadès en een stukje Gorge du Dadès naar Ouarzazate te rijden. In de omgeving van de rivier de Dadès liggen kleine berberdorpjes tussen de bergen, waar vrouwen met grote balen maïs of hooi op hun rug zeulen. Af en toe komt er een berg maïs met pootjes voorbij. Daaronder zit dan een ezel, die zo vol beladen is dat alleen z’n neus en poten nog uit de berg steken. Zo halen ze hier ook het maximale uit vrachtwagens: drie keer het maximaal toegestane laadgewicht is geen uitzondering… Anders dan in het noorden van Marokko, waar je vooral mannen en kinderen op straat zag rondhangen, zie je hier ook veel vrouwen op straat, vooral sjouwend met dingen op hoofd of rug.

Na de Vallée des Dadès volgt weer een stuk droog, kaal landschap. Hier een daar lopen wat schapen of kamelen. In Skoura stoppen we om wat te lunchen. We hebben weinig verwachtingen als we bij een lokaal tentje langs de weg gaan zitten, maar het eten is prima: gemengde salade, kruidig gegrild vlees, brood, druiven, meloen, en dat alles voor 70 dirham (zes euro) per persoon. Eind van de middag komen we aan in Ouarzazate, ooit een post van het Franse vreemdelingenlegioen en nu een bekende stop voor toeristen op doorreis. Bij het zwembad van hotel Palmeraie probeer ik wat te slapen, wat niet lukt. Dan maar het hoofdstuk over Marrakesh in de reisgids lezen.

Woensdag 30 september 2009

Nadat we het vrijwel lege Palmeraie hotel in Ouarzazate hebben verlaten, nemen we de N8 richting Marrakesh. De weg voert dwars door de ‘Haut Atlas’, maar anders dan vijf dagen geleden, toen we de bergen van noord naar zuid doorreden, is het vandaag wel mooi weer en kunnen we rustig van het uitzicht genieten. Via de kronkelige bergweg passeren we de Tiz-n-Tichka pas, de enige bergpas in dit deel van de Atlas. De bochtige weg dwingt ons om rustig te rijden, al denken sommige taxichauffeurs dat de route een soort racecircuit is. Na verloop van tijd gaan de bergen over in heuvels en wordt de weg rechter. We rijden nu vrijwel recht op Marrakesh af. We rijden om de muren van de oude stad heen en meteen wordt duidelijk dat we, na vijf dagen in het zuiden te zijn geweest, terug zijn in een grote stad. Het verkeer is druk, auto’s, brommers, fietsers en paard-en-wagens rijden door elkaar heen en iedereen lijkt haast te hebben.

Ons hotel staat in de wijk Gueliz, de ‘nouvelle ville’ van Marrakesh, die in de vorige eeuw door de Fransen is gebouwd. Net als Casablanca doet de stad daarom Frans aan, de brede boulevards doen niet onder voor Parijs. De brede Mohammed V Boulevard zit vol met winkels, restaurants en terrasjes – wat een contrast met het zuiden. We tanken de huurauto af (deze wordt eind van de middag bij het hotel opgehaald) en checken in bij het Moroccan House, een klein stadshotel in de stijl van een traditionele riad en daarom erg sfeervol.

Donderdag 1 oktober 2009

Met een ‘petit taxi’ rijden we naar de oude stad. We laten ons afzetten bij de Saadische tomben, één van de toeristische attracties van Marrakesh. Bij de graftomben van de Saadische sultans is het druk met toeristen. Via de Bab er Rob en de Bab Agnou, twee van de acht stadspoorten in de 16 kilometer lange stadsmuur van Marrakesh, lopen we verder. Marrakesh is een geliefde plaats voor filmopnamen en inderdaad is vlakbij de Kasbah moskee een filmploeg aan het werk. De minaret van de Koutoubia moskee steekt overal bovenuit en daardoor het belangrijkste oriëntatiepunt in de stad. Naast de moskee, aan de Place de Foucault, gaan we op een terras zitten om wat te drinken. Voor ons rijdt al het verkeer door elkaar heen: auto’s, bussen, taxi’s, brommers, koetsjes, paard-en-wagens, handkarren en fietsers.

Vervolgens lopen we naar de Jemaa el Fna, het centrale plein van Marrakesh. Het is er nog niet zo druk, maar vanaf het eind van de middag stroomt dit plein vol met mensen en vindt je er muzikanten, slangenbezweerders en verkopers van sinaasappels en andere etenswaren. Het geluid van de fluiten van de slangenbezweerders klinkt nu ook al over het enorm grote plein. Ten noorden van Jemaa el Fna liggen de souks, de nauwe winkelstraatjes, waar je allerhande spullen kan kopen. In de overdekte Souk Smarine vind je alles van babouches tot zijden sjaals, van leren tassen tot waterpijpen, van specerijen tot koperen borden en van toeristische t-shirts tot glazen theesetjes. Ook hier is het lastig je weg te vinden, al is het niet zo erg als in Fes. We dwalen wat rond en na een tijdje zijn we terug waar we zijn begonnen: Jemaa el Fna.

Bij restaurant Argane gaan we zitten om te lunchen. Vanaf het terras op de eerste verdieping heb je een leuk uitzicht over het plein. Eind van de middag zijn we terug in het hotel. Onze reis zit er bijna op. Morgen ochtend héél vroeg (vier uur) worden we naar de luchthaven van Marrakesh gebracht om met een overstap in Casablanca terug te vliegen naar Nederland. Tijd om de balans op te maken na twee weken Marokko.

Marokko is een land met meerder gezichten en een land van tegenstellingen. Het verschil tussen het noorden en het zuiden, de mengeling van de Arabische cultuur en de Berbercultuur, de westerse invloeden versus het traditionele, het contrast tussen de (konings)steden en het (arme) platteland. Een islamitisch land als Marokko is een aparte reisbestemming en brengt je in een andere wereld. Eén die in sommige opzichten ver van de westerse wereld afstaat, vooral wat betreft de levensstandaard, de nadrukkelijke aanwezigheid van de islam en de positie van de vrouw. Een reisbestemming die ook enkele mindere kanten heeft. Zo kan je je als toerist nergens vertonen zonder voortdurend en vrij opdringerig aangesproken te worden. Na een vriendelijk “Bonjour, ça va?” blijkt al snel dat je als een wandelende portemonnee wordt gezien. Iedereen wil aan je verdienen en dat is af en toe knap vervelend. Ook is Marokko op z’n zachtst gezegd niet een heel schoon land: er ligt overal veel zwerfvuil en de hoeveelheid vliegen bij marktkraampjes (maar ook als je zelf ergens buiten zit te eten) zijn een indicatie dat hygiëne hier niet de hoogste prioriteit heeft. Maar wie een islamitisch land wil bezoeken en geïnteresseerd is in de Arabische en Berbercultuur, is Marokko de moeite waard en een toegankelijke reisbestemming. Wij hebben in ieder geval veel indrukken opgedaan en zijn een ervaring rijker.