4 juni – 2 juli 2011

Zaterdag 4 juni / zondag 5 juni 2011

De komende vier weken doe ik verslag vanuit één van de grootste landen ter wereld: de Volksrepubliek China. Van de zes miljard mensen op aarde wonen er 1,3 miljard in China. Het land beslaat 9,5 miljoen vierkante kilometer, van de woestijnen aan de grens met Mongolië in het noorden en de bergen in het westen, tot het vruchtbare, groene laagland in het oosten en zuiden. China is een land dat in de mondiale krachtsverhoudingen sterk in opkomst is en de economische groei vertoont al jaren achtereen dubbele cijfers. Deze economische vooruitgang gaat gepaard met een gesloten, repressief politiek systeem en de Communistische Partij van China heeft de macht nog altijd stevig in handen. Media worden gecensureerd en de toegang tot internet wordt van staatswege beperkt. In dit land reis ik de komende vier weken rond. Er staan eigenlijk alleen maar hoogtepunten op het programma: de hoofdstad Beijing, de Grote Muur, werelderfgoed Pingyao, de voormalige hoofdstad Xi’an, Chengdu, Lijiang, Shangri-La, Dali, Ping’An, Yangshuo en ter afsluiting Shanghai. Ik reis voor het eerst sinds jaren weer eens met een groep, maar de reis biedt voldoende ruimte om er op eigen gelegenheid op uit te trekken.

M’n vlucht naar Beijing vertrekt op zaterdagmiddag, even voor drie uur. Na een overstap in Londen is het ongeveer tien uur vliegen. Omdat het in China zes uur later is, kom ik de volgende morgen (zondag) aan op Capital International Airport in Beijing. Ik heb onderweg amper geslapen, maar de vermoeidheid valt mee. In de hal van de luchthaven staat een medewerkster van de lokale reisorganisatie met een bordje met mijn naam al op me te wachten. Tijdens de transfer van de luchthaven naar de stad maak ik kennis met vijf reisgenoten uit de groep van in totaal 26 personen. Ook zij zijn vanochtend aangekomen, de rest van de groep arriveert pas vanmiddag. In een half uurtje rijden we naar het hotel, dat aan de zuidoostkant van het centrum van Beijing ligt. De agglomeratie Beijing heeft ruim negentien miljoen inwoners en ongeveer het formaat van België. De buitenwijken bestaan uit grauwe hoogbouw, waar overigens volop wordt gebouwd aan nog meer betonnen woontorens. Het hotel waarin we de komende dagen zullen verblijven is eenvoudig, maar schoon en de douche geeft warm water, wat wel fijn is na zoveel uur in een vliegtuig.

Ik heb van tevoren bedacht wat ik in Beijing allemaal wil zien. Vanmiddag wil ik de Lama tempel en de Confucius tempel bezoeken en daarna misschien nog door wat hutongs (historische straatjes) lopen. De andere vijf van het groepje ‘early arrivers’ voelt er wel voor om met me mee te gaan. Vanaf het hotel lopen we naar het dichtstbijzijnde metrostation, een wandeling van ongeveer twintig minuten. Buiten is het ruim dertig graden. Ik had een grote cultuurschok verwacht bij aankomst in China, maar dat valt mee. Hier in de grote stad vind je (zeker als ervaren reiziger) makkelijk je weg. En gelukkig zijn de meeste straatnaamborden en de informatie in de metro zowel in Chinese karakters als in westers schrift gesteld. Hierdoor is het niet moeilijk de goede metro te vinden en het juiste kaartje te kopen. Metrolijn 5 brengt ons in een kwartiertje naar het centrum, een ritje dat twee yuan kost, omgerekend twintig cent. Ik had verwacht tussen de vele Chinezen ook wel de nodige westerlingen (expats, andere toeristen) te zien, maar we staan met zes westerlingen in een verder geheel met Chinezen gevulde metro.

In de Yonghegong Dajie straat lopen we langs een rijtje winkeltjes waar wierookstokjes en dergelijke worden verkocht. De Boeddhistische Lamatempel kan dus niet ver weg zijn. En inderdaad komen we al snel bij de grote toegangspoort die (voor 20 yuan) toegang geeft tot het grote tempelcomplex. De Lamatempel is de beroemdste Boeddhistische tempel buiten Tibet. De tempel was aanvankelijk een keizerlijk paleis en is in 1744 omgedoopt tot Boeddhistische tempel. Het complex bestaat uit enkele grote binnenplaatsen met prachtig versierde tempelgebouwen en glanzende bronzen Boeddhabeelden. Er zijn veel Chinezen aanwezig die wierookstokjes branden en rituelen voor de tempels en beelden verrichten.  Na enkele paviljoenen met Boeddha’s, net als je denkt dat je alles hebt gezien, kom je bij het Wanfu paviljoen, met een 18 meter (!) hoge Boeddha. Een werkelijk immens bronzen beeld, erg indrukwekkend.

Na de Lamatempel zijn we aan eten en drinken toe. Tegenover de Confuciustempel, die vlakbij de Lamatempel staat, vinden we een vegetarisch restaurant. Niet dat we vegetariërs zijn, maar het eten is er prima. We bestellen een aantal gerechten, die we met z’n zessen delen, zoals gebruikelijk is in China (het is een typisch westerse gewoonte dat iedereen voor zichzelf bestelt). Na de lunch bezoeken we de Confuciustempel en het naastgelegen Imperial College. De bouwstijl ervan doet denken aan de Lamatempel, alleen vind je hier geen Boeddhabeelden maar beelden van de grote leermeester Confucius. Na het bezoek aan deze twee beroemde tempelcomplexen is het tijd om de metro terug te nemen. In het hotel treffen we de rest van de groep, die inmiddels ook zijn aangekomen. Van de reisbegeleider, die zich Steven laat noemen, krijgen we informatie over de reis en de excursiemogelijkheden. Ik ben niet van plan om alle excursies met de hele groep te gaan doen, maar de dagtrip naar de Grote Muur en het Zomerpaleis (overmorgen) wil ik wel mee. We eten vanavond met z’n allen in een restaurant op loopafstand van het hotel. Hier krijgen we de beroemde Pekingeend en diverse andere heerlijke gerechten voorgeschoteld.

Maandag 6 juni 2011

Even na acht uur vertrek ik met vier anderen op zoek naar een plek om te ontbijten. Vlakbij het hotel vinden we een klein eettentje, waar een aantal Chinezen zit te eten. De reisleider heeft ons gisteravond gewaarschuwd vooral niet te gaan eten in twijfelachtige restaurantjes die er niet erg schoon uit zien. Dit is er zo één, maar eigenwijs als we zijn, wagen we de gok. We worden hartelijk ontvangen in de betegelde ruimte die dienst doet als keuken en restaurant tegelijk en bestellen en bestellen de gevulde deegbolletjes die we hebben zien liggen en die er goed gaar (en dus waarschijnlijk veilig) uitzien. Ze blijken nog lekker ook. We hoeven met z’n vijven maar 8,50 yuan te betalen, inderdaad: nog geen euro. Na dit lokale ontbijt lopen we naar het busstation aan de overkant. Stadsbus 8, die naar het Tiananmen plein gaat, is snel gevonden en voor één yuan per persoon rijden we even later door Beijing. Een vriendelijke oude dame gebaart na twintig minuten dat we er zijn. Als we zijn uitgestapt, blijken we ons te bevinden aan de zuidkant van wat naar verluidt het grootste plein ter wereld is. Deze kant van het plein wordt gemarkeerd door de enorme Front Gate, ooit onderdeel van de stadsmuur, maar nu los staand temidden van het drukke verkeer en de duizenden dagjesmensen (voornamelijk Chinezen).

En ander niet te missen gebouw op het Tiananmen plein is de Chairman Mao Memorial Hall. In dit statige mausoleum ligt Mao Tse Tung opgebaard. Er staat dagelijks een lange rij voor het mausoleum. Wij hebben er geen twee uur wachten voor over om Mao te zien en lopen om het mausoleum heen richting het grote open gedeelte van het plein. Met name aan de noordkant is het Tiananmen plein een reusachtig groot en indrukwekkend plein. Links ervan staat het Great Hall of the People (1959), waar het Nationaal Volkscongres vergadert, rechts staat het Nationaal Museum en recht voor je bevindt zich de indrukwekkende Gate of Heavenly Peace. Dit is de hoofdpoort met het bekende portret van Mao, die toegang geeft tot de Verboden Stad. Dit is absoluut een indrukwekkende plek om te staan.

Het is erg druk op het Tiananmen plein en even later ook in de Verboden Stad. Ook voor veel Chinezen is dit een toeristische trekpleister. De westerse toeristen zijn veruit in de minderheid. Via een voetgangerstunnel, onder de drukke weg door die het Tiananmen plein van de Verboden Stad scheidt, komen we bij de Gate of Heavenly Peace. De poort is in de vijftiende eeuw gebouwd en is toegankelijk via zeven boogbruggen. Op 1 oktober 1949 riep Mao Tse Tung hier de Volksrepubliek China uit. Nu staan we oog in oog met zijn metershoge portret. Wie vroeger de Verboden Stad betrad, werd bestraft met de doodstraf. Nu kan je voor twintig yuan het complex bezoeken. De Verboden Stad is niet zomaar een paleis of een tempel, het is een stad op zich. Het gedeelte binnen de muren is ongeveer 900 bij 600 meter. Gedurende vijf eeuwen hebben twee keizerlijke dynastieën hier geleefd. Pas aan het begin van de twintigste eeuw heeft de keizerlijke familie de Verboden Stad verlaten.

Na de Gate of Heavenly Peace kom je eerst bij de Duan Gate. Iedere keer als je een poort doorloopt, kom je op een volgend plein met links en rechts oude gebouwen en in het midden weer een volgende poort. Alles wat je om je heen ziet is indrukwekkend en ongetwijfeld ook zo bedoeld. Na de Meridian Gate, waar vroeger alleen de keizer gebruik van mocht maken, en de Gate of Supreme Harmony, volgen grote gebouwen met namen als Hall of Preserving Harmony en Hall of Heavenly Purity. Imposante gebouwen op marmeren verhogingen. In de Hall of Supreme Harmony staat nog altijd de troon van de keizer. Andere hallen deden dienst als ontvangst- of ontspanningsruimte. De kleinere gebouwen waren de woonverblijven, bibliotheken en tempels en dat allemaal temidden van rijk aangelegde tuinen en binnenplaatsen. Prachtig om te zien. Het tweede gedeelte van de Verboden Stad, na de Heavenly Purity Gate, doet anders aan. Hier vind je kleinere gebouwen en vele smalle straatjes. Terwijl het verse laagje rode verf van de eerste serie gebouwen blinkt in het zonlicht, is dit gedeelte (nog) niet gerestaureerd. Het liefst zou je de toeristen wegdenken en vervangen door de keizer, zijn concubines en hofhouding, om een beeld te krijgen van hoe het hier geweest moet zijn.

We verlaten de Verboden Stad via de Shenwu Gate aan de noordkant. Even later lopen we langs een restaurant dat er goed uitziet en aangezien we wel trek hebben, besluiten we hier te gaan eten. Het blijkt een erg goede keuze: het restaurant blijkt gespecialiseerd in ‘hot pot’, naast Pekingeend een beroemd gerecht in Beijing. Je krijgt allemaal een soort pot op een warmhouder, gevuld met bouillon. Op de draaischijf op tafel worden vlees, vis en groenten naar keuze neergezet en die kan je zelf in je eigen ‘hot pot’ klaarmaken. Het eten is heerlijk.

Na het eten lopen we verder richting de Klokkentoren en de Trommeltoren. Dit is het centrum van wat ooit het machtige Mongoolse rijk was. In de Trommeltoren kan je via een lange steile trap naar boven, maar het uitzicht is niet heel bijzonder. We wandelen verder door de straten van Dongcheng, zoals dit gedeelte van de stad heet. Er waren hier vroeger veel ‘hutongs’, oude straatjes met traditionele huisjes. Maar er zijn er steeds minder over, nu de Chinese overheid de stad in hoog tempo aan het moderniseren is. Eén van de hutongs die in de Lonely Planet staat vermeld, blijkt in een grote bouwput te zijn veranderd. Nadat we een tijdje hebben gerelaxed op een terrasje met uitzicht op het Beihai meer, lopen we door enkele overgebleven hutongs, die echter weinig authentiek aandoen en erg op toeristen zijn gericht.

Een stukje naar het zuiden (nou ja, stukje: we lopen vandaag behoorlijke afstanden) ligt een moderne winkelstraat, de Wangfujing Danie. Een brede winkelstraat met veel bekende wereldmerken. Ook hier pakken we een terrasje. Na al dat lopen in de warmte gaat een koud biertje er wel in. Op de straatmarkt even verderop ligt van alles uitgestald waar we zelf niet echt trek van krijgen: van slang tot schorpioenen. Nadat we een tijdje hebben gezocht naar een geschikt restaurantje, belanden we in een gezellige straatje met rode lampionnetjes en een aantal restaurantjes. Bij één ervan gaan we zitten, maar de kaart blijkt hier alleen een Chinese karakters te zijn. Gelukkig hebben we van de reisleider een A4tje gekregen met een groot aantal gerechten in karakters én in het Engels. Aan de hand hiervan lukt het ons om te bestellen. Even later komt de serveerster vragen of ze het A4tje even mag lenen om andere niet-Chinese gasten te helpen. Hilarisch. Zeker als blijkt dat ze het A4tje even later heeft gekopieerd, zodat ze voortaan ook andere niet-Chinese gasten kan helpen. Na het eten nemen we de taxi terug naar het hotel.

Dinsdag 7 juni 2011

We staan vandaag vroeg op. Om half zeven vertrekken we naar Mutianyu, anderhalf uur rijden ten noorden van Beijing. Hier zullen we de Grote Muur bezoeken, één van de hoogtepunten van deze reis. Omdat ik geen tijd heb om te ontbijten, heb ik vanochtend vroeg bij een klein winkeltje vlakbij het hotel een beker instant noodles gehaald. Chinezen eten veel van deze bekers noodles (kokend water erbij en klaar) en het voldoet als ontbijt. Nadat we de stad zijn uitgereden, wordt de omgeving snel bergachtig. We moeten een stukje omrijden, omdat de weg geblokkeerd is door een berg aarde en puin, maar als we bij Mutianyu aankomen zijn we desondanks de eersten. Nadat we met een kabelbaantje naar boven zijn gebracht, staan we als enigen op het drie kilometer lange stuk muur. De oorspronkelijke muur werd ruim 2000 jaar geleden gebouwd om vijandelijke stammen uit het noorden tegen te houden. De muur verviel echter en werd tijdens de Ming dynastie herbouwd. De grotendeels gerestaureerde muur die we nu kennen als de ‘Chinese muur’ stamt grotendeels uit die tijd. Het is absoluut een fantastische ervaring om op de muur te lopen. Het is een indrukwekkend bouwwerk dat zich over de bergen slingert, met om de paar honderd meter een wachttoren. Ook heb je vanaf de muur een geweldig uitzicht. De wandeling over de muur is overigens niet een heel ontspannen bezigheid, want de muur loopt over de bergen omhoog en omlaag en het is af en toe flink klimmen. Maar het is heel bijzonder om hier te lopen.

Als we terug zijn waar we zijn begonnen, hebben we nog even tijd om wat te drinken, voordat we naar de stad terug rijden voor de lunch. Onderweg komen we langs het Olympisch Stadion uit 2008, bekend als ‘het vogelnest’. Na de lunch (in een troosteloos restaurant), bezoeken we het Zomerpaleis. Deze populaire toeristische attractie (ook voor veel Chinezen) is in de achttiende eeuw gebouwd als buitenverblijf van de keizerlijke familie. Die vertrok tijdens de bloedhete zomers uit Beijing om hier aan het water van het Kunming meer de rust en koelte op te zoeken. Het is ene groot terrein met fraai gedecoreerde gebouwen, die doen denken aan de Verboden Stad. Ook ligt hier een marmeren boot die de keizerin liet bouwen.

Als we het Zomerpaleis hebben gezien, laten we ons door twee riksja’s naar het dichtstbijzijnde metrostation brengen om vanaf daar naar de wijk Sanlitum te rijden. Daar aangekomen blijkt dat het ondertussen is gaan regenen. We wachten tot het iets minder hard regent en lopen dan de wijk door op zoek naar een restaurant om te eten. Het is even zoeken, maar uiteindelijk vinden we op de derde verdieping van een modern winkelcentrum een strak ingericht restaurant. Het eten is heerlijk, maar (voor het eerst) ook best heet. Na het eten gaan we naar een bar in een uitgaansstraat even verderop, waar we nog een biertje drinken, voordat we ons aan het eind van de avond door een taxi weer bij het hotel laten afzetten.

Woensdag 8 juni 2011

Vandaag is onze laatste dag in Beijing. Ik pak m’n spullen in, check uit en laat m’n bagage in de lobby van het hotel achter. Met een paar anderen loop ik richting het Temple of Heaven Park, niet ver van het hotel. Het is prachtig weer, maar ook erg warm. Onderweg komen we langs een westers bakkertje, waar ze allerlei broodjes verkopen. Het Temple of Heaven Park is een groot park met diverse paviljoens in Ming-stijl, aangelegd in de vijftiende eeuw. Het grootste gebouw in het park is de Hall of Prayer for Good Harvest, een 38 meter hoog rond tempelgebouw op een grote marmeren verhoging. De hal is gebouwd zonder cement, spijkers of ander bevestigingsmateriaal. Het gebouw is oorspronkelijk in 1420 gebouwd, maar in de 19e eeuw door bliksem verwoest en opnieuw opgebouwd. Erg mooi. Net als bij het Zomerpaleis heb je ook hier een aantal ‘corridors’, overdekte paden waar op de houten relingen Chinezen zitten te dammen, kaarten en dominoën en waar vrouwen zitten te breien en thee te drinken.

Op de terugweg duik ik even een internetcafé in om het thuisfront een mailtje te sturen. Voor vier yuan per uur kan je internet op, mailen gaat probleemloos, maar Facebook is geblokkeerd. Ook de rest van m’n verblijf in China zal het niet lukken om op Facebook te komen. Nadat ik bij een supermarkt wat boodschappen heb gehaald voor de treinreis vanavond, ben ik eind van de middag terug bij het hotel. Om vijf uur vertrekken we naar het treinstation, om de nachttrein naar Pingyao te nemen. De trein ziet er netjes uit. We slapen in een coupé met open compartimenten met zes bedden (drie boven elkaar). Regelmatig komt er een verkoper langs met drinken en fruit, maar je ziet vooral veel Chinezen voorbij schuifelen, die met hun theebeker of hun instant noodles op weg zijn naar het kraantje aan het eind van de coupé, waar kokendheet water uitkomt. We brengen de tijd kletsend en noodles etend door. Om tien uur gaat de verlichting in de trein uit.

Donderdag 9 juni 2011

Ik heb vannacht niet veel geslapen. De trein is toch wel lawaaiig en vlak naast ons compartiment deed de conducteur de hele nacht de deur hard open en dicht en werd er gepraat. M’n oordopjes houden wel wat geluid tegen, maar niet alles. Maar goed, we hebben het overleefd. Om zeven uur ’s ochtends komen we aan op het station van Pingyao, in de provincie Shanxi. Met vier elektrische voertuigen, een soort XL-golfkarretjes, worden we naar het hotel gereden. Het hotel ligt midden in het oude stadje en is gebouwd in de karakteristieke stijl van het oude Pingyao. Erg sfeervol. Na het ontbijt blijkt mijn kamer al gereed te zijn. Eerst maar eens douchen en omkleden dus.

Met een aantal reisgenoten loop ik naar de tien meter hoge stadsmuur van Pingyao. Sinds kort staat Pingyao op de lijst van beschermd cultureel erfgoed van Unesco. Het oude stadje stamt uit de veertiende eeuw en is niet groot, ongeveer twee bij twee kilometer. Je kan over de muur het stadje rondlopen, een leuke wandeling met uitzicht over de daken en straatjes van het oude stadje. Nadat we de muur zijn rondgelopen, lopen we nog wat oude straatjes door, waarna we een restaurantje zoeken om te lunchen. Ook hier delen we weer een aantal heerlijke gerechten. Na de lunch bezoeken we de plaatselijke Confucius tempel, waarvan de centrale Dacheng Hall uit de twaalfde eeuw stamt.

De rest van de middag brengen we buiten bij een cafétje door. Terwijl we zitten te kletsen en van ons drankje genieten, lopen er regelmatig Chinezen voorbij die foto’s van ons maken. Dat zullen we deze reis nog veel vaker meemaken. Chinezen reizen veel rond in hun eigen land en overal komen we dan ook veel meer Chinese dan westerse toeristen tegen. Een deel van deze Chinese toeristen komen van het platteland, waar ze zelden of nooit westerlingen zien. Voor hen zijn wij dus een bezienswaardigheid. Regelmatig wordt er enthousiast ‘hello!’ geroepen, stoppen mensen om foto’s van ons te maken (of we nou ergens wat zitten te drinken of dat we aan het dansen zijn) en komen mensen op je af om te vragen of ze met je op de foto mogen. Erg grappig om te merken. Dat heb ik nog niet eerder ergens meegemaakt.

Nadat we ’s avonds hebben gegeten, komt iedereen samen in de Sakura bar. Na een paar drankjes wagen de eersten zich op de dansvloer en niet veel later staat de hele dansvloer vol. We vullen met onze groep vrijwel de hele bar, die aan de straatkant open is en waar regelmatig Chinezen stoppen om te kijken of foto’s te maken. Eén van onze reisgenoten verzorgt de muziek en weet iedereen de hele avond op de dansvloer te houden. Een supergezellige avond.

Vrijdag 10 juni 2011

De rest van de groep gaat vandaag een excursie doen in de omgeving van Pingyao, ik kies voor een excursieloze dag voor mezelf. Ik slaap en uit en loop tegen tien uur Pingyao in. Ik slenter door wat straatjes, langs de stadstoren in de Nan Dajie straat. Er zitten hier veel toeristenwinkeltjes en restaurantjes. Mannen en vrouwen zitten op het stoepje voor hun huis of winkeltje, riksjarijders bieden voortdurend ritjes aan. Het is niet overal erg schoon, in sommige straten verraadt de geur het ontbreken van een riool en kinderen plassen gewoon op straat.

De huizen in Pingyao, ooit een belangrijke handelsstad, zijn in een vierkant gebouwd rond een binnenplaats. Soms geeft een openstaande poort een inkijkje op zo’n binnenplaats. Duidelijk is dat de mensen hier sober leven. Tussen de vele kleine huizen staan ook enkele grotere huizen, die voorheen van rijke koopmannen waren. Een aantal ervan kan je bezoeken. De mooie kant is de binnenkant, aan de binnenplaats. Ook de fraaie gebouwen van de voormalige Richengchang Bank en de Military Escort (die waardetransporten begeleidde) zijn de moeite waard. Het hele stadje stamt uit de tijd van de Ming- en Qing-dynastieën en je waant je overal dan ook terug in de tijd.

Na de lunch ga ik terug naar het hotel, waar ik een paar uurtjes met een boek op de binnenplaats ga zitten. Nadat we aan het begin van de avond met een groot deel van de groep hebben gegeten, vertrekken we naar het treinstation, waar om half tien de nachttrein naar Xi’an vertrekt. Deze keer geen airco in de trein (de eerste trein was overigens net zo warm), maar verder is ook deze trein ok. Omdat het licht weer om tien uur uitgaat, gaan we vrijwel meteen slapen.

Zaterdag 11 juni 2011

Als we om zeven uur op het station van Xi’an aankomen, heb ik zowaar wat beter geslapen dan in de eerste nachttrein. Ons hotel ligt tegenover het station. De kamers zijn nog niet klaar, dus we ontbijten eerst en gaan daarna douchen en omkleden. De meeste mensen in de groep gaan vandaag met een excursie mee naar onder andere het terracottaleger. Met een paar anderen ga ik echter op eigen gelegenheid. Met de openbare bus nummer 6 rijd je in een uurtje voor zeven yuan naar het terracottaleger. Dit is één van de bekendste toeristische attracties van China. Keizer Qin Shi Huang gaf opdracht om de meer dan 7.000 terracotta beelden van soldaten te maken. Zij zouden hem na zijn dood bewaken. De beelden zijn eind jaren zeventig van de vorige eeuw bij toeval door een boer ontdekt. Een deel ervan is uitgegraven en staat (inmiddels overdekt in drie grote hallen) in lange rijen opgesteld, met het gezicht dezelfde kant op. Iedere soldaat heeft van de makers eigen gelaatstrekken gekregen. Het is bijzonder om te zien, maar eerlijk gezegd vind ik het veel geroemde terracottaleger als bezienswaardigheid enigszins overschat.

Nadat we op een terras een drankje hebben gedronken en met de bus terug zijn gereden naar de stad, lunchen we in een klein eettentje (waar ik de langste noodles van deze reis eet). Overal waar je komt, is het eten spotgoedkoop. Deze lunch kost 140 yuan (nog geen anderhalve euro) en zelfs als je met een paar mensen een aantal verschillende gerechten bestelt (en dan heb je echt ruim genoeg te eten), ben je vaak maar een paar euro kwijt. Na de lunch gaan we met een stadsbus richting de Grote Wilde Gans Pagode. Deze bevindt zich op ongeveer acht kilometer buiten de stadsmuren. Dankzij een Chinees meisje vinden we de goede bus en de chauffeur geeft vriendelijk aan wanneer we er zijn. Bij de pagode, die zelf niet erg spannend is, is een groot, aflopend plein aangelegd met een grote hoeveelheid fonteinen die spuiten op de maat van klassieke muziek. Echt prachtig gemaakt.

Nadat we in het hotel even de tijd hebben genomen om te relaxen, gaan we met een paar mensen naar een restaurant vlakbij de 14e eeuwse klokkentoren (die er ’s avonds verlicht prachtig uitziet). De grote eetzaal zit stampvol Chinezen, wij zijn de enige buitenlanders. Na een paar voorgerechtjes eten we hier de lokale specialiteit: een soep met lamsvlees, noodles en brood. Na het eten lopen we door de nabijgelegen moslimwijk, waar het gezellig druk is op straat. In veel opzichten is het een ‘gewone’ Chinese wijk, maar aan het eten dat op straat wordt bereid, de vrouwen met hoofddoek en de Arabische teksten kan je zien dat je je tussen moslims bevindt. Omdat het ons niet lukt om een taxi aan te houden, wringen we ons met z’n vijven in een tuktuk die eigenlijk maar plaats heeft voor vier en niet veel later zijn we terug in ons hotel.

Zondag 12 juni 2011

Xi’an was ooit de hoofdstad van het Chinese keizerrijk en het eindpunt van de zijderoute. Nu is het de hoofdstad van de provincie Shanxi en een moderne stad met acht miljoen inwoners. Een drukke stad, waar overal wordt gebouwd. De ene woontoren na de andere wordt uit de grond gestampt. Ik slaap uit, pak m’n tas weer in en loop daarna de stad in, richting de oostpoort. De stadsmuur van Xi’an is gebouwd in 1370, veertien kilometer lang, twaalf meter hoog en negen meter breed. Aan alle vier de zijden van de muur bevinden zich imposante stadspoorten. Het is niet druk als ik over een kwart van de muur wandel (van de oostpoort naar de zuidpoort). Het is vandaag ontzettend warm en op de muur loop je in de volle zon.

Het restaurant dat ik uitkies om te lunchen, blijkt een goede keuze. Ik krijg een visschotel voorgezet waar je ook makkelijk met vier personen van zou kunnen eten. Aan het eind van de middag ben ik terug in het hotel. Een deel van de groep heeft dan al de nachttrein naar Chengdu genomen. Met de rest van de groep vertrek ik om zeven uur naar het vliegveld om met een binnenlandse vlucht naar Chengdu te vliegen. Om één uur plof ik moe in bed.

Maandag 13 juni 2011

Om half tien neem ik met een paar anderen de bus naar het centrum van Chengdu, hoofdstad van de provincie Sichuan. Als eerste bezoeken we de Wenshu tempel, Chengdu’s grootste Boeddhistische tempel (die niet eens zo heel groot is en na de eerdere tempels die we hebben gezien ook niet zo heel bijzonder). Vervolgens gaan we naar het Renmin Park (het Volkspark). In deze groene oase in de stad wordt gewandeld, muziek gemaakt, gedanst en gezongen. Allemaal in het openbaar. In het park is ook een aantal theehuizen. Bij één ervan gaan we zitten om even thee te drinken. Chengdu is in omvang de vijfde stad van China, een moderne stad met vijf miljoen inwoners. Maar er is niet zo veel bijzonders te zien. Wat opvalt is de enorme hoeveelheid winkels en winkelcentra in Chengdu. De groeiende welvaart is hier goed zichtbaar.

Aan het begin van de avond gaan we met z’n allen eten. Vervolgens gaan we met de reisleider naar een karaokebar. Dit blijkt een enorm kitscherige tent te zijn, met alleen maar goud, kroonluchters en spiegels. We hebben een eigen kamer, waar we met z’n allen karaoke kunnen doen. In Nederland doet niemand vrijwillig aan karaoke, maar in Azië is het ontzettend populair. Je ziet het mensen zelfs op straat doen. Onze reisleider bijt het spits af en daarna volgen diverse mensen van de groep. Het Chinese enthousiasme voor karaoke werkt blijkbaar aanstekelijk.

Dinsdag 14 juni 2011

Vandaag staat er maar één bezienswaardigheid op het programma: de 71 meter hoge Boeddha in Leshan. Leshan ligt op 2,5 rijden van Chengdu. Het enorme Boeddhabeeld is in de achtste eeuw uit de rotsen gehakt, een karwei dat negen jaar heeft geduurd. Naar verluidt is het het grootste Boeddhabeeld ter wereld. Met een (nogal toeristisch) bootje vaar je eerst langs het beeld (dat uitkijkt over een rivier), maar je ervaart de grootte van het beeld toch pas echt door het van dichtbij te bekijken. Daarvoor moet je wel lang in de rij staan, want Boeddha is nogal populair. In de rij trekken we als westerlingen weer veel bekijks van de Chinese toeristen. Aan de ene kant van de Boeddha ga je via een smalle trap naar beneden, je begint bij z’n hoofd en eindigt bij z’n voeten. Het is inderdaad een indrukwekkend groot beeld. De trip duurt de hele dag. ’s avonds doe ik niet veel meer: ik ga met een boek op bed liggen.

Woensdag 15 juni 2011

Vandaag ga ik met een paar reisgenoten naar het Panda Breeding Research Centre. Een taxi brengt ons in een half uurtje naar het park, dat net buiten Chengdu is gelegen. We zijn de eerste bezoekers. De panda’s zitten verspreid over een groot park. Sommige zitten op hun gemak op bamboestemgels te knagen (panda’s eten uitsluitend bamboe, dertig kilo per dag!). Jonge panda’s stoeien met elkaar op boomstronken. Ze zien er aandoenlijk en uitermate knuffelbaar uit. Er zijn ook ‘rode panda’s’ in het park. Ik wist niet dat die bestonden, ze zien er ook anders uit dan de bekende zwart-witte panda’s. Door de omvang van het park ben je al snel twee uur aan het lopen. Omdat het erg warm is en ik nog niet heb ontbeten, zijn de iced coffee en de sandwich bij de Panda Coffee Bar meer dan welkom.

Aan het eind van de ochtend zijn we terug in Chengdu. Op de terugweg valt op hoe er een dikke grijs-bruine deken over de stad ligt. Ik weet dat de luchtvervuiling in de grote steden in China ernstig is, maar hier is het wel heel zichtbaar. Met een paar anderen uit de groep lunch ik bij een klein eettentje in een zijstraatje vlakbij het hotel. Daarna lopen we een tijdje door de stad heen, totdat we langs een openluchtzwembad komen. Eén van ons kan zich niet inhouden en besluit een duik te nemen. Vanaf de andere kant van het hek kijk ik toe en zit ik gezellig een tijdje te kletsen. Op de terugweg gaan we op het terras van een restaurant zitten om thee te drinken. Nadat we de thee hebben gekregen, wordt er bestek voor het eten gebracht. Gebarend proberen we duidelijk te maken dat we alleen thee willlen drinken. De boodschap komt maar moeilijk over, blijkbaar gaan ze er vanuit dat iedereen die daar gaat zitten, wil eten). Als we even later willen afrekenen, gebaart de dame van het restaurant dat dat niet hoeft. Verrast besluiten we bij vertrek toch wat geld op tafel neer te leggen. Aan het eind van de middag vertrekken we naar het treinstation van Chengdu voor de nachttrein richting Panzhihua, vanwaar we verder zullen reizen naar Lijiang.

Donderdag 16 juni 2011

Met de nachttrein reizen went snel en het is een goede manier om grote afstanden te overbruggen zonder een hele dag kwijt te zijn. Ik heb redelijk geslapen. Om half tien komen we aan in Panzhihua, een stad die pas dertig jaar bestaat en steunt op de locale staal- en kolenindustrie. We stappen direct over in twee middelgrote bussen voor de rit naar Lijiang, in de provincie Yunnan. De reisleider erkent dat het een zware reisdag is, maar, zo citeert hij een naar eigen zeggen Chinees spreekwoord: dat hoort erbij als je mooie dingen wilt zien: “Your body goes to hell, but your soul goes to heaven”. De busrit duurt negen uur, wat niet komt door de afstand die we afleggen, maar omdat de rit dwars door de bergen gaat. Het eerste deel van de weg is slecht, maar na de lunch wordt de weg beter. De weg slingert zich langs de berghellingen omhoog en omlaag. In de dalen rijden we tussen de ristvelden door. Een mooie rit. Na ruim een etmaal reizen komen we aan in ons hotel in het hart van de oude stad van Lijiang. Na een snelle douche lopen we het oude stadje in. De wirwar van straatjes is een soort kruising tussen een openluchtmuseum en een uitgaanscentrum. Alles is gecommercialiseerd, in de oude straatjes zitten alleen maar op toeristen gerichte winkeltjes, een eindje verderop vind je restaurants, bars en disco’s. We gaan met een groot deel van de groep eten en daarna drinken we met een paar mensen nog wat op een terras.

Vrijdag 17 juni 2011

Het ergste wat mij tijdens een reis kan gebeuren (behalve zelf iets fysieks overkomen) is m’n fotocamera kwijt raken. Gisteravond is hij gestolen in het restaurant waar we waren. Ik let altijd zo goed op m’n spullen en zeker op m’n camera, maar één moment van onoplettendheid was genoeg. Ik heb nog bij het personeel van het restaurant gevraagd of zij iets hadden gezien of dat de camera er als ‘gevonden voorwerp’ is afgegeven, maar helaas. Ik baal er echt enorm van. Ik had nog geen geheugenkaartjes gewisseld, dus al m’n foto’s van Beijing, Pingyao, Xi’an en Chengdu zijn weg. In totaal tussen de 400 en 500 foto’s. Echt vreselijk. Een camera is vervangbaar, jammer van het geld, maar dat is niet belangrijk. Foto’s zijn echter onvervangbaar… Ongelooflijk dat ik alles kwijt ben… Gelukkig bieden diverse reisgenoten aan dat ik hun foto’s van het eerste deel van de reis mag overnemen.

Vanochtend heb ik getracht aangifte te doen, maar dat blijkt ingewikkeld, tijdrovend en uiteindelijk onmogelijk. Ik zou naar het plaatselijke politiebureau moeten gaan, waar een formulier ingevuld diende te worden. Met dat formulier zou ik dan de volgende dag naar een ander, regionaal politiebureau moeten gaan, waar vervolgens een ander formulier ingevuld zou worden, wat ik dan aan de verzekeringsmaatschappij zou kunnen overleggen als bewijs van aangifte. Maar omdat het morgen zaterdag is, kan de aangifte op het regionale politiebureau pas na het weekend plaats vinden. Omdat we op doorreis zijn en dit weekend weer uit Lijiang vertrekken, kan ik niet pas op maandag naar het regionale politiebureau. Desgevraagd geeft de politieagent aan dat het hele proces van de aangifte vanwege de tijd die het kost niet vanmiddag nog geregeld kan worden. Een medewerker van de toeristeninformatie (die tijdens het gesprek als tolk fungeert) bevestigt dat aangifte doen een tijdrovend proces is. Bovendien zitten we met het taalprobleem. Ik zie er uiteindelijk vanaf om aangifte te doen. Hopelijk begrijpen ze dat bij m’n verzekeringsmaatschappij.

’s Middags ga ik samen met de reisleider (die als tolk fungeert) de stad in om een nieuwe camera te kopen. In de tweede winkel waar we komen, hebben ze de camera die ik zoek (de nieuwe uitvoering van mijn oude camera) èn de lens die ik had (en die ze niet overal verkopen). Na wat onderhandelen over de prijs en de acessoires heb ik een nieuwe camera. Een must als ik op reis ben. Maar de enorme kater van het verlies van m’n foto’s gaat niet meer weg.

We eten vanavond in één van de vele restaurantjes in het oude gedeelte van Lijiang en gaan daarna naar ‘Bar street’. Een biertje drinken en dansen is een goede afleiding na deze k..dag.

Zaterdag 18 juni 2011

Ik ga er vandaag weer op uit, maar het kost me wel moeite om ervan te genieten. Buiten is het een aangename 28 graden, beter dan de 35 graden in Beijing en de 37 graden in Xi’an. Ik wandel de oude straatjes van Lijiang door. ’s Ochtends zijn er nog weinig toeristen in de oude keienstraatjes met traditionele huisjes. Het stadje is in 1997 na een zware aardbeving herbouwd en staat nu op de werelderfgoedlijst van Unesco. Nu de winkeltjes waar thee, sjaals, sieraden en andere souvenirs worden verkocht nog niet open zijn, ziet het er allemaal wat fotogenieker uit. In Lijiang en omgeving wonen de Naxi, een minderheid van Tibetaanse afkomst. In het oude stadje lopen veel vrouwen in traditionele klederdracht. Ten noorden van de oude stad bevindt zich Black Dragon Pool Park. Het uitzicht over een vijver met een marmeren boogbrug en de Jade Dragon Snow mountain is prachtig.

Op de terugweg loop ik (net buiten de oude stad) even naar een internetcafé dat me gisteren door een Chinees is aangewezen. Anders had ik het nooit gevonden: aan de zijkant van een gebouw met winkeltjes zit een trap met bovenaan een deur en daar zit het internetcafé. Na de lunch ga ik een tijdje zitten lezen. ’s Avonds gaan we weer naar dezelfde bar als gisteren. Net als de vorige keren stoppen veel Chinezen op straat als ze ons zien dansen om foto’s te maken. We blijven hier een bezienswaardigheid.

Zondag 19 juni 2011

Na twee dagen verlaten we Lijiang. Het vertrek valt me zwaar omdat er iets achterblijft wat me dierbaar is. De hoop dat iemand m’n camera nog vindt, is nu wel vervlogen. We zitten vandaag veel in de bus. In 2,5 uur rijden we door de bergen naar de Kloof van de Springende Tijger. De Jinsha rivier stroomt hier door een smalle kloof. Door de hoogteverschillen en de rotsen die het water sturen heeft het water op sommige stukken een enorme snelheid en bijbehorende kracht. Met een bootje kom je niet niet heelhuids weg. Een aardige tussenstop, maar niet heel bijzonder. Na de lunch volgt nog een rit van 2,5 uur naar Shangri-La (voorheen Zonghdian). Shangri-La ligt op de Tibetaanse hoogvlakte, op 3200 meter hoogte de grens van de provincies Yunnan en Sichuan. Het gebied wordt bewoond door Tibetanen en dat zie je meteen als je er doorheen rijdt. Aan de bouwstijl (gebouden die onderaan net iets breder zijn dan bovenaan), aan de gelaatstrekken van de mensen, aan de kleding (kleurige traditionele Tibetaanse kleding) en aan de boeren met hun yaks op het land.

Halverwege de middag komen we aan bij ons hotel, dat in traditionele bouwstijl rondom een binnenplaats is gebouwd. Aan het eind van de middag lopen we met z’n allen het oude gedeelte van Shangri-La in. Het lijkt een beetje op Lijiang, maar dan kleiner. We lopen langs Guishan Park, een heuvel met een Tibetaanse tempel op de top. Als ik de trap naar de tempel oploop, merk ik meteen dat we hier hoog zitten. De ijle lucht zorgt ervoor dat je hijgend bovenaan komt, terwijl je zo’n trap normaal gesproken zonder probleem zou oplopen. Verder bestaat Shangri-La uit oude straatjes á la Lijiang en is het stadje overduidelijk op backpackers en andere toeristen gericht.

Ik heb geen zin om het laat te maken (ik viel vanmiddag in de bus al in slaap en merkte niet eens dat we stopten om foto’s te maken, totdat iemand me wakker maakte) en loop alleen terug naar het hotel. In het donker (er is geen straatverlichting) zie ik een stoepje over het hoofd en val voorover. Nadat ik overeind ben gekrabbeld, loop ik verder, maar terug in het hotel blijkt er bloed door m’n broek te komen. Ik heb bij de val m’n rechter scheenbeen opengehaald. Met de koude douche probeer ik de zwelling tegen te gaan (wat niet echt lukt). Daarna verbind ik de wond en ga ik naar bed.

Maandag 20 juni 2011

Shangri-La is nog uitgestorven als ik met een paar anderen het stadje inloop. In China is maar één tijdzone, wat betekent dat in het oosten (waar Beijing en Shanghai liggen) de zon veel eerder opkomt dan in het westen. Hierdoor begint het openbare leven in Shangri-La blijkbaar ook later. In één van de straatjes vinden we een tentje dat al open is en adverteert met (westers) ontbijt. Het meisje dat de bestelling opneemt, blijkt alleen te zijn. We zien haar bellen en niet veel later komen er nog twee meisjes aangerend, blijkbaar uit hun bed getrommeld om te komen helpen. Na het ontbijt nemen we bus 3, die ons voor één yuan naar het Boeddhistische Sóngzánlin klooster brengt. Het klooster, een complex met meerdere tempels en verblijven voor de monniken, is de moeite waard. Nadat we het klooster hebben bezocht, lopen we het nabij gelegen meer rond en vanaf daar terug naar het ticket office van het klooster. Met bus 3 gaan we terug naar Shangri-La, waar we een restaurantje opzoeken om te lunchen. Er staan veel lekkere dingen op de kaart, maar die hebben ze nu toevallig even niet. Ik doe nog wat boodschappen en ga darana in het hotel nog een tijdje zitten lezen. Morgen reizen we weer verder.

Dinsdag 21 juni 2011

We verlaten Shangri-La en rijden het eerste uur nog over de Tibetaanse hoogvlakte. Hier en daar staan huizen temidden van de akkers. In het landschap staan overal houten constructies, waarop de oogst te drogen kan worden gehangen. Vrouwen loen langs de weg in kleurige kleding en met een grote mand op hun rug. Yaks, geiten, varkens en kippen lopen overal rond. Na een uur rijden we weer door de bergen heen. De ene haarspeldbocht volgt op de andere. De wolken hangen tussen de toppen van de bergen. Een prachtige route. Als we lager komen, wisselen bergen en valleien elkaar af en rijden we tussen de rijstvelden door. Regelmatig komen we door kleine dorpjes. Overal hetzelfde beeld: kleine huisjes en winkeltjes langs de weg, sommige mooi geschilderd en versierd, andere oud en vervallen. Overal ligt puin, de rommel vormt een contrast met de keurig aangelegde rijstvelden en akkers.

Op het Chinese platteland besef je hoe groot de tegenstellingen in China de afgelopen decennia zijn geworden. De ‘nieuwe openheid’ die de CPC sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw nastreeft, heeft het land grote economische voorspoed bezorgd. Steden als Beijing en Shanghai zijn enorm gegroeid en alle dingen die in het westen normaal zijn (computers, mobiele telefoons, clubs), vind je ook hier. Dit is het moderne China, dat op weg is de grootste economie ter wereld te worden. Ook in provinciesteden als Xi’an en Chengdu zie je dat moderne China verschijnen. Maar daarbuiten, op het platteland, zie je de armoede. De welvaart is in China ongelijk verdeeld. Hier wordt het land nog met de hand bewerkt, loopt de boer nog met de ploeg achter zijn os en komt het water uit een waterput. Het leven draait hier niet om de nieuwste gadgets, maar om dagelijks voldoende rijst op tafel. Terwijl elders in China de concurrentie met de VS en Europa wordt aangegaan, is het Chinese platteland nog een tweede wereldland. Niet vreemd dus, dat miljoenen Chinezen ‘da gong’ gaan, oftewel van het platteland naar de stad trekken, op zoek naar werk en welvaart.

Vlak voordat we in Dali aankomen, stoppen we bij de drie pagodes. Het is niet de moeite waard om de hoge toegangsprijs te betalen, dus kijken we alleen van buitenaf. Na een lange busrit komen we eind van de middag aan bij ons hotel in Dali. Een uurtje later gaan we met z’n allen in de stad eten.

Woensdag 22 juni 2011

Als we met een paar mensen in de stad ontbijt bestellen, hebben we al het gevoel dat de serveerster het allemaal niet zo goed begrijpt. Een uur later hebben sommige van ons een deel van hun ontbijt gekregen (ik heb zelf alleen nog maar koffie). We gaan klagen en besluiten te vertrekken. Even verderop zit een winkeltje waar we broodjes kopen. We huren mountainbikes en rijden Dali uit, richting het Erhai meer. We fietsen langs rijstvelden en door een klein dorpje. Aan de oever van het meer heb je uitzicht op zowel de bergen aan de overkant als de bergen aan de andere kant van Dali. Na een tijdje fietsen, loopt m’n ketting eraf. We krijgen ‘m weer op z’n plek, maar er zit toch iets niet goed: ik kan alleen in een heel lichte versnelling verder. We fietsen terug naar Dali en bestellen op een terras een koud drankje om af te koelen van het warme fietstochtje. Daarna loop ik alleen nog een tijdje door het stadje. Net als Lijiang en Shangri-La is Dali een oud stadje, maar de architectuur is toch net weer anders. Ook om Dali, een stadje dat bewoond wordt door Bai, staat een oude stadsmuur met aan iedere zijde een fraaie stadspoort. Ik kom iedere keer groepjes reisgenoten tegen die ook door het stadje aan het lopen zijn. Ik eet vanavond met een paar reisgenoten in een openluchtrestaurantje in het hart van het oude stadje. Het is een heerlijke zwoele zomeravond om buiten te eten en op een terrasje nog wat te drinken.

Donderdag 23 juni 2011

Het is de bedoeling om vandaag met een paar mensen naar Xizhou te gaan, een dorpje ongeveer 18 kilometer ten noorden van Dali, waar iedere ochtend een markt wordt gehouden. Maar als we buiten aan het ontbijt zitten, begint het te regenen. We verhuizen naar binnen, waarna het harder gaat regenen. We blijven nog een tijdje, bestellen nog een kop koffie of thee en maken gebruik van de aanwezige internetcomputer. Maar droog wordt het niet meer, dus we laten het plan varen om naar Xizhou te gaan. Ik breng de rest van de dag door met boodschappen halen, een late lunch, lezen en relaxen.

Vrijdag 24 juni 2011

Vandaag staat er een lange rusrit op het programma, van Dali naar Shilin, even ten zuiden van de grote stad Kunming. We rijden over een brede snelweg, wel wat anders dan de bochtige bergweggetjes van de afgelopen dagen. Ook hier de tegenstellingen: als je vanaf de moderne tolweg met tweetalige bewegwijzering en grote billboards naar rechts kijkt, zie je de boeren met hun traditionele werktuigen hun rijstveld onderhouden. En tussen de nieuwe apartementencomplexen zie je als je goed kijkt nog de oude, vieze arbeidsershuisjes (die al dan niet op de nominatie staan om te worden gesloopt). Kunming is een grote moderne stad waar de vooruitgang zichtbaar is: verhoogde snelwegen, talloze flyovers, gloednieuwe woontorens, ik zie zelfs een Walmart langs de weg. Een groot reuzenrad aan de rivier geeft de indruk dat Kunming zich wil spiegelen aan Londen. We lunchen in een restaurant langs de weg, waarbij we zo onze twijfels hebben over de hygiënische standaard die er wordt gehanteerd.

Bij Shilin bevindt zich het Stenen Woud, een verzameling rotsformaties, door water uitgesleten, een soort ‘bos’ van stenen. We lopen er ruim twee uur rond en gaan daarna naar een nabij gelegen treinstation om de nachttrein naar Guilin te nemen.

Zaterdag 25 juni 2011

Ik word wakker in de trein van Kunming naar Guilin. Ik heb redelijk goed geslapen. Voor de eerste keer deze reis heeft de trein vertraging: in plaats van half één komen we pas om twee uur in Guilin aan. Hier stappen we meteen in de bus voor de twee uur durende rit naar de omgeving van Longji. Hier stappen we over op een andere bus, die ons via een aantal stijle en scherpe haarspeldbochten de berg opbrengt. In korte tijd gaan we behoorlijk de hoogte in. De bus brengt ons naar het Yao-dorpje Ping’An, dat bovenop een berg ligt. Het laatste stuk kan de bus niet komen en moeten we lopen. Lokale vrouwtjes met manden kunnen tegen een kleine vergoeding je bagage naar boven brengen. Ik kies ervoor mijn backpack zelf te dragen (het voelt toch iets teveel als slavenarbeid om zo’n klein vrouwtje zo’n zware tas te laten dragen). Het laatste stuk is een stijle klim via trappen naar het bijna op de top van de berg gelegen guesthouse. Het is flink zweten en door de ijle lucht gaat ademen zwaarder dan normaal. Ik ben blij als we boven zijn. Maar de bestemming is de moeite waard: het geheel houten guesthouse heeft wat je noemt ‘rooms with a view’. Vanuit m’n kamer kijk ik uit over de bergen en de rijstterrassen. Morgen gaan we hier een (lange) wandeling maken. Vandaag sluiten we af op het terras van het hotel, met heerlijk eten, een Tsingtao biertje en een fantastisch uitzicht.

Zondag 26 juni 2011

Ik heb vannacht met de ramen wagenwijd open geslapen. Als de krekels plaats maken voor kraaiende hanen en het langzaam licht wordt, is het tijd om op te staan. Ik ben de eerste en ontbijt dus in alle rust op het terras van het hotel. Het is 28 graden en half bewolkt, een mooie dag voor een wandeling door de rijstvelden. Om negen uur vertrekken we met een groot deel van de groep langs diverse uitkijkpunten met fraai uitzicht over de rijstterrassen. Na een uur gaat de reisleider met de meeste mensen terug naar het hotel. Ik en een paar anderen besluiten verder te lopen. Met een klein groepje diehards zijn we van plan om helemaal naar Dazai te lopen. We lopen door een schitterend gedeelte van de Longji-rijstterrassen. Er is hier vrijwel niemand te bekennen, al helemaal geen toeristen, alleen af en toe wat lokale Chinezen, die we vragen of we nog steeds de goede kant opgaan. Volledig op de gok lopen we gelukkig de hele tijd goed. We lopoen letterlijk dwars tussen de rijstterrassen door, over smalle paadjes en regelmatig via een keienpad over een bergtop heen klimmend. Over het algemeen is de wandeling goed te doen, maar de klimmetjes zijn best pittig. Om half twee komen we bij een klein dorpje, waar we blijken te kunnen eten. Ook hier zijn we de enigen. Het eten dat voor ons wordt klaar gemaakt is prima en met nieuwe energie lopen we het laatste stuk naar Dazai. Daar aangekomen staat er een klein busje met Chinese toeristen klaar om naar Ping’An te gaan. De chauffeur is bereid om ons voor een paar yuan mee te nemen. Super. Tegen vier uur zijn we, moe en drijfnat van het zweet, terug in ons guesthouse. In totaal hebben we 6,5 uur gelopen. Tevreden over de prachtige wandeling stap ik onder de douche.

Maandag 27 juni 2011

Om acht uur vertrekken we uit Ping’An. Ik sjouw m’n backpack weer naar beneden, waar we even moeten wachten op de bus. We rijden (met een tussenstop bij een kleine theeplantage) naar Yangshuo, waar we al aan het begin van de middag aankomen. Als we het stadje inlopen, merk ik het meteen: het is hier bloedheet. Veel warmer dan de afgelopen dagen en de luchtvochtigheid is erg hoog. Na de lunch loop ik door het stadje, dat niet groot is (ongeveer 300.000 inwoners), maar wel modern en voorzien van alles wat je als westerse toerist nodig hebt (en overigens ook heel veel wat je niet nodig hebt). In het stadje vind je de gebruikelijke souvenirwinkeltjes, straatverkopers en eindeloos veel aanbiedingen voor een tochtje op een bamboevlot. Wat Yangshuo vooral te bieden heeft, is de omgeving, maar dat bewaren we voor morgen. Met relaxen, eten en een drankje in één van de bars vullen we de rest van de dag en avond.

Dinsdag 28 juni 2011

Met een paar reisgenoten huren we na het ontbijt fietsen om vandaag een flink eind te gaan fietsen in de omgeving van Yangshuo. We fietsen langs de Yulong rivier. Deze is kleiner dan de veel bezochte Li rivier, maar de omgeving is er net zo mooi. De hele omgeving van Yangshuo bestaat uit stijle bergen die oprijzen uit het verder vlakke landschap (karstgebergte). Daar tussendoor bevinden zich akkers, rijstvelden en hier en daar kleine dorpjes. Een prachtige omgeving om doorheen te fietsen. Nadat we een tijdje langs de noordoever van de Yulong rivier hebben gefietst, gaat de weg niet verder. Met twee bamboevlotten worden we naar de overkant gebracht. Die waar ik op zit, kan twee personen plus twee fietsen maar net houden en zakt onderweg steeds verder het water in. We komen droog over en fietsen via de zuidoever verder. Niet veel later rijdt één van ons lek. We zijn net bij een klein dorpje. Een inwoonster pleegt een telefoontje en even later komt er een Chinese man op een motor aangereden, die voor vijftien yuan de band repareert. Als we verder fietsen wordt de weg smaller en verandert uiteindelijk in een vijftig centimeter smal onverhard pad. Net als je je gaat afvragen of je nog wel goed rijdt, wordt de weg weer breder. We fietsen tot aan de Yulong Qiao (de Drakenbrug), een 600 jaar oude stenen brug over de Yulong rivier. Hier gaan we weer naar de andere kant van de rivier. We proberen een weggetje te vinden dat langs de noordoever van de rivier terug gaat, maar dat lukt niet. Dus fietsen we via de doorgaande weg terug naar Yangshuo. Vlak voor Yangshuo begint het licht te regenen, maar niet genoeg om natter te worden dan we al zijn. Om één uur brengen we onze fietsen terug. Na een tocht van vier uur zetten we ons aan een welverdiende lunch.

Na de lunch lopen we nog even het stadje door. We belanden op een lokale markt, waar ze naast allerlei verse groenten ook bakken met levende vissen, slangen en kikkers hebben. De markthal ernaast slaat echter alles: hier zitten hokken vol met kippen, ganzen, eenden en konijnen. Even verderop hangen honden aan een vleeshaak, in een kooitje liggen levende katten opgestapeld. In de hal hangt een penetrante lucht. Gelukkig hebben we al gegeten, want na een bezoek aan deze markt heb je echt geen trek meer. Aan het eind van de middag, als ik terug ben op m’n hotelkamer, barst buiten een fikse onweersbui los. Nadat ik een tijdje heb zitten lezen, ga ik met een paar anderen eten. Ik ben nu bijna vier weken in China en weer lukt het ons om gerechten te eten die we nog niet eerder hebben gehad. Als je van de oosterse keuken houdt, kan je in China je hart ophalen.

Woensdag 29 juni 2011

Vandaag is het minder mooi weer dan de afgelopen weken. Het is bewolkt en van tijd tot tijd regent het. Met een paar anderen nem ik na het ontbijt de bus naar Xingping, een dorpje vijftien kilometer ten noorden van Yangshuo. We lopen over de lokale markt, waar je van alles kan kopen, van groenten en kippen tot kleding en gereedschap. Vervolgens lopen we richting de Li rivier. Hier liggen tientallen bootjes klaar om toeristen over de rivier tussen het karstgebergte door te varen. We onderhandelen met een Chinese vrouw over de prijs (uiteindelijk 70 yuan per persoon) en lopen met haar mee. Het bootje blijkt een eind verderop te liggen. daar aangekomen blijkt dat op dat moment alleen bootjes stroomafwaarts mogen varen en niet stroomopwaarts. Dat is echter het mooiste stuk en waar wij naartoe willen. We moeten een uurtje wachten en besluiten eerst te gaan lunchen. Na het eten is het gaan regenen, maar op het overdekte bootje zit je redelijk droog. We varen in een uur van Xingping naar Yangdi en vervolgens weer in een uur terug. De bergen links en rechts van de rivier zijn deels in wolken gehuld, maar het is niettemin een mooie omgeving om doorheen te varen. Sit back and relax. Terug in Xingping gaan we nog wat eten en drinken. Aan het eind van de middag zijn we met de bus weer terug in Yangshuo. Ik heb vanavond geen zin om weer uit eten te gaan. Ik haal bij de supermarkt wat te eten en ga de rest van de avond op bed liggen lezen.

Donderdag 30 juni 2011

Mijn reis door China zit er bijna op. Vanavond vlieg ik naar Shanghai, m’n laatste bestemming deze reis. De rest van de groep reist naar Guangzhou. Ik slaap uit en pak m’n spulllen in. Bijna alle kleding die ik bij me heb, verdwijnt vies in m’n backpack en kan thuis rechtstreeks de wasmachine in. Ik doe rustig aan, want ik heb vandaag alle tijd. Nadat ik om twaalf uur ben uitgecheckt, loop ik naar een eettentje vlakbij het hotel. Verder dood ik de tijd met emailen en lezen en in de lobby van het hotel klets ik nog wat met reisgenoten die ook de dag uitzitten. Eigenlijk zijn we een dag teveel in Yangshuo, na twee dagen heeft iedereen het wel gezien. Om vier uur word ik opgehaald en neem ik afscheid van de reisgenoten die er op dat moment zijn. Terwijl de chauffeur en de medewerkster van de reisorganisatie voorin volop zitten te kletsen, rijden we richting Guiilin. Als we bijna bij het treinstation zijn, vraagt de medewerkster of ik in de trein een hardsleeper of softsleeper plaats heb. Ik vertel haar dat ik niet naar het treinstation moet, maar naar de luchthaven. Verrast geeft ze de chauffeur opdracht om naar de luchthaven te gaan. En dus rijden we Guilin weer uit en twintig minuten later zijn we bij de luchthaven van Guilin. Het is een kleine luchthaven en ik ben dan ook snel ingecheckt en door de veiligheidscontrole. Daar zit ik dan, voor het eerst in bijna vier weken zonder de rest van de groep, alleen te wachten op m’n vlucht naar Shanghai. Wel een beetje raar om zo half afscheid te nemen (een aantal mensen heb ik vandaag helemaal niet meer gezien) en de reis alleen af te sluiten.

De vlucht is stipt op tijd en om kwart over negen landen we op Pudong International Airport in Shanghai. Een medewerkster van de lokale reisorganisatie staat al op me te wachten. Ze is jong, net afgestuurd en vertelt me onderweg van alles over Shanghai. De rit van de luchthaven naar m’n hotel duurt drie kwartier. Het is al donker, maar je ziet meteen dat dit een grote, moderne wereldstad is. Brede snelwegen, flyovers en hoge gebouwen die met neonlicht zijn verlicht.

Vrijdag 1 juni 2011

Mijn laatste dag in China valt samen met de negentigste verjaardag van de Communistische Partij van China. Deze laatste dag breng ik door in de grootste stad van China, die inmiddels bijna 23 miljoen inwoners telt. De stad ligt in het uiterste oosten van het land, aan de monding van de Huangpu rivier. Shanghai was ooit slechts een klein visserdorp, totdat het gebied na de eerste opiumoorlog in de negentiende eeuw in Franse en Britse handen kwam. Sindsdien heeft de stad zich ontwikkelt tot het economisch hart van China. Als deze reis de afgelopen weken heeft laten zien waar China vandaan komt en waar ze nu is, dan laat Shanghai zien waar het land naartoe gaat. Shanghai bestaat grofweg uit twee delen: Puxi op de westoever van de Huangpu en Pudong op de oostoever. Puxi is waar de meeste bezienswaardigheden zijn, het oude centrum, de Bund en de belangrijkste winkelcentra. Pudong is het zakelijke district, met glimmende kantoortorens en de Oriental Pearl Tower, het icoon van de stad. Mijn hotel ligt een half uurtje lopen van de Bund, iets ten noorden van de wijk Huangpu. Ik ben al vroeg op en loop de stad in, in een rechte lijn richting de Nanjing straat. Dit is de grootste winkelstraat van de stad. De moderne, deels autovrije straat met grote winkelketens is zo vroeg nog rustig. Aan het eind van de Nanjing straat ligt het Renmin Park (het Volkspark). Een bescheiden groen gebied in de drukke stad. Vanaf hier loop ik naar het zuiden, richting de ‘old town’. Het straatbeeld is hier totaal anders dan in de rest van de stad: geen betonnen hoogbouw, maar bescheiden laagbouw, geen billborads en hippe kledingwinkels, maar kleine thee- en kruidenwinkeltjes en marktkraampjes. Dit oude gedeelte van de stad wordt aan alle kanten bedreigd door de oprukkende moderniteit. Hele blokken hebben al plaats gemaakt voor bouwputten en nieuwbouw. Ter compensatie bevinden zich verderop een paar blokken waar een soort ‘old town’ is nagebouwd. De bouwstijl is klassiek Chinees, maar het is een ‘tourist trap’ van de eerste orde. Eindeloos veel winkeltjes die souvenis verkopen, mannetjes op strata die namaakhorloges aanbieden en westerse ketens als McDonalds en Starbucks. Het is er een drukte van belang, blijkbaar trekken dit soort plekken toch veel mensen aan. In een restaurantje dat er ok uitziet en waar wat Chinezen zitten, bestel ik dumplings en maak ik van de airco gebruik om even af te koelen.

Na de lunch loop ik richting de Bund. Dit is een wandelpromenade langs de Huangpu rivier. Aan de ene kant staan de oude gebouwen van Puxi, aan de overkant de skyline van Pudong, het Manhattan van Shanghai. Ik blijf een tijdje aan de Bund zitten om van het uitzicht te genieten en mensen te kijken. Af en toe komt er een Chinees naast me zitten om een praatje te maken met deze eenzame westerling. Als het begint te schemeren, wordt het nog drukker op de Bund dan het al was. De skyline van Pudong is immers het mooist als het donker wordt en de gebouwen met neonlicht worden verlicht. Op weg terug naar het hotel eet ik in een hip restaurant.

Zaterdag 2 juli 2011

Even voor acht uur stapt m’n chauffeur enthousiast zwaaiend de lobby van m’n hotel in. In veertig minuten rijden we naar Pudong International Airport. Ik kan meteen doorlopen en ben in een mum van tijd ingecheckt voor m’n vlucht via Londen naar Amsterdam. Daar zal ik, na een reis van vijftien uur, om ’s avonds acht uur lokale tijd aankomen.

Het is een fantastische reis geweest. Ontzettend veel gezien, leuke mensen ontmoet, heerlijk gegeten. Voorafgaand aan de reis had ik een behoorlijke ‘cultuurschok’ verwacht. Maar dat is erg meegevallen. Ja, Chinezen roggelen en spugen op straat, de toiletten zijn vaak vies en kleine kinderen doen soms hun behoefte op straat, er slingert zwerfafval rond en niet iedere plek waar op straat eten wordt klaar gemaakt oogt even hygiënisch. Maar als je vaker in Azië bent geweest, kijk je hier misschien toch minder van op. Communiceren met de Chinezen, die amper Engels spreken, is mede door het ingewikkelde schrift in karakters soms lastig. Maar de bewegwijzering is vaak tweetalig, menukaarten ook (of hebben plaatjes) en in de Lonely Planet staan veel (plaats)namen ook in karakters. Daarmee – en met wat gebarentaal – kom je een heel eind. Natuurlijk zie je tijdens een reis als dit vooral de mooie dingen. De enorme milieuvervuiling, de fabrieken waar tienduizenden Chinezen onder slechte omstandigheden werken, de strafkampen die nog altijd bestaan en de wijdverbreide corruptie, daar merk je allemaal weinig tot niets van. Wat me vooral zal bijblijven zijn de grote tegenstellingen en het overal voelbare tempo waarin het land zich ontwikkelt. Wie tien jaar geleden in China was, heeft een ander China gezien. Wie hier over tien jaar komt, zal eveneens een ander China zien. Voor nu vind ik het in ieder geval geweldig om er geweest te zijn.