Costa Rica

7 – 23 december 2011

Woensdag 7 december 2011

In Nederland is het koud en nat, een mooi moment dus om ergens naartoe te gaan waar het warm en zonnig is. Costa Rica dus. Het land in Midden-Amerika dat voor 27% uit natuurgebied bestaat en maar liefst 186 natuurgebieden heeft, waaronder 32 nationale parken. Het is die natuur waarom er zoveel toeristen naar Costa Rica komen. Een deel daarvan komt ook voor de adventure sports, maar die hoef je in dit reisverslag niet te zoeken. Nadat ik ruim zeventien uur onderweg ben geweest (met een overstap in Atlanta, VS), kom ik tegen negen uur lokale tijd aan op Aeropuerto Juan Santamaria bij San José, de hoofdstad van Costa Rica. Bij de douane kan ik zo doorlopen en ook m’n bagage is er snel. Ik neem taxi van de luchthaven naar de stad, waar ik een kamer heb geboekt in een hostel aan Calle 11, tussen Avenida 16 en 18. Dat is hoe ze hier adressen aanduiden, straatnummers zonder huisnummer. Tico’s (inwoners van Costa Rica) gebruiken zelfs die straatnummers nauwelijks. Een adres is meestal ‘bij dat parkje rechtsaf’ of ‘twee blokken na de kerk’. De taxichauffeur kan dus weinig met mijn straatnummers belt onderweg met iemand die hem vertelt waar hij naartoe moet. Inderdaad bij het parkje rechts… Nadat ik in het vliegtuig al op rij dertien zat, krijg ik in het hostel kamer dertien toegewezen. Gelukkig ben ik niet bijgelovig. Ik ben moe van de lange reis en het tijdsverschil, dus het is hoog tijd om te gaan slapen.

Donderdag 8 december 2011

M’n biologische klok is nog wat in de war en ik word dus al vroeg wakker. Fris gedouched ontbijt ik op de overdekte binnenplaats van het hostel. Er is niet alleen toast, jam, koffie en jus, maar de vriendelijke eigenaresse van het hostel schotelt me ook een Costaricaans ontbijt voor: rijst met bonen en ei. Hiermee heb ik een goede bodem om vandaag San José te verkennen. Het is zo’n 25 graden en de afstanden in het centrum van San José zijn niet groot. Je weg vinden is eenvoudig: de Calles lopen noord-zuid en de Avenida’s oost-west. San José ligt in een dal tussen de Cordillera Central en de Cordillera Tilarán in en is niet echt een mooie stad. Veel onopvallende laagbouw en saaie kantoorgebouwen, hier en daar een klein park (zoals het Parque National en het Parque España) en vooral veel verkeer. Op dat drukke verkeer na maakt San José een relaxte indruk. In de Avenida Central, die deels autovrij is, is het druk met zowel Tico’s als toeristen. Hier veel standaard winkels en internationale fastfoodketens. Ik wandel door de in 1880 begonnen Mercado Central, een overdekte markt, waar één deel op toeristen is gericht (t-shirts en zo) en het andere op de dagelijkse behoeften van de lokale bevolking (groente en vlees en zo). Ook vind je hier een groot aantal kleine eettentjes, sommige met een bar, andere met zitjes die aan een Amerikaanse diner doen denken. Hier kan je goedkoop en prima lokaal eten krijgen. Wat je in Costa Rica overal op het menu vindt zijn de zogeheten ‘casado’s’: een bord met rijst, zwarte bonen, iets van sla of andere groente en vlees. Lokaler eten dan bij Bedu in de Mercado Central kan niet, het zit er stampvol Tico’s. Na de lunch wandel ik verder langs het Parque Central, meer een plein dan een park, met een kathedraal en een opvallend grote muziektent in het midden. Onder het Plaza de la Culture is het Nationaal Museum gevestigd en aan de zuidkant van het plein staat het Teatro Nacional, één van de weinige oude gebouwen in San José. Op het plein rennen kleine kinderen tussen de duiven door en voeren ze maiskorrels. Ik trakteer mezelf op een ijsje en ga een tijdje op een bankje aan het plein zitten rondkijken, voordat ik een supermarkt zoek om de noodzakelijke boodschappen te halen.

Vrijdag 9 december 2011

Nadat ik m’n spullen heb ingepakt en heb ontbeten, ga ik vanochtend m’n huurauto halen. Vanwege de wegen in Costa Rica (niet zelden onverhard) is het verstandig om een terreinauto te huren, in mijn geval krijg ik een in Costa Rica populaire Daihatsu Bego 4×4 mee. San José uitrijden is simpel, maar ik ben de stad nog niet uit of ik rijd verkeerd. De bewegwijzering is hier nogal slecht en borden blijken spaarzaam. Het werkt ongeveer zo: stel je wilt naar A en je vindt een bord met daarop A, B, C en D rechtdoor. Je rijd rechtdoor. Op de volgende kruising staat waarschijnlijk geen bord, dus je rijd rechtdoor. Na een tijdje volgt een bord: B rechtsaf, C en D rechtdoor. Maar waar is A gebleven? Het kan zijn dat je gewoon rechtdoor moet rijden en dat op een volgend boord ook A wel weer gewoon staat vermeld. Het kan echter ook zijn dat je ergens naar links moet en vervolgens naar rechts en dat dáár dan wel weer een bord staat met A erop. Of dat je eerst A hebt gevolgd, nu D moet volgen en dat daarna A wel weer een keer op de borden verschijnt. Kortom, de bewegwijzering in Costa Rica is soms heel adequaat, maar soms ook gekmakend!

Via wat binnenweggetjes en kleine dorpjes lukt het me om de weg naar Guapiles te vinden. De route leidt over de weelderig groen begroeide bergen ten noorden van San José. Vanaf Guapiles volg ik de routebeschrijving die ik heb gekregen bij de reservering voor m’n overnachting in Tortuguero, erg handig. Bij Cariari kom ik langs een politiecontrole. Ik moet m’n rijbewijs en paspoort laten zien, de agenten stellen geïnteresseerd vast dat ik Nederlander ben, waarna ik verder mag rijden. In Cariari eindigt de geasfalteerde weg, de rest van de route gaat over een hobbelige onverharde weg, vol met gaten en kuilen. Op zo’n moment ben je dus blij dat je een 4×4 hebt gehuurd, ik weet niet of een gewone personenauto dit zonder schade zou hebben overleefd… De weg loopt tussen weilanden en bananenplantages door naar Pavona. Hier kan je je auto parkeren op een bewaakt parkeerterrein en een kaartje voor de boot kopen. Je kan Tortuguero namelijk niet over land bereiken. In een bootje word je in ruim een half uur over de Rio Suerte naar Tortuguero village gebracht. Ook hier is alles enorm groen, overal waar je kijkt is jungle, alsof je de bewoonde wereld hebt verlaten. Ik word netjes afgezet bij Rana Roja, dat iets voor Tortuguero village ligt. Dit is een prachtige plek om te overnachten: privé cabins temidden van de jungle. De ramen hebben geen glas, maar gaas, waardoor de frisse lucht en de junglegeluiden je kamer binnenkomen. Overal klinkt gefluit, getsjirp en gekwetter. Hier heb je geen internet en geen gsmbereik. Het is prachtig weer, zo’n 28 graden en de lodge heeft een zwembad, waar ik dan ook tevreden induik. ’s Avonds eet ik in het door een lokale familie gerunde ‘restaurant’ van de lodge, waar het eten eenvoudig, maar prima te eten is.

Zaterdag 10 december 2011

Ik word al om zes uur ’s ochtends met de boot opgehaald voor een rondvaart door de kanalen van het Parque Nacional de Tortuguero. Dit is één van de gebieden met de meeste neerslag in Costa Rica en zelfs als het droog is, is het ontzettend vochtig. Vlak voordat ik word opgehaald is er al een flinke tropische bui gevallen en ook tijdens de drie uur durende boottocht zal het afwisselend droog en nat zijn. Je moet het maar zo zien: het heet niet voor niets ‘regenwoud’… Tijdens de boottocht langs de weelderig begroeide oevers zien we een enkele kaaiman, een paar brulapen en vooral veel vogels, wat vooral fijn is voor het Engelse echtpaar met wie ik de boot deel en die helemaal gek zijn van vogels. Als ik terug kom bij de lodge, is het ontbijt allang voorbij, maar de eigenaresse komt vertellen dat er nog eten over is. Daar ben ik blij mee, ik lust wel wat. Nadat ik op de veranda van m’n cabin een tijdje heb zitten lezen, vraag ik aan het begin van de middag of iemand me naar Cuatro Esquinas kan brengen. Dit is de ingang van het nationale park (en maar een klein stukje varen vanaf m’n lodge), vanaf hier kan je een korte wandeling (zo’n twee kilometer) maken door een gedeelte van het nationale park. Je kan heen en terug lopen, maar ik steek ergens door naar het strand om langs het strand terug te lopen. Je zit hier aan de Caribische kust, maar het weer (met zo nu en dan een bui) maakt het niet echt strandweer. Aan het eind van m’n wandeling kom ik in Tortuguero village, een klein dorpje met voornamelijk souvenirwinkeltjes, restaurantjes en aanbieders van boottochten. Het dorpje ademt een Caribische sfeer en de Jamaicaanse invloeden die je overal langs de Costaricaanse oostkust tegenkomt, zie je terug in het terugkerende rood-geel-groen-zwart, mannen met rastahaar en Bob Marley t-shirts. Het is er erg rustig, er zijn weinig toeristen. Het eten bij The Coconut House is erg goed.

Zondag 11 december 2011

Om met de boot terug te gaan naar Pavona, kan ik kiezen tussen die van zes uur of die van half twaalf. Het wordt die van zes uur, ik heb immers ook nog een flinke rit naar La Fortuna voor de boeg. Ik ben niet de enige die zo vroeg op is, het bootje zit vol. Na het boottochtje stap ik weer in m’n huurauto. De kuilen en gaten in de weg staan door de regen vol water, waardoor je ze beter ziet. Maar harder rijden dan zo’n dertig kilometer per uur is niet verstandig. Eenmaal terug op de verharde weg rijd ik via Guapiles en met een grote boog naar Puerto Viejo de Sarapiqui, vervolgens via San Miguel naar Ciudad Quesada en vanaf daar naar La Fortuna. Onderweg regent het vrijwel onophoudelijk. De route gaat deels door bergachtig gebied, maar er is zoveel bewolking dat je daar nauwelijks iets van meekrijgt, behalve dan dat de weg zich omhoog en omlaag slingert. De bewegwijzering is hier gelukkig beter dan rondom San José. Aan het begin van de middag kom ik aan in La Fortuna, een stadje dat aan de voet van de vulkaan Arenal ligt. Maar die wordt geheel door de bewolking verhuld. Ik overnacht hier in… een tent. Het Arenal Backpackers Resort heeft een aantal ‘luxe’ tenten (onder een afdak), mèt een tweepersoons bed en elektriciteit. Een soort vijfsterrenkamperen dus. De middag breng ik door met lezen in de open bar/lobby van het hostel, internetten en boodschappen halen. Het valt me op dat het iedere keer al vroeg licht en ook alweer vroeg donker wordt: om half zes ’s middags is het meestal al donker. Ik eet vanavond in Las Brasilitas, een open restaurant vlakbij het hostel, met deze keer geen Costaricaans, maar Mexicaans eten.

Maandag 12 december 2011

In tegenstelling tot gisteren is het vandaag wel droog en een aangename 25 graden. Ik ga vanochtend eerst naar de Catarata de la Fortuna, een waterval (of eigenlijk twee) even buiten La Fortuna. Het is nog vroeg en ik ben de enige bezoeker. Vanaf een uitkijkpunt ter hoogte van de bovenkant van de watervallen kan je beide watervallen bekijken, maar je kan ook via een stijl pad naar beneden. Je komt dan vlakbij de watervallen. Het gebulder waarmee het water zich in de rivier stort is indrukwekkend. Het is een prachtige waterval, midden tussen het tropische groen, zeker de moeite van het bezoeken waard. Nadat ik met een colaatje ben bijgekomen van de klim terug naar boven, rijd ik naar het Parque Nacional Arenal, veertien kilometer ten westen van La Fortuna. De Arenal was een inactieve vulkaan, tot 1968, toen hij plotseling uitbarstte en de hele omgeving met een dikke laag lava bedekte. Nu is de Arenal één van de tien meest actieve vulkanen in de wereld. Door het park loopt een wandelroute, door een stuk regenwoud dat na de uitbarsting van 1968 is gegroeid. Af en toe kom ik iemand tegen, maar er zijn maar weinig andere bezoekers. Aan het eind van de route kom je bij de lavastroom van 1968. Grote zwarte rotsblokken liggen op de hellingen. Met enig klimwerk sta je hier bovenop en heb je een geweldig uitzicht op de omgeving en op de vulkaan, die zich dan vlak voor je bevindt. Het is (zoals meestal hier) bewolkt en het bovenste deel van de vulkaan is in de wolken gehuld, maar dat mag de pret niet drukken. Het is de moeite van de wandeling zeer waard. Op de terugweg loopt een tweede route door een stuk regenwoud, waar ik onder meer vogels en eekhoorns tegenkom. In totaal loop ik bijna drie uur door het park. ’s Middags haal ik bij de supermarkt eten voor vanavond (geen zin om weer in een restaurant te eten) en ga ik in de bar/lobby van het hostel zitten lezen.

Dinsdag 13 december 2011

Nadat ik m’n spullen weer heb ingepakt en ben uitgecheckt verlaat ik La Fortuna en rijd naar het westen. De eerste anderhalf uur rijd ik door de bergen van de Cordillera de Tilarán. Kilometer na kilometer slingert de weg zich over de bergen, om het grote meer Laguna de Arenal heen. Vanaf Tilarán gaat de weg vrijwel in één stuk naar beneden en klaart het op. Vanaf Cañas neem ik de Interamericana noordwaarts. De Interamericana is de weg die door heel Midden- en Zuid-Amerika loopt, van Mexico tot het zuiden van Chili. Dit rijdt een stuk relaxter dan in de bergen, want hoe vaak je ook in de bergen hebt
gereden, het blijft intensief. Bij Liberia sla ik linksaf naar het Nicoya schiereiland. Mijn bestemming van vandaag is Tamarindo, maar voordat ik daar naartoe ga, rijd ik eerst naar Brasilito. Langs dit deel van de westkust van Costa Rica vind je diverse stranden. Ik parkeer de auto en loop over Playa Brasilito naar het één kilometer verderop gelegen Playa Conchal. Wat een verschil met vanochtend: dertig graden, geen regen, strand en de geur van de zee. De Pacific wel te verstaan. Nadat ik twee uur aan het strand heb gerelaxed, rijd ik het laatste stukje naar Tamarindo. Nadat ik me heb gemeld bij Villas Macondo, hang ik de kleren die al sinds Tortuguero nat zijn aan de waslijn van m’n veranda. De afgelopen dagen was de lucht steeds zo vochtig dat niets droogde, maar hier is de lucht een stuk droger en m’n natte kleren zijn dan ook snel droog. Nadat ik heb gedouched en de lokale supermarkt om de hoek heb verkend, ga ik met een boek bij het zwembad liggen. Eten doe ik deze warme, zwoele zomeravond bij het open restaurant Nogui, direct aan zee.

Woensdag 14 december 2011

Ik doe vandaag rustig aan. Ik lees in m’n reisgids over m’n volgende bestemming (Monteverde) waar ik morgen naartoe ga, wat er te doen is en – ook niet onbelangrijk – hoe ik er moet komen. Ik check m’n e-mail en loop een rondje door Tamarindo. Als het ergens in Costa Rica duidelijk wordt dat het land drijft op toerisme, dan is het hier in Tamarindo. Er zijn veel Amerikaanse toeristen (Tamarindo is populair bij surfers) en het plaatsje doet weinig authentiek aan. In de straten zitten eigenlijk alleen maar hotels, restaurants, bars, souvenirwinkels en surfshops. Ik loop een eindje langs het strand en
ga bij de open bar/restaurant Copacabana aan de bar zitten, met relaxte muziek en uitzicht op zee. Ik zit hier wel goed, dus na de koffie blijf ik hier ook lunchen. De rest van de middag miezert het en relax ik verder: beetje lezen, beetje internetten, beetje ships eten, beetje spaans oefenen…

Donderdag 15 december 2011

Vandaag is weer een actieve dag. Ik verlaat Tamarindo vroeg in de morgen en rijd over het Nicoya schiereiland. De omgeving is hier niet echt spectaculair: een lange weg, soms een klein dorpje, links en rechts weilanden en verder weg wat heuvels. Via de Puente de la Amistad kom ik weer bij de Interamericana. Nadat ik voor de zekerheid de benzinetank heb laten volgooien, is het nog een paar kilometer naar het zuiden, voordat ik bij een afslag kom die naar Monteverde leidt. De laatste 32 kilometer gaan over een onverharde weg de bergen op. De weg is redelijk begaanbaar, maar ook hier is een 4×4 toch wel aan te raden. Hoe hoger, des te fraaier wordt het uitzicht. Af en toe komt er iemand van de andere kant. Ook is het onderweg oppassen voor overstekende honden en de koe die weigert aan de kant te gaan. De weg is glibberig, dus ik kan niet al te hard rijden: over die 32 kilometer doe ik een uur. Aan het eind kom ik aan in Santa Elena, een klein dorpje vlakbij de Reserva Monteverde en het wat kleinere Reserva Santa Elena. Het miezert als
ik incheck bij het Pensión Santa Elena, dat ondanks zijn naam gewoon een hostel is. De korte broek en slippers maken weer plaats voor een lange broek en wandelschoenen. Na zo’n lange rit lust ik wel wat, dus ik ga eerst eten bij een restaurantje in het dorp. Casado uiteraard.

Vanmiddag ga ik eerst naar de Jardin de Mariposas, oftewel de vlindertuin, even buiten Santa Elena. Een rondleiding is standaard en aangezien ik de enige bezoeker ben, krijg ik een privérondleiding. Voordat ik naar de vlindertuin zelf ga, krijg ik van een jong (Amerikaans) meisje die gek is van alles wat kruipt en vliegt uitleg over allerlei soorten insecten die in Costa Rica voorkomen. Kevers, sprinkhanen, kakkerlakken, tarantula’s, je krijgt ze allemaal in levende lijve te zien. Er zijn vier vlindertuinen, ieder met een ander soort begroeiing en andere soorten vlinders met prachtige kleuren. De felblauwe vlinders die je ook in wild veel ziet, laten zich niet fotograferen (zodra ze stil zitten klappen ze hun vleugels – die aan de buitenkant ‘gewoon’ grijsbruin zijn – bij elkaar). Na de vlindertuin ga ik naar de Renario, een soort kikkertuin. Hier leven zo’n 25 soorten kikkers en kikkertjes die je in Costa Rica vindt. Sommige zijn groot (zo’n tien centimeter), andere zijn ontzettend klein, een enkele soort maar één tot twee centimeter. Sommige soorten zijn groen of bruin en door hun schutkleur nauwelijks zichtbaar, andere zijn giftig en door hun felle rode kleur juist heel opvallend. Ook het beroemde groene kikkertje met de grote rode ogen, dat symbool staat voor Costa Rica, vind je hier. Ook hier krijg ik een privérondleiding door een enthousiaste jonge meid die alles van kikkers weet. Veel kikkers rusten overdag en verbergen zich dan. Met hetzelfde toegangskaartje kan je ’s avonds terugkomen als de kikkers actiever zijn. Aan het begin van de avond wandel ik dus weer terug naar de Renario en inderdaad, de kikkers zijn wat wakkerder. De tweede keer krijg je geen rondleiding, maar mag je met een zaklamp zelf in het donker op zoek naar de kikkertjes.

Vrijdag 16 december 2011

Nadat ik bij bakker Jiminez broodjes voor vandaag heb gehaald, begin ik om half acht in de Reserva Monteverde aan m’n drie uur durende wandeling door het nevelwoud. Dit nevelwoud is ontstaan doordat warme lucht van de Caribische zee opstijgt tegen de bergen van de Corillera de Tilarán, daar condenseert tot wolken, nevel en regen. De Reserva ligt op 1.000-1.500 meter hoogte en is een verplichte stop voor vrijwel iedereen die Costa Rica bezoekt, dus het kan er erg druk zijn. Maar op deze vrijdagmorgen in het
voorseizoen is er maar een handvol bezoekers. Af en toe kom ik iemand tegen, maar het grootste deel van de tijd hoor ik om me heen alleen waterdruppels die van de bladeren vallen, de wind die door de boomtoppen waait, af en toe een vogel en m’n eigen voetstappen. In de Reserva kom je weinig dieren tegen: die weten dat hier veel mensen komen en blijven dus ver weg in andere delen van Monteverde, dat vele malen groter is dan alleen de Reserva. Maar het nevelwoud zelf is ook de moeite waard. Met mos begroeide bomen, varens en andere tropische planten, lianen die heen en weer slingeren, hier en daar een beekje. Op één van de hoogste punten sta je letterlijk in de wolken. Er
is een uitkijkpunt, maar door de wolken zie je daar niks. Hier bevindt je je op de
Continental Divide. Aan de ene kant van deze lijn, die van Canada naar Argentinië loopt, stroomt het water naar de Caribische zee, aan de andere kant naar de Pacific. Na m’n wandeling door het nevelwoud geef ik twee Nederlandse studenten – die in hetzelfde hostel logeren als ik – een lift terug naar Santa Elena. Als ik ergens tijdens deze reis regen had verwacht, is het wel hier, maar in plaats daarvan is het redelijk goed weer en ’s middags breekt zowaar de zon even voorzichtig door. Na m’n casado bij restaurant Maravilla ga ik aan de tafel buiten bij de ingang van het hostel zitten lezen. Morgen verlaat ik deze omgeving alweer.

Zaterdag 17 december 2011

Ik haal ontbijt voor onderweg en hobbel de bergen weer af via de onverharde weg die Monteverde en Santa Elena verbindt met de rest van de bewoonde wereld. Na een stukje Interamericana beland ik via een andere weg in het dorpje Orotina. En daar wil ik helemaal niet zijn. Hoe ik het dorpje weer uitkom, is me een raadsel, dus ik vraag een taxichauffeur of hij me kan helpen. Hij is zo vriendelijk om een stukje voor me uit te rijden om me te laten zien waar ik heen moet (de Tico’s zijn sowieso erg vriendelijk en behulpzaam). Aan de rand van het dorp, bij een groot bord waarop Quepos staat aangegeven, bedank ik hem en rijd verder. De weg loopt langs de kust via Tárcoles, Jacó en Paritta naar Quepos. Vanaf Quepos slingert de weg zich langs de heuvelachtige kust naar het zeven kilometer verder gelegen dorpje Manuel Antonio. Het gelijknamige nationale park is één van de meest bezochte van Costa Rica en Manuel Antonio is dan ook een druk bezocht dorp. Mijn hostel, Sol y mar, ligt enigszins onopvallend langs de weg tussen Quepos en Manuel Antonio. Als ik daar – na even zoeken – aan het eind van de ochtend aankom, is beheerster Solangie er niet, maar haar zoon geeft me de sleutel van m’n kamer. Een klein stukje verderop langs de weg vind ik een restaurant, met een veranda aan de achterkant, waar je uitzicht hebt over de omgeving. Hier bestel ik koffie en een casado. Sol y mar heeft een tuin, waar ik ’s middags (nadat ik bij de supermarkt
een biertje heb gehaald) een tijdje ga zitten lezen en de informatie over het Parque Nacional Manuel Antonio bestudeer.

Zondag 18 december 2011

Ik ben alweer vroeg op. Je denkt misschien dat ik gek ben om tijdens m’n vakantie iedere keer zo vroeg op te staan. Maar ik ben echt niet de enige. Er zijn altijd meer mensen die weten dat vroeg in ochtend de beste tijd is om natuurgebieden te bezoeken. Zeker in Manuel Antonio is dat aan te raden: vanaf een uur of negen wordt het al snel drukker en komen hele families met koelboxen de stranden in het park opzoeken. Ik stop eerst bij café Milagro voor een kop koffie en ontbijt. Het is al vroeg warm. In het dorp staan allemaal mannetjes met fluitjes die je druk gebarend naar parkeerplaatsen proberen te dirigeren. Daar moet je vervolgens natuurlijk wel voor betalen. Als je vroeg
komt is het nog rustig, kan je de mannetjes – die er ook al vroeg zijn – negeren en gewoon (gratis) langs de weg parkeren. Het is maar een klein stukje lopen naar de ingang van het park. In Manuel Antonio kan je een aantal wandelingen maken, geen van alle erg lang (één tot twee kilometer), heel anders dan in Monteverde. Er zijn een paar fraaie stranden (Playa Espadilla, Playa Manuel Antonio) en een schiereiland, maar die route is op het moment dat ik er ben afgesloten, voor onderhoud of zo. Er leven verschillende dieren in het park, waaronder kapucijnapen. Die zitten bij Playa Manuel Antonio en zijn niet erg bang aangelegd, ook al staan er veel mensen om hen heen om ze te fotograferen. Het zijn nieuwsgierige types, die onderzoekend in cameralenzen
kijken (en als je niet uitkijkt er met je camera vandoor gaan). Als ik het park wel gezien heb, is het lunchtijd. Ik loop terug naar het dorp, waar de hoofdstraat met winkeltjes en restaurantjes direct langs het strand loopt. Ik trakteer mezelf eerst op een ijsje en ga daarna lunchen. Daarna ga ik op het strand zitten, met m’n rug tegen een palmboom. Gewoon een tijdje niks doen.

Maandag 19 december 2011

Voorafgaand aan deze reis had ik bedacht dat ik de laatste twee dagen zou doorbrengen in Puerto Viejo de Talamanca. Leuk bedacht, maar vanuit Manuel Antonio (dat aan de Pacifische kust ligt) ligt Puerto Viejo (aan de Caribische kust) letterlijk aan de andere kant van het land. Tot nu toe heb ik steeds een halve dag nodig gehad om naar een volgende plek te rijden, maar vandaag heb ik het grootste deel van de dag nodig om in Puerto Viejo te komen. Dat kan op twee manieren: via de (geasfalteerde) doorgaande weg zoals ik gekomen ben en dan via San José en Cartago naar Puerto Limón aan de oostkust en dan naar het zuiden. Of het eerste deel via (onverharde) binnenweggetjes tot aan Cartago en dan dezelfde weg verder. Dat laatste is echt véél korter en dus
probeer ik dat eerst. Maar helaas. Ik weet van Quepos nog wel in Londres te komen, maar als ik daar navraag of ik op de goede weg ben, blijkt dat deze route onbegaanbaar is. Er is nog wel een andere mogelijkheid, maar omdat het weliswaar een kortere, maar ook langzamere weg is (hobbelend de bergen over), besluit ik m’n poging te staken en de doorgaande weg te nemen. Dat rijd uiteraard een stuk relaxter. In plaats van óm San José heen, beland ik ín San José, maar ik moet toch tanken, dus dat is niet erg. Alleen stuit ik hier weer op het probleem van de slechte bewegwijzering in de Costaricaanse hoofdstad. Uiteindelijk rijd ik toch richting Cartago en via Turrialba en Siquirres naar Limón. Ook dit deel van de route gaat via de bergen en is toch langer dan de plattegrond doet vermoeden. Vanaf Limón gaat de weg grotendeels parallel aan de kust naar het zuiden.

Het is drie uur als ik na deze lange rit in Puerto Viejo aankom. Als beloning wacht hier wel het fraaiste hotel waar ik deze reis heb gelogeerd: hotel Pura Vida, naar de slogan van Costa Rica. Een prima hotel met een patio met tropische planten en zitjes, waar ik met een drankje eerst even ga zitten relaxen. Aan het begin van de avond zoek ik een restaurant op en ga zitten bij Chile Rojo, op de eerste verdieping aan een bartafel met uitzicht op de ‘hoofdstraat’ van Puerto Viejo (altijd fijn, bartafels waarbij je niet tegen een lege stoel tegenover je aankijkt…). Ik geniet net van m’n mojito als ik de
Policia Migracion (oftewel de vreemdelingenpolitie) zie binnenkomen . Even later komt de serveerster me vertellen dat ze de keuken hebben moeten sluiten omdat het keukenpersoneel van buitenlandse afkomst is en niet over de vereiste papieren beschikt. Geen eten dus… Ik reken m’n mojito af en ga twee deuren verder bij El Dorado zitten. Geen verkeerde keuze: het eten is erg lekker en het is happy hour, dus twee cocktails voor de prijs van één.

Dinsdag 20 december 2011

Costa Rica is een paradijs voor muggen: warm en vochtig. Ook vannacht zoemde er weer één door m’n kamer. Anyway, om negen uur zit ik bij Pan Pay aan een kop koffie, terwijl het ontbijt even op zich laat wachten. Niet erg met uitzicht op zee. Puerto Viejo is een klein dorpje, in het uiterste zuidoosten van Costa Rica, vlakbij de grens met Panama. Er wonen hier veel mensen van Jamaicaanse afkomst, die eind negentiende eeuw als ‘gastarbeiders’ naar Costa Rica kwamen. Je ziet die Jamaicaanse invloeden in het uiterlijk van de mensen en in het rood-geel-groen-zwart, de kleuren van Jamaica. De sfeer is dat van een relaxed Midden-Amerikaans kustplaatsje. Na nog een tweede kop koffie bij dit populaire tentje, loop ik het dorpje door. de hoofdstraat loopt parallel aan het strand. Eerst langs een baai en als je ongeveer anderhalve kilometer verder loopt, het dorp uit, kom je bij Playa Cocles. Een wit zandstrand met palmbomen en prachtige golven en daarom populair bij surfers. Het is dertig graden en hoewel het ’s ochtends nog bewolkt
is, breekt rond het middaguur de zon door. Eindelijk, zon, blauwe lucht! Nadat ik op het terras van Flip Flop heb gelunched, nog even op het nabijgelegen strandje El Parquesito heb gezeten en het thuisfront heb gemaild, ga ik terug naar m’n hotel om even op te frissen. Ik dreig binnen no time te verbranden – verraderlijk die tropische zon. Ik ga vanavond niet weer uit eten, in plaats daarvan haal ik boodschappen bij de plaatselijke supermarkt.

Woensdag 21 december 2011

De laatste (zonovergoten) dagen van deze reis zijn erg relaxed. Ik sta niet meer vroeg op en rijd geen lange afstanden meer. Gewoon rustig aan, een beetje aan het strand zitten, een beetje lezen, een beetje muziek luisteren, een beetje spaans oefenen, eten, koffie drinken… Deze laatste dag in Puerto Viejo breng ik de ochtend zo relaxend door op het terras van Pan Pay en de middag onder de palm- en amandelbomen aan het strand.

Donderdag 22 december 2011

Ik verlaat Puerto Viejo en rijd dezelfde weg terug als ik ben gekomen. Het regent en dat zal het tot vlak voor San José blijven doen (in San José zelf is het wel goed weer). Tussen Limón en Siquirres haal ik een gemiddelde snelheid van slechts dertig kilometer per uur, vanwege een lokale wielrenwedstrijd. Daarvoor is niet de hele route permanent afgezet, maar wordt steeds de weg daar afgezet waar de wielrenners zich bevinden. Ze rijden dezelfde kant op als ik dus tot aan Siquirres zit ik erachter… De rest van de weg rijd wel aardig door (hoewel het langzame verkeer in de bergen soms voor oponthoud zorgt) en rond het middaguur rijd ik via de noordkant San José binnen. Het verkeer in
deze drukke stad is overdag een drama als je met de auto bent. Ik ben bijna aan het eind van m’n reis en heb alle tijd, dus met een beetje geduld bereik ik een tijdje later de Paseo Colón, waar ik m’n huurauto inlever en een taxi aanhoud om me naar het hostel te brengen. Ik heb dezelfde kamer als aan het begin van de reis. In de loop van de middag loop ik de stad in om online in te checken voor m’n terugvlucht en om ergens wat te gaan eten. In de Avenida Central is het zo druk als in de Kalverstraat op zaterdagmiddag. Blijkbaar is iedereen al vrij voor kerst (komend weekend). Ik eet nog één keer casado, bij Bedu in de Mercado Central. Ik ga vanavond vroeg slapen, want ik heb morgenochtend al om half vijf een transfer naar de luchthaven geregeld. Om acht uur vertrek ik, wederom met een tussenstop in Atlanta, terug naar Nederland. Aan het eind van deze reis rest dus het vooruitzicht van zeventien uur in een vliegtuig…