18 januari – 5 februari 2010

Maandag 18 januari & dinsdag 19 januari 2010

Het is een koude, mistige ochtend in januari als ik thuis de deur achter me dicht trek en naar de bushalte loop. Ik ga een kleine drie weken rondreizen in de socialistische republiek Vietnam (door de Vietnamezen overigens geschreven als Viet Nam, los van elkaar). Ik vlieg met Cathay Pacific via Hong Kong. Rond één uur ’s middags vertrek ik vanaf Schiphol. De vlucht duurt ongeveer elf uur en door het tijdsverschil van acht uur is het dinsdagmorgen zeven uur als ik in Hong Kong aankom. Daar heb ik een stopover van een kleine tien uur voordat m’n vlucht naar Hanoi vertrekt, precies genoeg om een dag in deze wereldstad door te brengen. Een soort bonus bij m’n Vietnam-reis J. (Van m’n dagje Hong Kong heb ik een apart reisverslag gemaakt.)

M’n vlucht naar Hanoi vertrekt om zes uur ’s avonds en duurt een klein uurtje. Op de luchthaven van Hanoi staat een Vietnamees met een vel papier met mijn naam erop. Ik ga er maar vanuit dat hij het juiste mannetje is en loop met hem mee. In een half uurtje rijden we naar Hanoi. Zoals te verwachten viel, rijdt alles en iedereen hier al toeterend door elkaar. Het huis annex pension van Cees Verburg, bij wie ik de reis heb geboekt, ligt in een klein zijstraatje van een zijstraat van de hoofdweg. Aan de keukentafel legt Cees me de gang van zaken voor de komende dagen uit. De eerste twee dagen ben ik in Hanoi, dus dat is makkelijk. Ik heb een computer op de kamer, dus ik kan meteen het thuisfront even mailen dat ik goed ben aangekomen. Het nachtje zonder slaap begint inmiddels wel z’n tol te eisen. Elf uur gevlogen, een nacht slapen overgeslagen en een hele dag in Hong Kong rondgelopen, van vakantie rust je uit, toch? J Ik duik dus vroeg m’n bed in. Even bijslapen.

Woensdag 20 januari 2010

Ik heb goed geslapen en word om acht uur wakker. Beneden staat een eenvoudig, maar prima ontbijt voor me klaar. Na het ontbijt neem ik eerst even de tijd om in de Lonely Planet het hoofdstuk over Hanoi te lezen. Rond half tien loop ik naar buiten. Het pension zit ongeveer 3 kilometer van het centrum in een buitenwijk van de stad. Cees heeft me uitgelegd hoe ik moet lopen: een klein stukje langs de drukke weg, bij de autodealer een steegje door, linksaf, de straat uitlopen en dan naar rechts. Dit is de Thanh Nien straat, die langs het Ho Thay oftewel West Lake loopt. Halverwege de Thanh Nien straat staat de Tran Quoc pagode, één van de oudste pagodes in Vietnam. De oorspronkelijke pagode werd hier in 1639 gebouwd, het huidige exemplaar stamt uit 1842. Even voorbij het meer, aan een druk kruispunt, staat de kleine, ommuurde Quan Thanh tempel. Misschien goed om even uit te leggen: een pagode is een plek waar gelovige Vietnamezen naartoe gaan om offers te brengen of te bidden tot een bepaalde god. Tempels daarentegen dienen ter verering van bepaalde personen, zoals Confucius of een belangrijke krijgsheer.

Het eerste dat opvalt als je hier op straat loopt is het voortdurende getoeter van auto’s, brommers en scooters. Echt constant. Blijkbaar vindt iedereen het hier nodig om elkaar voortdurend te waarschuwen dat ze er aankomen. In het drukke verkeer waarschijnlijk geen overbodige luxe. Het tweede dat opvalt, is de enorme hoeveelheid brommers en scooters. Anders dan auto’s is een brommer of scooter voor veel Vietnamezen betaalbaar en in de stad bovendien een ideaal vervoermiddel. Die hoeveelheid brommers en scooters maakt wel dat oversteken wel enige moed vraagt. Wij Nederlanders zijn gewend te wachten tot een geschikt moment om over te steken, lees: als er geen verkeer aankomt. Wel zo veilig. Maar hier in Vietnam wachten totdat er even geen verkeer aankomt, is ondoenlijk, dan sta je er morgenochtend nog. Je leven wagen door heel hard de straat over te rennen, is ook niet verstandig. De kans dat je je reis dan kan navertellen is niet overdreven groot. Oversteken doe je hier door gewoon tussen het verkeer door langzaam van de ene naar de andere kant te lopen terwijl de brommers, scooters (en fietsen en cyclo’s en wat er hier verder allemaal rondrijdt) voor en achter je langs schieten. De eerste keer heb je het gevoel dat je je leven op een onverantwoorde manier aan het riskeren bent, maar 99 van de 100 keer gaat het goed. Zolang je maar niet te snel gaat en geen onverwachte bewegingen maakt.

Het Ba Dinh plein is een groot, leeg plein, deels asfalt en deels grasveld, met aan de westkant een imposant, antraciet marmeren gebouw. Dit is het mausoleum van Ho Chi Minh, de grondlegger van de Vietnamese socialistische partij en voormalig president. Voor het mausoleum staan twee in smetteloos witte uniformen geklede wachten. Achter het mausoleum bevindt zich de One Pillar Pagode, een kleine houten Pagode op een betonnen zuil in een vijver. De vorm van de pagode is bedoeld als lotusbloem (symbool voor puurheid en goedheid) die uitreist boven de ‘zee van zorgen’ (de vijver). De oorspronkelijke pagode werd gebouwd in 1049, maar voordat de Fransen Vietnam verlieten, vernietigden ze de oude pagode. In 1954 is deze herbouwd.

Het is maar een paar straten verder voordat ik bij de Tempel of Literature kom. In 1070 stichtte keizer Ly Thanh Tong hier de eerste Vietnamese universiteit, opgedragen aan Confucius. Via een indrukwekkende poort kom je bij vijf paviljoenen met tuinen. In het tweede paviljoen is een grote vierkante vijver met aan weerszijden zuilengalerijen met monumenten voor 82 ‘buitengewone geleerden’ van de universiteit. Het laatste paviljoen is de entree van de tempel zelf. Hier bevindt zich een groot beeld van Confucius, geflankeerd door vier dienaren.

Het is inmiddels lunchtijd, dus na de Temple of Literature zoek ik een eettentje op. Na de lunch is het even zoeken naar de Hoa Lo gevangenis. Deze gevangenis, waarvan slechts een klein deel bewaard is gebleven, is vooral bekend als het ‘Hanoi Hilton’, de bijnaam die Amerikaanse krijgsgevangenen de gevangenis gaven tijdens de Vietnamoorlog (die hier in Vietnam de ‘Amerikaanse oorlog’ word genoemd). Hier in Hoa Lo zat toen onder andere John McCain gevangen, de latere senator en presidentskandidaat in 2008. De gevangenis is nu ingericht als museum. Maar het verhaal dat de Vietnamezen in de gevangenis vertellen, is (behalve in het laatste deel) niet dat van de Amerikaanse krijgsgevangenen. Het museum gaat erover dat de Fransen Hoa Lo in 1896 bouwden om Vietnamezen gevangen te houden die zich verzetten tegen de koloniale heersers. De commentaren in het museum zijn niet geheel onbevooroordeeld: over de Franse onderdrukking, de martelpraktijken en de moedige Vietnamese gevangenen. De Vietnamoorlog wordt hier omschreven als ‘de sabotageoorlog van de Verenigde Staten tegen het noorden’.

Vanaf Hoa Lo loop ik door de drukke straten in de richting van het oude centrum, het Old Quarter. Ik heb morgen nog de hele dag om hier rond te kijken, maar ik ben op weg naar het Hoan Kien meer, een groot uitgevallen vijver midden in de stad. Ook hier is het een drukte van belang. Veel toeristen ook. In het meer ligt een eilandje met een rode boogbrug er naartoe. Op het eilandje staat de Ngoc Son tempel. Het is de meest bezochte tempel van Hanoi, maar persoonlijk vind ik de Tempel of Literature mooier.

Het is inmiddels eind van de middag. Bij het Hoan Kien meer zit, naast héél vele winkeltjes, ook het waterpoppentheater. Deze traditionele theatervorm komt uit Noord-Vietnam en speciaal voor toeristen worden nog dagelijks voorstellingen gehouden. Ik haal vast een kaartje voor de voorstelling van acht uur en ga op zoek naar een plek om wat te eten. In café Lucky eet ik een hele berg noodles met kip en groenten. Om acht uur ben ik terug bij het waterpoppentheater. De voorstelling duurt anderhalf uur en is best vermakelijk. Een soort marionetten bewegen zich door het water, begeleid door live muziek en zang. De historische verhalen zijn voor buitenlanders niet echt begrijpelijk, maar het is wel grappig om te zien.

Na de voorstelling neme ik een taxi terug naar het pension. Ik was al gewaarschuwd dat sommige taxichauffeurs buitenlandse bezoekers proberen af te zetten. Deze probeert me 700.000 dong te laten betalen, wat toch echt een nulletje teveel is. Ik protesteer en maak duidelijk dat 50.000 dong voor dit ritje toch echt genoeg is. De taxichauffeur is not amused, maar hij zal het ermee moeten doen.

Donderdag 21 januari 2010

Als ik wakker word, regent het en flink ook. En dat zal het de hele ochtend blijven doen. Ik heb geen zin om nat te regenen en breng de ochtend door met het lezen in m’n reisgids. Aan het eind van de ochtend pak ik m’n spullen in. Als ik beneden kom, gaat Cees net met z’n gezin aan tafel. Ik word uitgenodigd om mee te eten, wat ik niet afsla. De Phó (noodlesoep) smaakt prima. Het familieleven is belangrijk hier in Vietnam, vooral het gezamenlijk eten. De familiebanden zijn sterk, ook met verdere familieleden. Vietnamezen kennen ook niet zoiets als het westerse idee van privacy. Iedereen loopt gewoon bij elkaar naar binnen.

Vietnam kent een lange geschiedenis van buitenlandse overheersing. Door de Camodjanen, door de Chinezen en in de vorige eeuw door de Fransen en de Amerikanen. Die laatsten waren voor de Vietnamezen dus ‘slechts’ de laatsten in een lange rij overheersers. Voor de Vietnamezen was het dan ook een kwestie van tijd totdat ook deze overheersers verslagen zouden worden. Hoewel de oorlog iets van het verleden is en vandaag de dag niet echt een rol meer speelt, blijven er in Vietnam wel verschillen bestaan tussen het noorden en het zuiden. Het noorden kent een lange geschiedenis onder communistisch bestuur, terwijl het zuiden lange tijd onder westers koloniaal bestuur heeft gestaan. Maar dat is vooral iets van de oudere generaties. De jongeren groeien op in een verenigd Vietnam, in een tijd van mobieltjes en internet. Vandaag de dag is Vietnam een wat vreemde mix van een socialistische eenpartijstaat, zonder vrije media, maar wel met een vrije markteconomie. Handelsgeest zit de Vietnamezen in de genen. Dankzij die handelsgeest bloeit Vietnam de laatste jaren op. Het is inmiddels de tweede rijstexporteur ter wereld (na Thailand) en het toerisme is in opkomst.

Na de lunch is de regen overgegaan in zacht gemiezer. Ik waag het erop en houd bij de doorgaande weg een taxi aan om me naar het Old Quarter te brengen. Deze keer kost de taxirit me slechts 35.000 dong (omgerekend 1,40 euro). Ik laat me afzetten bij het Hoan Kien meer en loop het oude gedeelte van de stad in. Welke straat je ook inloopt, overal zitten kleine winkeltjes, vaak niet breder dat een rolluik of dubbele deur, want de gebouwen zijn hier smal. Dit is het gevolg van het feit dat je vroeger belasting betaalde naar rato van de breedte van de voorgevel. Ook hier hebben ze de gewoonte om dezelfde winkeltjes in één straat te stoppen: dus een hele straat met alleen maar schoenwinkels, een straat waar alleen maar kruiden en specerijen worden verkocht enzovoort. Verder kom ik langs een straatje met een traditionele markt. Hier kopen de locals hun groenten, vis en bloemen. Verser dan hier krijg je de vis niet: de baars, garnalen en kreeften zwemmen nog levend in ondiepe bakken rond. Vandaar de term ‘wet market’.

Het is inmiddels weer wat harder gaan regenen, maar daar weten ze hier wel raad mee: verkoopsters bieden paraplu’s en poncho’s aan. Natuurlijk geeft de regen alles een wat troosteloze blik en al die mensen in poncho’s oogt wat maf, maar verder is het leuk om hier rond te lopen. En ondanks dat het nat is, is het wel een aangename 23 graden. Nadat ik bij de Bac Ma tempel ben geweest (een klein tempeltje waar het nogal een rommeltje is), loop ik naar de Ma May straat. In restaurant 69 neem ik plaats in de semi-open erker. Ik bestel iets dat er lekker uitziet en dat blijkt een goede keuze: vleesrolletjes met lemongrass, noodles, taugé en kruiden moet je op een velletje rijstpapier doen, oprollen en dan eten. Het vraagt wat geduld, maar het smaakt heerlijk. En terwijl het buiten onophoudelijk blijft regenen, zit ik hier lekker droog.

Nadat ik de taxi terug heb genomen, heb ik nog wat tijd over. Om kwart voor acht zal ik naar het treinstation worden gebracht om de nachttrein naar Lao Cai te nemen. Ik word wederom uitgenodigd om mee te eten met het gezin en een Nederlands echtpaar dat ook hier op reis is. Tegen acht uur staat de taxi klaar en een klein kwartiertje later loop ik het station van Hanoi binnen. Ik heb een voucher meegekregen dat ik moet omwisselen voor een treinkaartje, ik heb alleen geen idee waar ik moet zijn. Binnen no time heeft een mannetje me in de gaten en vraagt me even te wachten. Twee minuten later komt hij terug met mijn treinkaartje en brengt hij me naar de al gereed staande trein. Ik heb bed nummer 8 in kamer 2 van wagon 4 toegewezen gekregen. Dit is in een vierpersoons couchette die ik deel met een Australisch moeder en haar twee volwassen dochters. Gezellige reisgenoten met wie ik een tijdje zit te kletsen voordat we ons klaarmaken voor de nacht. De trein is dan al een uurtje vertrokken en enigszins schuddend rijden we richting het uiterste noorden van Vietnam. Best een avontuur, zo in je eentje in een onbekend land met onbekende mensen in een nachttrein op weg naar een onbekende bestemming. Maar tot nu toe gaat alles goed J.

Vrijdag 22 januari 2010

Ik slaap redelijk in de trein, al word ik in de loop van de nacht wel een paar keer wakker. We worden al heel vroeg gewekt door een stem in de gang die vrolijk roept: “Good morning, coffee!” Even na half zes komen we aan op het station van Lao Cai, maar een paar kilometer van de grens met China. De meeste mensen in de trein zijn toeristen op weg naar Sapa en buiten het station staat een hele groep Vietnamezen hen op te wachten. Ook iemand met mijn naam op een vel papier. Met een stuk of tien anderen word ik per minibus naar Sapa gebracht. Het is nog donker, maar uit alle haarspeldbochten blijkt overduidelijk dat we in de bergen zitten. Een uurtje later zijn we in Sapa. Vrouwen van de Black H’mong, één van de lokale bergvolken, komen meteen op ons afgerend om spulletjes te verkopen. M’n kamer in het Pumpkin hotel is al beschikbaar, dus ik kan eerst gaan douchen en ontbijten.

Ik doe vanochtend rustig aan en ga eerst een tijdje op bed liggen lezen. Buiten miezert het en Sapa is gehuld in een dichte mist. Door de ligging tussen de bergen is het in Sapa zelden helemaal helder, maar vandaag is het wel erg somber. Om een uur of tien loop ik het dorp in om bij de toeristeninformatie een plattegrond van Sapa en omgeving te halen. Nadat ik die heb bestudeerd, besluit ik hier twee dingen te gaan doen: vandaag op eigen gelegenheid lopend naar Cat Cat (ongeveer drie kilometer van Sapa) en voor morgen boek ik een tour naar de dorpen Má Cha (waar Black H’mong wonen) en Ta Phin (een Red Dzao-dorp).

Bij een lunchroom haal ik broodjes voor onderweg (Sapa is van alle toeristische gemakken voorzien) en wandel het dorp uit. Cat Cat is niet ver, maar de weg loopt vrij stijl naar beneden het dal in (straks dus ook weer terug omhoog…). Je loopt hier tussen de rijstterrassen door die overal tegen de bergen zijn aangelegd. Als de rijst volop groeit en het een heldere dag is, levert dit ongelooflijk mooie plaatjes op. Zo mooi is het vandaag niet (bovendien is het hier in het noorden nu geen rijstseizoen, in het zuiden wel, zal later blijken), maar de mist die boven de rijstvelden om de bergen hangt geeft het geheel een wat mystieke sfeer. Sapa is vergeven van de toeristen, maar hier loop ik vrijwel alleen. Wat houten huisjes, een enkel verkoopkraampje en wat Black H’mongkinderen is het enige dat ik verder tegenkom. En de Cat Cat waterval natuurlijk, waar je helemaal beneden in het dal langs komt.

De Black H’mong, een bergvolk dat oorspronkelijk uit China komt, zijn ontzettend arm en hebben weinig toekomstperspectief. Maar het is een slim handelsvolkje: je komt de Black H’mongvrouwen overal tegen en Cat Cat is voor iedere toerist duidelijk op de kaart gezet. Het is een heerlijke rustgevende wandeling (ondanks dat het af en toe knap glibberige pad omhoog en omlaag gaat). Na ruim een uur stop ik even om uit te rusten en te eten. Na nog een uur flink doorklimmen ben ik terug in Sapa. Het is inmiddels weer gaan regenen en in m’n hotelkamer hang ik m’n kleren te drogen. Maar het is hier zo koud en vochtig dat niets droogt. De rest van de middag relax ik en aan het begin van de avond zoek ik één van de vele restaurantjes op om te eten. De rest van de avond lig ik met een boek op bed.

Zaterdag 23 januari 2010

Ik sta vandaag vroeg op en pak m’n spullen in. Er is vanochtend geen elektriciteit. M’n grote rugzak laat ik achter in het hotel, die hoef ik niet de hele dag mee te sjouwen. Ik neme zo min mogelijk mee voor de tour van vandaag. Als ik Sapa inloop om te ontbijten, is het gelukkig droog, maar nog wel mistig. In de hoofdstraat en op het plein bij de kerk lopen de Black H’mongvrouwen alweer rond. De vrouwen komen iedere dag vanuit hun dorpjes in de bergen naar Sapa gelopen om hun spulletjes aan de toeristen te slijten. M’n gids voor vandaag heet Guen, een vriendelijke jongen die me vandaag de weg zal wijzen. Met een oude legerjeep (een door het Vietnamese leger afgedankt exemplaar van Russische makelij) worden we een eindje buiten Sapa gebracht. Vanaf daar gaan we lopen. Een oneffen pad loopt kilometers lang tussen de rijstterrassen door. Op een heldere dag zie je hier oneindige rijstvelden met de bergen op de achtergrond. Vandaag zijn het alleen rijstterrassen in de mist. Maar ook Guen vertelt dat het zo 300 dagen per jaar is. Je moet dus geluk hebben wil je een heldere dag treffen.

Het is een heel rustige wandeling, slechts heel af en toe komen we andere toeristen tegen. Een Black H’mongvrouw die we aan het begin van de tocht tegenkomen, wil graag wat aan me verkopen. Zo graag zelfs dat ze het hele eind met ons zal meelopen. Na ruim twee uur lopen zijn we bij Ta Phin en lunchen we bij een Red Dzao-gezin thuis. In Ta Phin lopen veel vrouwen in traditionele kleding rond. Ze zijn herkenbaar aan de opvallende rode hoofddoeken (de Black H’mong dragen zwarte hoofddeksels) en hun versierde kleding. Sommige zitten voor een winkeltje met lokale spulletjes, anderen zitten borduurwerkjes te maken. Maar de meeste belagen toeristen zodra die ze die in beeld krijgen. Nadat we nog een stukje verder zijn gelopen, naar een in 1945 afgebrand Frans klooster, worden we weer met de legerjeep opgehaald en naar Sapa teruggebracht. De wandeling heeft in totaal zo’n vijf uur geduurd. Ik bedank Guen voor de mooie tocht en de gezelligheid en om vijf uur word ik met de minibus opgehaald voor de rit terug naar het treinstation van Lao Cai. Daar heb ik nog even de gelegenheid om wat te eten, na de lange wandeling van vandaag lust ik wel wat.

Even na acht uur lig ik op m’n bedje in de nachttrein die me zal terugbrengen naar Hanoi. Ik moet zeggen: het is een heel efficiënte manier van reizen. Je legt grote afstanden af terwijl je slaapt en ‘verliest’ zo geen tijd. Met je medepassagiers moet je een beetje geluk hebben, maar dat heb ik tot nu toe (op de terugreis weer Australiërs).

Zondag 24 januari 2010

Tegen vijf uur klinkt er muziek in de trein, het teken dat we bijna bij het station in Hanoi zijn. Het is nog wel heel vroeg als ik met m’n spullen en nog wat duf over de sporen naar het stationsgebouw loop. Voor het station krioelt het van de taxi’s. Eén van hen brengt me op dit vroege uur naar het pension van Cees. Eerst maar even douchen en schone kleren aan.  M’n ontbijt moet snel naar binnen, want om half acht staat m’n taxi alweer klaar. Ik word afgezet bij een kantoortje van Pumpkin, dat m’n tour naar Halong Bay organiseert. Het kantoortje is nog dicht en heel even flitst de gedachte door m’n hoofd dat ik op de verkeerde plek ben en dat de bus zometeen elders in de stad vertrekt, zonder mij. Niet nodig, even na acht uur gaat het kantoortje open en vertelt een mevrouw me dat de bus naar Halong Bay om kwart over acht vertrekt. Er verschijnen nog wat andere reizigers en even later zit ik met een aantal Fransen, Zweden, Colombianen, Spanjaarden, Australiërs en een Belg in een bus naar Halong Bay. De rit duurt 3,5 uur, niet dat het zo ver is, maar het verkeer is gewoon traag. Gelukkig heb ik m’n mp3-speler bij me.

Halverwege stoppen we even voor een sanitaire stop. De lunch duurt nog wel even en ik heb niet zoveel ontbeten, dus ik bestel spring rolls (een soort nasirolletjes in een krokant korstje, in Vietnam een populaire snack). In de haven van Halong City is het een enorme drukte. Een boottocht door Halong Bay is een erg populaire excursie. Er liggen enkele tientallen boten klaar en er lopen letterlijk honderden toeristen. De boten zijn gemaakt naar het ontwerp van klassieke Chinese plezierboten. Desgewenst kunnen ze hun zeilen hijsen, die de vorm van een kwart cirkel hebben. Ik ben verrast als we aan boord gaan: een ruime eetzaal, uitstekende kamers met een tweepersoonsbed en een eigen badkamer en een groot bovendek waar je van het uitzicht kan genieten. Eerst krijgen we een heerlijke lunch geserveerd met onder andere garnalen, verse vis, groenten en spring rolls. Na de lunch begeeft iedereen zich naar het bovendek, want we varen inmiddels tussen de hoog boven het water uitstekende rotsen die zo kenmerkend zijn voor Halong Bay. Het is bewolkt maar dat mag de pret niet drukken: dit is een prachtige omgeving.

De rotsen steken veelal loodrecht uit het water, tientallen meters hoog, de wat verder weg gelegen rotsen in diverse grijstinten door de nevel. Het levert mooie plaatjes op. Ik neme de tijd om rustig van de omgeving te genieten. Hier merk je niet veel meer van de drukte, de andere boten zijn ver weg. Na een uurtje varen komen we bij een grot, die we (wel weer met veel anderen) bezoeken. Nou heb ik wel vaker een grot van binnen gezien, maar deze is echt enorm groot. We bezoeken ook nog een rotseilandje, Dao Titop (Dao betekent eiland), waar je naar de top van de rots kan lopen voor een fraai uitzicht over Halong Bay.

Aan het eind van de middag gaat de boot midden in de baai voor anker en ’s avonds krijgen we weer erg goed te eten. Aan tafel met de Fransen en de Belg is het heel gezellig. Na het eten raak ik in gesprek met de twee Australische meiden, anderen sluiten aan en niet veel later zitten we met z’n tienen te kaarten (een spel waarbij het niet gaat om het winnen, maar om het niet-verliezen). Ineens zijn de individuen die vanochtend in een minibus stapten en elkaar nog niet kenden, samengesmolten tot een leuke groep die samen een heel leuke avond hebben. Hoewel het meeste in het Engels gaat, gaat er af en toe ook Spaans over tafel, nadat ik eerder al (een beetje) Frans en Nederlands (met de Belg) had gesproken. De talen wisselen elkaar dus af, maar uiteindelijk begrijpt iedereen elkaar J. Na een leuke avond ga ik moe maar voldaan naar bed, of eigenlijk moet ik zeggen: m’n hut.

Maandag 25 januari 2010

Ik heb goed geslapen. Na het ontbijt varen we een stukje verder, waarna een deel van de groep teruggaat naar Halong City. Met de Spanjaarden en Colombianen stap ik over op een kleinere boot (minder luxe en minder comfortabel) die ons naar Cat Ba eiland brengt. Even later zit ik op een aftandse mountainbike en fiets ik over het groene eiland. Cat Ba bestaat grotendeels uit bergen, met daar tussenin een paar kleine rijstvelden en huizen. M’n mountainbike is z’n uiterste houdbaarheidsdatum al voorbij en piept en kraakt aan alle kanten, maar hij houdt het vol. Het is een aardig uitstapje, maar niet spectaculair. Rond lunchtijd zijn we terug op de boot. Als we verder varen, komen we langs enkele drijvende vissersdorpjes. Dat is iets heel aparts. De dorpjes bestaan uit kleine houten huisjes, gebouwd op drijvers en met elkaar verbonden door houten palen met touw. Hier wonen de lokale vissers die dagelijks met kleine bootjes uitvaren. Het ziet er kleurig uit: de huisjes zijn blauw en groen geschilderd en hebben rode daken. Sommige dorpjes zijn klein, andere bestaan uit tientallen huisjes.

Tegen drie uur komen we aan in Cat Ba City, eigenlijk meer een dorp, met een rij hotels rondom een baai. In het hotel heb ik weer even de gelegenheid om het thuisfront te mailen. Daarna zit ik een tijdje uit het raam van m’n hotelkamer over de baai uit te staren. Ik ben nu een week op reis en heb nog geen minuut zon gezien. Gelukkig zal het weer beter worden naarmate ik verder naar het zuiden reis. Vietnam heeft drie klimaatzones, dus er is geen enkele periode waarin het overal mooi weer is. Ik ga nog een uurtje op bed liggen lezen, voordat we met de uitgedunde groep aan tafel gaan. Het restaurant van het hotel is een sfeerloze eetzaal en na het eten houdt iedereen het weer voor gezien. Morgen vroeg op voor de boottocht terug naar Halong City en de busreis terug naar Hanoi.

Dinsdag 26 januari 2010

Vandaag dus de reis terug naar Hanoi. Eerst met de boot terug vanaf Cat Ba eiland. Halverwege moeten we weer van boot wisselen. Dat blijkt een reden te hebben: Cat Ba ligt in de provincie Haiphong en Halong Bay zelf hoort bij de provincie Halong en boten mogen niet in elkaars ‘territoriale wateren’ komen. De boten varen langzaam, waardoor het een lange tocht is. Onderweg dood ik de tijd met lezen en – wat hier goed kan – eindeloos over het water turen naar alle rotsformaties en kleine, onbegaanbare eilandjes. Veel van de rotsen zijn door de getijden geërodeerd, waardoor ze aan de onderkant wat naar binnen lopen en het lijkt alsof ze ‘op’ het water liggen.

Om elf uur zijn we terug in de haven van Halong City en gaan we verder met een minibus. Weer een lange rit, waarbij ik veel heb aan m’n mp3-speler. Eind van de middag zijn we terug in Hanoi. Ik ga eten in het New Day restaurant, schuin tegenover restaurant 69, waar ik van de week heb gegeten. Ik blijf me verbazen over de ontzettend lage prijzen voor eten. Gemiddeld heb je voor twee of drie euro avondeten. Na het eten keer ik terug naar het pension van Cees. In de taxi op een van de uitvalswegen van Hanoi (een drukke weg, zeker in de spits, met drie banen de stad in en drie banen de stad uit, hoewel ze hier eigenlijk geen banen hebben, iedereen rijdt gewoon daar waar ruimte is) staat midden op de weg een klein jongetje, drie turven hoog, met een houten stepje in zijn hand. Hij is halverwege met oversteken en de auto’s schoten voor en achter hem langs. Ik weet het, zo steek je hier de weg over. Maar af en toe houd je je hart vast…

Nadat ik de tickets en vouchers voor de rest van m’n reis heb gekregen, vertrek ik om elf uur met de nachttrein uit Hanoi, in de richting van Hué, dat zo’n 600 kilometer ten zuiden van de Vietnamese hoofdstad ligt. Daarmee laat ik niet alleen Hanoi achter me, maar verlaat ik ook het gebied dat vroeger Noord-Vietnam vormde. Met de trein zal ik de gedemilitariseerde zone doorrijden, de oude grens tussen Noord- en Zuid-Vietnam (het land werd in 1954 gescheiden in een door de communistische Viet Minh geregeerd noorden en een door de Fransen bestuurd zuiden). In de ‘Amerikaanse oorlog’ is hier de heftigste strijd geleverd, onder meer tijdens het Tet-offensief, de verrassingsaanval van de Viet Cong op de Amerikanen tijdens het Vietnamese nieuwjaar.

Woensdag 27 januari 2010

Ik heb de couchette vannacht gedeeld met twee zwaargebouwde Amerikaanse leraressen Engels die in China werken. Als het licht wordt, hebben we ongeveer driekwart van de reis erop zitten. Het laatste stuk zie ik vanuit de trein het een rijstveld na het andere voorbij komen. Om half elf komen we aan op het station van Hué. Diverse taxichauffeurs beginnen al te roepen zodra ze me zien. Ik ben dus in een mum van tijd bij het Hué Queen hotel. Het is hier warmer dan in het hoge noorden, een aangename 25 graden. Data ik m’n spullen naar m’n hotelkamer heb gebracht, loop ik de stad in. Hué ligt aan weerskanten van de Song Huong, wat zoveel betekent als ‘Perfume River’. Op de zuidoever bevindt zich het levendige centrum van het stadje, op de noordoever de oude, ommuurde citadel (Kinh Tanh). Deze plek werd begin 19e eeuw door de toenmalige keizer uitgekozen voor zijn zetel. De Vietnamese keizers zouden in Hué blijven zetelen totdat de Fransen het machtscentrum naar Hanoi verhuisden. De citadel heeft zwaar geleden onder de ‘Amerikaanse oorlog’. Slechts enkele van de vele gebouwen hebben de strijd overleefd. Overal vindt herbouw en restauratie plaats. In de citadel bevindt zich een citadel-binnen-de-citadel: The Emperial Enclosure. In het hart hiervan de ‘Verboden Purperen Stad’, het gedeelte dat exclusief voor het gebruik door de keizer was bestemd.

Nadat ik de hele citadel heb gezien, loop ik weer terug naar de zuidoever van de Song Huong. Ook hier weer al die brommers en scooters en het eindeloze getoeter J. In een klein steegje vind ik Café On Thu Wheels (bekend uit de Lonely Planet), een kleine ruimte waar de muren en zelfs het plafond helemaal zijn volgeschreven door bezoekers vanuit de hele wereld, waaronder Nederland. Ik bestel wat te eten en een Tiger biertje. Ben nog een beetje duf van het nachtje zo-zo slapen in de trein, dus ik ga vanavond vroeg naar bed.

Donderdag 28 januari 2010

Na het ontbijt ga ik op zoek naar een plek waar ik een fiets kan huren om de omgeving van Hué te gaan verkennen. Dat blijkt bij het hotel zelf te kunnen, voor drie euro per dag. Niet veel later rijd ik op de fiets door Hué. Nu ik zo tussen het verkeer fiets, snap ik wel waarom vele fietsers en brommeraars hier mondkapjes dragen. Ik fiets naar de noordoever van de Song Huong en rijd een stukje langs de rivier. Hier is m’n eerste stop: de Thien Mu pagode. De 21 meter hoge, achtkantige toren is gebouwd in 1844 in opdracht van de keizer. Achter de toren bevindt zich een tuin met een bescheiden tempel. Daarachter nog een tuin met een lagere pagode.

Ik fiets een stukje terug. Waar de spoorbrug over de rivier gaat, kan je ook met de fiets over een heel smal pad de rivier oversteken. Op internet heb ik een fietsroute gevonden en ik ga proberen die te volgen. Maar ik wil eerst wat eten stop bij een klein tentje langs de weg, waar wat Vietnamezen zitten te eten. Niemand spreekt hier Engels, maar ik begrijp dat ze alleen Phó (noodlesoep) hebben. Prima. Na het eten word ik al snel van de hoofdweg afgestuurd, langs de kleine huisjes van het dorpje Ho Quyen. Kinderen die ik tegenkom zwaaien enthousiast en roepen “Hello!”. Ik zwaai lachend terug. De route is goed beschreven en na een tijdje kom ik dan ook keurig bij de Tomb of Tu Duc. Dit is één van de graftomben van de keizers van de Nguyen-dynastie, die Vietnam lange tijd vanuit Hué hebben bestuurd. De tomben zijn een soort tempelcomplexen. Die van Tu Duc heeft een grote toegangspoort, met daarachter een tuin met een vijver en een houten paviljoen waar de keizer voor zijn dood vaak met zijn concubines te vinden was. Na weer een poort volgt een binnenplaats met een tempel (de Hoa Kien tempel) waar de overleden keizer wordt geëerd.

De fietsroute gaat over in een onverhard pad en een stukje gaat tussen de rijstvelden door. Ik stop hier even om foto’s te maken, wat bij de vrouwen die in het rijstveld aan het werk zijn tot hilariteit leidt. Weer enthousiast gezwaai. Op de terugweg kom ik door het dorpje Nam Giao, dat tegen Hué aan ligt. Ik maak wat foto’s van de lokale markt en fiets daarna terug Hué in. Ik kom vlakbij m’n hotel uit. Heb ruim vier uur gefietst en ben niet verdwaald J. Terug in het hotel douche ik het stof en zweet van me af. Daarna loop ik de stad weer in. Vlakbij de rivier bevinden zich diverse cafétjes en restaurantjes. Op het kleine terras van Café Why Not? Bestel ik een Tiger biertje en Banh (met groente en vlees of garnaal gevuld rijstpapier, soms gefrituurd, soms gestoomd), even relaxen na deze actieve dag. Daarna ga ik eten bij La Carambole, een soort Franse bistro, totdat je de lampions en draken aan het plafond ziet. Super eten, echt een aanrader.

Vrijdag 29 januari 2010

Ik was nog wel zo positief over dat iedereen hier steeds zo stipt op tijd is, maar vanochtend heeft de bus naar Hoi An toch een kwartiertje vertraging. In de bus kom ik het Franse echtpaar uit Halong Bay weer tegen. En een Taiwanese die in de VS is opgegroeid en nu een aantal maanden de wereld over reist om vrijwilligerswerk te doen. De busrit van Hué naar Hoi An duurt ruim vier uur. Rond het middaguur komen we in Hoi An aan. Mijn hotel, het Cua Dai hotel, ligt iets buiten het centrum, dus ik houd de eerste de beste taxi aan, die me in een paar minuten naar het hotel brengt. Wat een contrast met Sapa en Halong Bay: het is hier prachtig weer, zonnig en ruim dertig graden! Yes, eindelijk.

Ik ben tot zondag in Hoi An en heb dus ruim de tijd. Het bezichtigen van het stadje zelf bewaar ik tot morgen. Nadat ik in een tentje langs de weg eerst wat heb gegeten (de lokale specialiteit Cao Lai, dikke, vierkante noodles met vlees, groenten en croutons in een soep) huur ik bij een mannetje die aan de overkant van het hotel langs de weg staat een fiets en rijd ik naar het strand, ongeveer 3 kilometer ten oosten van mijn hotel. Even later lig ik onder een rieten parasol aan het strand en de Zuid-Chinese zee. Dit is wel even genieten.

Als ik een paar uur later naar Hoi An terug fiets, vallen me de rode vlaggen en banieren langs de weg op. Hierop staan de jaartallen 1930 en 2010 en het communistische symbool met de hamer en sikkel. Dit jaar wordt hier herdacht dat Ho Chi Minh tachtig jaar geleden de Vietnamese communistische partij oprichtte. Op andere plekken zie ik portretten van Ho Chi Minh en socialistische propagandaborden. In Vietnam is het socialisme nog springlevend.

Vanavond ga ik wat drinken en eten in het Lighthouse Restaurant. Hoi An ligt aan de Thu Bon rivier en het Lighthouse Restaurant ligt op de punt van het eiland Cam Nam in de rivier. Vanaf hier heb je een geweldig uitzicht op de oude huisjes van Hoi An en de rivier. Met een Tiger biertje en heerlijk eten geniet ik van het uitzicht, de boortjes die langs varen en de ondergaande zon. Wat een plek!

Zaterdag 30 januari 2010

Ontbijten in de tuin van het hotel, niet verkeerd. Het is weer een prachtige dag, zonnig en dertig graden. Ik stap op de fiets naar de Hoang Dien straat. Voor het bezichtigen van tempels, musea en een aantal oude huizen in Hoi An heb je een ‘Old Town Ticket’ nodig. De opbrengst wordt gebruikt voor restauratiewerkzaamheden. Hoi An is een oud stadje, veel huizen zijn gebouwd in de 18e en 19e eeuw, een enkele zelfs in de 16e eeuw. In die tijd was Hoi An een belangrijke havenstad op handelsroutes in het verre oosten. Ook hier hebben de Chinezen hun stempel gedrukt. Hoi An is bovendien de verwoestingen van de ‘Amerikaanse oorlog’ bespaard gebleven. Het centrum van het stadje staat nu op de Werelderfgoedlijst van Unesco.

Het oude gedeelte van het stadje is makkelijk te belopen en ik slenter rustig door de straatjes. In de Tran Phu straat bezoek ik drie Chinese tempels, waarvan de Quan Cong tempel de mooiste is. De tempel is in 1653 gebouwd ter ere van een hooggeachte Chinese generaal. Inwoners van Hoi An komen hier nog regelmatig offers brengen. Bijvoorbeeld in de vorm van de spiraalvormige wierook die aan het plafond hangt. Ook wordt het beeld van Quang Cong regelmatig van voedsel voorzien. Fruit, kip, zelfs een heel varken wordt geofferd.

In Hoi An bevinden zich ook enkele zalen waar de Chinese gemeenschap in vroeger tijden bijeen kwam. Iedere Chinese gemeenschap (Fujian, Cantonezen, Hainan) had z’n eigen ruimte, die overigens verdacht veel op tempels lijken. Aan het eind van de Tran Phu straat is de overdekte ‘Japanse brug’, door Japanners in 1590 gebouwd en in de jaren tachtig gerestaureerd. De brug verbond de Japanse wijk met de Chinese wijken. Al met al slenter ik de hele ochtend door Hoi An. Eten doe ik bij Mermaid, één van de oudste restaurantjes van Hoi An.

Na de lunch ga ik een eindje fietsen in de omgeving van Hoi An. Ik rijd al snel het stadje uit en zit dan meteen weer tussen de rijstvelden. In de velden zijn Vietnamezen aan het werk. Allemaal dragen ze zo’n typische, conische rieten hoed, die je ook op straat veel ziet. Een Vietnamees wil per se een foto van me maken terwijl ik (met zo’n rieten hoedje op) doe alsof ik rijst aan het planten ben. Nou, vooruit dan maar… Terug in Hoi An loop ik nog één keer naar het stadje om op het dakterras van de Cargo Club wat te eten en drinken.

Zondag 31 januari 2010

Vandaag een relaxed dagje. Uitgeslapen, ontbijtje met croissantjes en verse ananas in de tuin van het hotel en daarna in de Lonely Planet het hoofdstuk over Ho Chi Minh City gelezen. Rond lunchtijd check ik uit (het Cua Dai hotel is een aanrader) en zoek ik langs de weg een restaurantje op waar ik een kom Phó bestel. Om half drie word ik bij het hotel opgehaald en naar Danang gebracht, een half uurtje rijden ten noorden van Hoi An. Vanaf de kleine, verouderde (en toch internationale) luchthaven van Danang vlieg ik in een klein uur naar Ho Chi Minh City, in het zuiden van Vietnam. Als ik de luchthaven uitloop, is het dringen voor een taxi. Sommige taxichauffeurs proberen buitenlanders te misleiden door aan te bieden om je voor 15 USD naar de stad te brengen. Niet intrappen: zoek een taxi met een meter, als het goed is kost het ritje naar de stad ongeveer 100.000 dong (omgerekend vier euro). M’n taxichauffeur levert me keurig af bij het Le Duy hotel, een vrij nieuw hotel in het centrum van de stad en mijn uitvalsbasis om morgen de stad te gaan verkennen.

Maandag 1 februari 2010

Misschien eerst even iets ophelderen: is het nou Saigon of Ho Chi Minh City? Allebei een beetje. Tot 1975 was Saigon de hoofdstad van Zuid-Vietnam. De dag nadat het leger van Noord-Vietnam de stad had veroverd, doopte de regering in Hanoi de stad om in Ho Chi Minh City. Dat is tot op de dag van vandaag de officiële naam van de stad. De meeste inwoners van de stad spreken echter over Saigon. Dat doe ik dus vanaf nu maar ook.

Saigon is een grote, drukke stad (zeven miljoen inwoners) die veel meer dan Hanoi de sfeer van een wereldstad uitstraalt. Overal hoogbouw, grote bilboards en veel neonreclames. Moderne winkels, hippe restaurants en cafés en luxe hotels. Als ik de stad inloop, merk ik meteen hoe ontzettend warm het hier is. Het is 35 graden, er staat nauwelijks wind en de luchtvochtigheid is bijna 80%. Via de Le Loi straat kom ik in het hart van ‘District 1’, waar de meeste bezienswaardigheden zijn. Eén van de opvallendste gebouwen is het People’s Committee Building, begin 20e eeuw gebouwd. Dit is het stadhuis van Saigon. Een paar straten verderop staat, naast de kathedraal Notre Dame (die overigens niet op zijn naamgenoot in Parijs lijkt) het centrale postkantoor van Saigon. Dit prachtige, eind 19e eeuw door de Fransen gebouwde gebouw, verkeert nog grotendeels in de originele staat en doet nog altijd dienst als postkantoor.

Hierna loop ik naar het Reunification Palace. Nadat de Fransen Vietnam eind 19e eeuw hadden gekoloniseerd, bouwden ze hier een presidentieel paleis. Deze werd in 1962 door het Vietnamese leger platgebombardeerd, in een poging president Diem te vermoorden. Het huidige paleis is in de jaren zestig op dezelfde plek gebouwd. Het nieuwe gebouw, in typische jaren zestig architectuur, werd bekend als Independence Palace (wat ook nog steeds op het toegangskaartje staat), maar wordt sinds de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam Reunification Palace genoemd. Het is een fraai gebouw, waar je de ontvangstruimtes en vertrekken van de Vietnamese president kan bewonderen. Onder het paleis bevindt zich een bomvrije bunker. In de smalle, kale gangen met tl-licht verkeerde de Vietnamese president met zijn staf en de legertop in tijden van oorlog. Je hebt hier het gevoel 35 jaar terug te gaan in de tijd, naar 1975, toen het Noord-Vietnamese leger het paleis bestormde en de macht in Zuid-Vietnam overnam.

Vanmiddag bezoek ik het War Remnants Museum. Op de begane grond van dit museum hangen gruwelijke foto’s van de gevolgen van de Amerikaanse bombardementen en aanvallen met napalm. De bekende foto van de napalmaanval op My Lai hangt er, een foto waarin een Amerikaanse soldaat een uit elkaar gereten Vietnamees omhoog houdt, en een foto waarop Amerikaanse soldaten een Vietnamees onderwerpen aan ‘waterboarding’ (ook toen dus al een gebruikte methode, ook al heette het toen minder eufemistisch ‘water torture’). Op de eerste verdieping hangen foto’s van hoe de strijd in Vietnam zich ontwikkelde, van de Franse nederlaag, via een steeds verder escalerende oorlog, tot de Amerikaanse nederlaag. Het is een museum dat de oorlog toont vanuit het Vietnamese perspectief. Wellicht eenzijdig, maar niettemin een erg indrukwekkende tentoonstelling.

Na het museum loop ik nog langs de Mariamman tempel, de enige hindoetempel in Saigon, een kleine, bescheiden tempel die nog steeds in gebruik is. M’n voeten hebben zo langzamerhand wel weer genoeg gelopen. De laatste stop voor vandaag is de ‘rooftop bar’ van het Sheraton hotel. Dit is één van de hoogste gebouwen in Saigon en vanaf de 23e verdieping heb je een mooi uitzicht over de stad. Vlakbij het hotel kom ik op straat het Franse echtpaar uit Halong Bay weer tegen. Een week later, in een stad van zeven miljoen mensen aan de andere kant van het land, echt bizar.

Nadat ik terug in het Le Duy hotel even heb gedouched, ga ik eten bij Kim Café, in de wijk Pham Ngu Lao, op een steenworp afstand van het hotel. Na het eten slenter ik nog een tijdje door deze wijk. Het is er gezellig druk op straat, er zijn veel toeristen en evenveel Vietnamezen die aan de toeristen proberen te verdienen. Café Go2 heeft een terras aan een kruispunt, waar je met een biertje kan genieten van alles wat er voorbij komt.

Dinsdag 2 februari 2010

Ik laat m’n grote rugzak achter in het Le Duy hotel en meld me bij The Sinh Tourist voor een tweedaagse tour door de Mekong Delta. Dit waterrijke gebied ligt in het zuidwesten van Vietnam en hoorde lange tijd bij Cambodja. De Mekong rivier, één van de grootste rivieren ter wereld, mondt hier uit in de Zuid-Chinese zee (na vanuit Tibet door China, Myanmar, Thailand, Laos en Cambodja te zijn gestroomd). De delta is een agrarisch gebied, maar zo vruchtbaar dat het toch erg dichtbevolkt is. Hier wordt een aanzienlijk deel van de Vietnamese rijst geproduceerd. In een airconditioned touringcar met Amerikanen, Fransen, Koreanen en Japanners rijden we eerst naar Cai Be. Daar stappen we over op een boot, waarmee we een tocht over de Mekong rivier maken. Onderweg komen we langs de ‘drijvende markt’ van Cai Be. Voor de meeste mensen hier dé plek om hun dagelijkse boodschappen te doen: met een klein bootje varen ze naar de grotere boten om groenten of aardappelen te halen. Vrijwel iedereen die hier woont, is zelf visser, boer of rijstteler. De mensen wonen direct aan de rivier of één van de vele zijriviertjes die samen de delta vormen. Degenen die geen huis aan de wal kunnen betalen, wonen op hun boot.

We lunchen op het eiland Vinh Long, waar we ook te zien krijgen hoe rijstpapier wordt gemaakt (waarmee ze die heerlijke spring rolls en ‘white rose’ maken). Daarna gaan we weer per bus verder en per ferry maken we de oversteek naar het eiland Can Tho. We logeren vannacht in de gelijknamige ‘hoofdstad’ van het eiland, dat met ruim 300.000 inwoners de vijfde stad van Vietnam is. Ik breng m’n spullen naar m’n eenvoudige hotelkamer (het Hoa Phuong hotel is geen aanrader) en loop daarna meteen de stad in, richting de Can Tho rivier. Langs de kade is een fraaie wandelpromenade met palmbomen en bankjes aangelegd. In het midden staat een groot bronzen standbeeld van Ho Chi Minh.

Ik eet vanavond even buiten het toeristische gebied, bij Quan Com, een bij lokale Can Tho’ers geliefde plek. Het ‘restaurant’ is een soort door tl-lampen verlichte hal, met voorin aquaria met nog levende vis en waar geen onderscheid is tussen keuken en restaurant. Het eten is authentiek Vietnamees en heerlijk. Als ik terugloop (het is inmiddels donker) blijkt dat Can Tho niet hele veel onderdoet voor Saigon. Het is een drukte van jewelste op straat, overal fel verlichte neonreclames, een straatmarkt waar je alles kan kopen van fruit tot huishoudelijke artikelen en uit de hippe kledingwinkels klinkt harde popmuziek.

Woensdag 3 februari 2010

We vertrekken vandaag al om zeven (!) uur uit Can Tho. Na een half uurtje stappen we weer over voor een lange tocht door de Mekong Delta. Deze keer een lange, smalle, open boot (die van gisteren had een dakje). We varen eerst langs de grote drijvende markt van Cai Rang, waar ook weer allerhande groente en fruit van boot tot boot gaat. Dit levert weer leuke plaatjes op. De boottocht vervolgt via de kleine zijriviertjes, tussen de begroeiing en de kleine huisjes (soms van riet, soms van golfplaat) door. Onderweg bezoeken we een rijstverwerkingsfabriekje. Overigens wordt in de Mekong Delta niet alleen rijst verbouwd, maar ook kokosnoten, rietsuiker en fruit. Na de lunch begint de weg terug, in etappen. Een deel van de groep heeft een afwijkend reisprogramma en reist apart verder, er komen wat andere reizigers bij en daarna volgt de rit van drie uur terug naar Saigon. Omdat we zo vroeg zijn opgestaan, heb ik halverwege de middag al het gevoel dat ik er al een hele dag op heb zitten.

Terug in Saigon check ik weer in bij het Le Duy hotel en word ik herenigd met m’n bagage. Het is inmiddels avond en ik lust wel wat. Het is m’n laatste avond in Vietnam en ga eten bij het goed aangeschreven restaurant Mon Hué. Hier serveren ze specialiteiten uit Hué (dat bekend staat om z’n goede keuken) en inderdaad, het eten is om je stokjes bij op te eten.

Donderdag 4 februari 2010

Vandaag komt er een einde aan m’n reis door Vietnam. Ik heb de geheugenkaartjes van m’n camera allemaal volgeschoten en (bijna) al m’n dongs uitgegeven. Aan het begin van de middag neem ik een taxi naar Tan Son Nhat International Airport. Ik verlaat Saigon, waar het ruim dertig graden is, en vlieg (ook weer via Hong Kong) terug naar Nederland, waar het waarschijnlijk net iets boven het vriespunt is. Vrijdagochtend om kwart over zes land ik op Schiphol.

Het was een zeer geslaagde reis. De vraag die me deze reis het meest is gesteld door mannen: “Hey motorbike”? (In heel Vietnam staan op iedere straathoek mannetjes die je naar je plek van bestemming willen vervoeren.) De meest gestelde vraag door vrouwen: “Do you travel alone?”, steevast gevolgd door de vraag “Do you have a girlfriend?” (Het goede antwoord op deze twee vragen maakte me telkens subiet tot begeerde vrijgezel). Wat me het meest zal bijblijven is de hectiek op straat, het overheerlijke eten en de vriendelijke mensen. Vietnam is (als je er eenmaal bent) een goedkope bestemming, ik heb me tijdens deze reis geen moment onveilig gevoeld, ik heb veel indrukken opgedaan en alles was goed geregeld. Kortom: Vietnam is een absoluut een aanrader!