12 mei – 4 juni 2012

Zaterdag 12 mei 2012

Het is zaterdag 12 mei als mijn langverwachte rondreis door Peru en Bolivia begint. Ik vertrek om negen uur ’s ochtends naar Schiphol voor mijn rechtstreekse vlucht naar Lima. Het is twaalf uur vliegen naar de hoofdstad van Peru, een lange zit, die ik dood met mijn reisgids en twee films. We landen iets eerder dan gepland en neem – zoals afgesproken – een taxi naar het hotel in Lima. Het kost weinig moeite om een taxi te vinden, zodra je je in de aankomsthal vertoont, komen de chauffeurs vanzelf op je af.  Eenmaal in de taxi merk je meteen dat je in een Zuid-Amerikaans land bent: de chauffeur trekt zich niets aan van de maximumsnelheid, de belijning of andere verkeersregels.

Peru is het op twee na grootste land van Zuid-Amerika (na Brazilië en Argentinië) en net zo groot als Nederland, Duitsland, Frankrijk, Italië en Zwitserland samen. Het land kent grote culturele en sociale verschillen. De helft van de bevolking bestaat uit criolos, de Spaanstalige, gemengde (d.w.z. deels blanke) bevolking die de hogere sociale klasse vormen en alle belangrijke politieke en zakelijke posities bezetten. De andere helft van de Peruanen zijn indígenas, de inheemse bewoners van het platteland, die Quechua of Aymara spreken. Zij vormen de sociale onderklasse. Peru is niet zozeer één natie, maar meer een mix van culturen en identiteiten: dé Peruaan bestaat niet. In de twintigste eeuw is Peru geteisterd door oorlogen, dictaturen, zoals die van Alberto Fujimori, en interne conflicten, zoals de jarenlange guerrilla-activiteiten van Sendero Luminoso (Lichtend Pad). Als gevolg van deze conflicten zijn in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw naar schatting 70.000 mensen vermoord of spoorloos verdwenen. Pas sinds het begin van deze eeuw bevindt Peru zich in politiek rustiger vaarwater en is er sprake van economische ontwikkeling.

Het is half zeven lokale tijd en een aangename twintig graden als we de stad binnenrijden. Het is de bedoeling dat ik de rest van m’n reisgezelschap in het hotel ontmoet, maar als ik daar aankom, blijken zij er nog niet te zijn. Als zij een half uurtje later ook aankomen, blijkt dat de reisleider niet wist dat ik op eigen gelegenheid naar het hotel zou gaan. Communicatiefoutje. Met m’n biologische klok op vier uur ’s nachts, duik ik om negen uur m’n bed in. Morgenochtend vroeg op.

Zondag 13 mei 2012

Na een korte nacht zitten we al om half vier (!), nog slaperig in de bus. Nadat reisleider Klaus (Duitse vader, Peruaanse moeder) heeft verteld hoe het programma voor vandaag eruit ziet, gaat het licht in de bus uit, zodat we kunnen proberen nog wat te slapen. Ik dommel een paar keer weg en als ik een tijdje later m’n ogen weer open doe, is het licht geworden. We rijden langs de kust. De golven van de Pacific aan de rechterkant, woestijn aan de linkerkant. Peru heeft drie verschillende ecosystemen: woestijn langs de kust, het Andesgebergte in het zuidoosten en de Amazone in het noordoosten. In de droge strook langs de kust regent het bijna nooit. Het is een kaal gebied, met hier en daar wat huizen en palmbomen. In 2007 is hier een zware aardbeving geweest, met het epicentrum in Ica. Daarbij zijn vijfhonderd doden gevallen en veel huizen en gebouwen verwoest. De gevolgen zijn nog goed te zien: veel huizen zijn niet hersteld. Hier en daar zie je behalve woestijn ook wat landbouw (katoen, asperges), alleen mogelijk dankzij permanente irrigatie, maar verder is het een gortdroog gebied.

We rijden over de Panamericana, de snelweg die van Canada tot in het zuiden van Chili loopt. De stoffige dorpjes langs de bekende snelweg ogen armoedig, met kleine huisjes en onverharde straten. We maken een tussenstop in Chincha, een klein dorpje langs de weg, waar ze goede koffie hebben. Het is prachtig weer, zonnig en warm. In de loop van de ochtend komen we aan in Paracas, een klein havenstadje aan de kust. Paracas is de uitvalsbasis voor boottochten naar de Balestas-eilanden. Dit is een groep kale rotseilanden, gelegen op zo’n twintig kilometer voor de Peruaanse kust, waar een grote hoeveelheid vogels, pinguïns en zeeleeuwen te vinden is. Voordat je daar aankomt, vaar je eerst langs een schiereiland, waar een groot teken op een berg is aangebracht. Het teken is waarschijnlijk door Nazca’s aangebracht, maar het is onbekend hoe oud het precies is. Het teken, dat volgens sommigen op een bloeiende cactus lijkt, is maar liefst 120 meter hoog en zeventig meter breed.

Met de zon hoog aan de hemel en de wind in ons gezicht, varen we in een half uur naar de Balestas-eilanden. Daar worden we inderdaad begroet door honderden vogels en vele zeeleeuwen en Humboldt-pinguïns. Iedere vier jaar wordt de vogelpoep van de rotsen verwijderd om als ingrediënt voor meststof te dienen. Naar verluidt verblijven 200.000 vogels in dit gebied. Om half elf zijn we terug in de haven van Paracas, waar we op een terras gaan zitten om wat te drinken, voordat we over de Panamericana verder zuidwaarts rijden. Als we in Ica aankomen, één van die stoffige stadjes langs de Panamericana, bezoeken we een lokale begraafplaats. Zoals in veel van dit soort landen vind je hier grote versierde graftombes, maar ook muren met kleine tombes, die allemaal zijn voorzien van bloemen en persoonlijke versieringen. Het is zondag en een drukte van belang op de begraafplaats. Hele families komen hun overleden familieleden ‘vieren’. De sfeer is er anders dan op begraafplaatsen in Nederland en best indrukwekkend.

Na deze tussenstop rijden we naar Huacachina, een oase in de woestijn, vlakbij Ica. In een dal temidden van enorme zandduinen ligt een meertje, omringd door palmbomen. Hier gaan we eerst wat eten en daarna loop ik met een paar anderen de duinen op.  Je zakt makkelijk weg in het droge woestijnzand. Het is een flinke klim naar boven en onderweg word je door de wind gezandstraald. Maar het is de moeite waard. Boven heb je een prachtig uitzicht over de door de wind gevormde zandduinen, met hun sierlijke lijnen en scherp afgetekende schaduwen. Bezweet en onder het zand komen we terug bij de oase. Het is inmiddels vier uur ’s middags en rijden naar het hotel. Daar duiken we voldaan van deze indrukwekkende eerste dag in Peru het zwembad in. Dat blijkt niet al te warm, maar wel erg lekker na een actieve en warme dag.

Maandag 14 mei 2012

We vertrekken vanochtend vroeg naar Nazca. Het grootste deel van de route gaat weer door het droge woestijnlandschap. Grijze rotsen worden afgewisseld door lage heuvels. Hier en daar, waar een riviertje stroomt, hebben zich kleine stadjes gevormd. Vrijwel allemaal ogen ze armoedig. In de wat grotere plaatsen zijn de meeste gebouwen en huizen, meestal gebouwd van bruine baksteen, wel redelijk, hoewel erg eenvoudig. Er zijn geldautomaten, pizzeria’s en taxi’s, maar veel gebouwen en huizen zijn half af en behalve op het centrale plein ontbreekt bestrating veelal. Boven veel gebouwen steekt betonijzer uit: om op een later moment eventueel een extra verdieping te kunnen bouwen (wat wel extra belasting kost). Zodra je buiten de stadjes komt, bestaan de huizen vaak uit niet veel meer dan vier gemetselde muren en een golfplaten dak, zonder elektriciteit, riolering en stromend water. Buiten staat een hokje dat dienst doet als toilet. De bewoners verbouwen gewassen op stukjes grond of hebben wat schapen, koeien of lama’s. Luxe is hier een onbekend fenomeen: de helft van de bevolking van Peru leeft onder de armoedegrens, een kwart heeft geen elektriciteit.

Het is prachtige weer: het is ruim 25 graden en de zon staat aan een strakblauwe hemel. Het stadje Nazca, vernoemd naar een pre-Incacultuur, is bekend om de zogenaamde Nazca-lijnen. De Nazca-lijnen, twintig kilometer ten noorden van Nazca, midden in de woestijn, bestaan uit zo’n 800 lijnen, 300 geometrische figuren en 70 dieren en planten, die tussen 900 en 600 v.o.t. door Nazca-stammen in het woestijnoppervlak zijn aangebracht. De lijnen en figuren zijn in 1939 ontdekt en sinds 1994 werelderfgoed. De lijnen zijn gemaakt door de donkere stenen van het oppervlak weg te halen en aan weerszijden te leggen, waardoor de lichtere ondergrond zichtbaar wordt. Een aantal figuren is te zien vanaf een uitkijktoren langs de Panamericana. De anderen kan je bekijken door er met een klein vliegtuigje overheen te vliegen (iets wat ik beleefd afsla, degenen die wel gaan vliegen komen bijna zonder uitzondering lijkbleek en misselijk terug). De precieze betekenis van de Nazca-lijnen is onbekend. Sommigen brengen ze in verband met de Incakalender, ik houd het erop dat de Nazca’s figuren hebben willen maken die vanuit de ruimte te zien voor de goden of buitenaards leven.

In Nazca, een rommelig en stoffig stadje, halen we broodjes voordat we naar ons hotel gaan. Het hotel is gebouwd als een haciënda, met ronde bogen rond een binnentuin met palmen en kaktussen. Ik ga een tijdje met een boek bij het zwembad zitten. Het eten vanavond is iets bijzonders. Vlees, aardappels en pakketjes met niet nader gedefinieerde gerechten worden volgens traditioneel recept begraven in een kuil waarin gloeiend hete stenen zijn gelegd. De kuil wordt afgedekt met bladeren en aarde en na twee uur stoven wordt het eten weer opgegraven en opgediend, voorzien van Chicha, een lokaal gebrouwen drankje van donkere mais. Hoe opgegraven eten smaakt? Apart…

Dinsdag 15 mei 2012

Nas het ontbijt rijden we vandaag naar Cauchilla, dertig kilometer ten zuiden van Nazca. Onderweg stoppen we even bij een lokale begraafplaats. Niet één zoals in Ica, maar een stuk of vijftig, zestig kruizen in de droge grond, midden in de woestijn. Hier worden de doden begraven uit de kleine oase een klein eindje verderop. Ook Cauchilla zelf is een soort begraafplaats, maar dan één van meer dan 2.000 jaar oud. De graven die je hier vindt, stammen uit de Ica-Chincatijd, zo’n 1.000 jaar v.o.t.. De graven zijn ten prooi gevallen aan grafrovers, waardoor veel waardevolle spullen zijn verdwenen en de menselijke resten overal verspreid lagen. Archeologen hebben de graftombes min of meer hersteld door mummies en schedels weer een plekje in de graven te geven, maar het ziet er allemaal een beetje (te) gemaakt uit. Het is wel een bijzondere plek, meer dan 2.000 jaar oude graven in de brandende zon in zo’n desolaat landschap. Na Cauchilla rijden we naar Cahuachi, 25 kilometer ten westen van Nazca. Vanaf de Panamericana is dat bijna drie kwartier over een onverharde weg door de woestijn. Er komt hier bijna niemand, terwijl je er één van de oudste Nazca-opgravingen in Peru vindt. Hier stond ooit een indrukwekkende piramide, ook weer vlakbij een groene lagune. Een deel van de piramide is al uitgegraven en herbouwd (voor zover men weet hoe het er ongeveer uit moet hebben gezien) en er vinden nog steeds opgravingen plaats.

Aan het eind van de ochtend keren we terug naar ons hotel in Nazca, waar we een half uurtje later worden opgehaald om naar het busstation te gaan. We vertrekken vanmiddag met een openbare bus naar Arequipa, een reis van bijna tien uur. Gelukkig gaat dit per comfortabele dubbeldeks touringcar, met televisie en wi-fi aan boord. Ook de (warme) lunch is inbegrepen. Het eerste stuk van de rit gaat nog door de woestijn van zuid-Peru. Oneindige vlakten en heuvels van rotsen en zand, die zelden regen zien. Vervolgens rijden we weer over de Panamericana, langs de kust naar het zuiden, tot aan Camaná. Vanaf daar gaan we weer landinwaarts. Het is al donker als we de woestijn achter ons laten en omhoog rijden, de bergen in. De weg slingert zich omhoog en omlaag en is geheel onverlicht. Ook in de omgeving is nauwelijks verlichting te zien. Ik dood de tijd het bijwerken van m’n reisverslag en muziek luisteren en ik probeer wat te slapen (wat niet lukt). Om half één ’s nachts komen we (moe van de lange rit) aan in Arequipa.

Woensdag 16 mei 2012

Arequipa is met één miljoen inwoners de tweede stad van Peru en ligt op 2.400 meter hoogte, temidden van de besneeuwde bergtoppen van het Andesgebergte. In het centrum van de stad is alles op loopafstand van elkaar te vinden. Veel gebouwen zijn gemaakt van wit-grijze vulkaansteen (sillar genaamd) en Arequipa wordt daarom wel de cuidad blanca (de witte stad) genoemd. Het centrale plein is het Plaza de Armas, dat aan één zijde wordt gedomineerd door de kathedraal. De originele kathedraal werd in 1656 gebouwd en in 1844 door brand verwoest. Net toen hij weer was herbouwd werd de kathedraal in 1868 door een aardbeving opnieuw met de grond gelijk gemaakt. Het plein is in typisch Spaans-koloniale stijl gebouwd, met arcades, palmbomen, bankjes, duiven en een fontein in het midden. Het is een heerlijke plek om van het zonovergoten weer te genieten. We brengen ook een bezoek aan de lokale mercado, de overdekte markt voor vers fruit en groente, vlees, kaas, eieren en huishoudelijke artikelen. Na de lunch (de lokale specialiteit: rocoto relleno) loop ik nog wat door de straten rondom het Plaza de Armas (die zijn vergeven van de taxi’s), waarna ik een tijdje op een bankje op het gezellige plein ga zitten. Het is een relaxte dag zo, wat goed uitkomt, want morgen moeten we uitgerust zijn om verder de Andes in te gaan.

Donderdag 17 mei 2012

Na het ontbijt verlaten we Arequipa en rijden we verder de bergen in. De omgeving is ruig, er is weinig begroeiing (voornamelijk kaktussen) en in de verte liggen de besneeuwde bergtoppen van de Chachani, Misti en Picchu Picchu. Na ongeveer anderhalf uur bevinden we ons in de Reserva Nacional Salinas y Aguada Blanca, op een hoogvlakte (altiplano) op zo’n 4.200 meter boven zeeniveau. Het is een uitgestrekte vlakte waar hier en daar vicuña’s rondlopen (een aan de lama en alpaca verwant dier). Halverwege de rit stoppen we langs de weg om cocathee te drinken. Naar verluidt helpt deze van cocablaadjes gemaakte thee tegen hoogteziekte (ja, van cocablaadjes wordt ook cocaïne gemaakt, maar de thee heeft een iets minder heftig effect). Ook het kauwen op cocablaadjes helpt tegen hoogteziekte. De blaadjes smaken bitter en je tong raakt erdoor verdoofd, een echte aanrader vind ik het niet.

In het vervolg van de rit blijven we klimmen. We zien alpaca’s lopen (een soort kleine lama’s) en de vegetatie wordt minder en beperkt zich al snel tot gras en wat struikjes. Het hoogste punt van de pas waar we overheen moeten ligt op 4.900 meter. En dat voel je. Ik kamp met een lichte hoofdpijn en duizeligheid en ademhalen kost merkbaar meer moeite (anderen hebben nog meer last van de hoogte en voelen zich ronduit ziek). Op het hoogste punt staat een koude wind, maar de omgeving is prachtig en indrukwekkend. Eenmaal in Chivay, het eindpunt van vandaag, voel ik me weer wat beter. Chivay ligt op 3.600 meter en ik heb daardoor iets minder last van de hoogte. Het eten houdt het midden tussen een late lunch en een vroeg diner, waarna we onze intrek nemen in het hotel. Eind van de middag loop ik even het stadje in, over het centrale plein en de lokale markt, waar veel vrouwen in kleurige traditionele kleding lopen. Ik haal water en broodjes en loop met een paar reisgenoten nog even over de markt en langs wat winkeltjes. Als de zon eenmaal weg is, koelt het op deze hoogte snel af, dus ik ben op tijd terug in het hotel. Morgenochtend (weer) vroeg op.

Vrijdag 18 mei 2012

Al om zes uur vertrekken we naar de Colca Canyon, één van de grootste kloven ter wereld. De weg naar de kloof toe is al schitterend, dwars door de bergen met diepe valleien. De Colca Canyon (honderd kilometer lang, 1.000 tot 3.000 meter diep) is dieper dan de Grand Canyon in de Verenigde Staten, maar beslaat een minder uitgestrekt gebied. Het laatste stuk naar het eindpunt Cabanaconde lopen we langs de rand van de vallei. Het is een adembenemende omgeving, tussen de hoge vulkanen, waaronder de Coropuna (6.613 meter) en de Ampato (6.310 meter). Bij Cabanaconde bevindt zich de Cruz del Condor, een punt waar condors majestueus door de vallei vliegen. Na het bezoek aan de Colca Canyon hebben we een lange rit naar Puno voor de boeg. We rijden eerst terug naar Chivay, halen daar onze bagage en een lunchpakket op en rijden daarna over de eindeloze hoogvlaktes naar Puno. Veelal ver van de bewoonde wereld, zonder huizen of dorpjes en slechts een enkel meertje en wat alpaca’s tegen te komen. Aan het begin van de avond komen we aan in Puno, een klein, stoffig stadje in het zuiden van Peru en direct gelegen aan Lago Titicaca, oftewel het Titicacameer.

Zaterdag 19 mei 2012

Om negen uur vertrekken we naar de haven van Puno voor een bezoek aan de Uros-eilanden. Deze drijvende eilanden liggen in het Titicacameer, het hoogst bevaarbare meer ter wereld (3.800 meter). De Uros-bevolking maakt deze eilanden van riet dat in het meer groeit. De wortels vormen een soort sponsachtige materie die goed blijft drijven. Daarboven wordt het riet gelegd. Als je op de eilanden loopt, merk je dat ze een beetje meedeinen, een aparte ervaring. Van het riet worden ook de huisjes op de eilanden gebouwd en het wordt ook gegeten. De Aymara-sprekende Uros trokken zich ooit op de eilanden terug om zich van de Inca’s af te zonderen. Ze bewonen de eilanden nog steeds permanent, maar tegenwoordig vooral ten behoeve van het toerisme. We worden op één van de eilanden ontvangen en krijgen uitleg over hoe de eilanden worden gemaakt en hoe men hier leeft. Het is een tikje toeristisch allemaal, maar wel leuk om te zien en de boottocht over het meer is ook de moeite waard.

Ik lunch met een paar reisgenoten bij restaurant Mojsa, aan het Plaza de Armas in Puno (restaurant = aanrader!). Daarna stel ik voor om naar de Mirador del Condor te lopen, een uitkijkpunt op ongeveer 700 meter lopen vanaf het Plaza de Armas. Die 700 meter gaat echter bergopwaarts en we zitten hier op 3.800 meter hoogte. We zijn nog niet halverwege of ik ben al buiten adem en m’n hart gaat tekeer. Ongelooflijk hoe zwaar een kleine wandeling op deze hoogte is. Na zes (!) tussenstops om uit te hijgen bereiken we het uitkijkpunt. We worden beloond met een prachtig uitzicht over Puno en het Titicacameer. Het is voorlopig even onze laatste dag in Peru, morgenochtend vertrekken we naar Bolivia (maar we komen terug!).

Zondag 20 mei 2012

We vertrekken al vroeg naar de grens tussen Peru en Bolivia, een rit van ongeveer anderhalf uur, grotendeels langs het Titicacameer. Eenmaal bij de grens moeten we eerst naar het kantoor van de Peruaanse douane om een exitstempel te halen. Vervolgens lopen we de brug over naar de Boliviaanse kant van de grens. Daar moeten we een immigratieformulier invullen en een entrystempel halen. Het gaat erg snel allemaal, al moeten we wel even wachten, omdat onze reisleider moeite heeft om Bolivia in te komen. De douane doet moeilijk omdat ze eigenlijk niet willen dat Peruaanse reisleiders naar Bolivia komen. Met lang praten en het toeschuiven van wat geld (de lokaal gebruikelijke manier om iemand over te halen) kan ook onze Peruaanse reisleider de grens over. Bienvenidos a Bolivia!

Aan de Boliviaanse zijde van de grens gaat de klok een uur vooruit en staat de bus al op ons te wachten. Vanaf de grens is het nog een kleine twee uur naar La Paz (vaak gezien als de hoofdstad van Bolivia, maar de grondwettelijke hoofdstad van Bolivia is Sucre). De weg voert over de altiplano met de besneeuwde bergen van de Andes op de achtergrond. Vlak voor La Paz rijden we door El Alto, een voorstad van La Paz, die de laatste jaren echter zo gegroeid is dat de stad met één miljoen inwoners nu net zo groot is als La Paz zelf. Het is er een drukte van bedoening op straat. Anders dan El Alto (letterlijk: de hoogte) ligt La Paz is een vallei tussen de bergen in. Als je vanuit El Alto op de stad afrijdt, heb je een waanzinnig uitzicht over de stad, met de berg Illimani (6.414 meter) op de achtergrond. Iedere vierkante meter in de vallei is volgebouwd, tot tegen de berghellingen op.

Door het oponthoud aan de grens zijn we later in ons hotel dan gepland. Het hotel zit aan een straat die parallel loopt aan de centrale (winkel)straat van La Paz: El Prado. Nadat we de Peruaanse Soles hebben vervangen door Bolivianos (de lokale munt) hebben gehaald kunnen we gaan eten. We komen terecht in Sol y Luna, het restaurant van een Nederlander die een internationale kaart heeft, waarop ook typisch Nederlandse gerechten als hutspot en bitterballen prijken). Niet een plek waar ik zelf snel naartoe zou gaan, maar goed. Met een cocktail in het bargedeelte beneden merk je daar na afloop weinig meer van.

Maandag 21 mei 2012

La Paz is de grootste stad van Bolivia, zetel van de regering en het economisch centrum van het land. Het is een (relatief) moderne stad, met veel hoogbouw in het centrum. Ook de betere woonwijken bevinden zich hier (opvallend: in Europa en de Verenigde Staten bevinden de goede wijken zich juist vaak buiten het centrum). Het is een levendige stad, met veel verkeer dat zich door de smalle straten perst. In de spits is La Paz één grote file. De stad ligt op heuvels, waardoor de straten omhoog en omlaag lopen. Vooral omhoog is dat iedere keer weer flink klimmen. We beginnen vandaag echter net buiten de stad, in de Valle de la Luna (Maanvallei). Hier bevindt zich een geërodeerd landschap met bijzonder fotogenieke rotsformaties. Het lijkt alsof je je in een andere wereld begeeft, maar je bent er aan de rand van een miljoenenstad. Je kan helemaal tussen de rotsen doorlopen en -klimmen, over smalle en allesbehalve vlakke paden (verwacht geen hekjes of andere veiligheidsmaatregelen).

Lopen is toch de beste manier om het dagelijks leven van een stad te ervaren, dus na de Valle de la Luna gaan we de stad verkennen. We beginnen in het oude koloniale deel van het centrum, ten noorden van El Prado. Hier lopen smalle keienstraatjes tegen de bergen op. Aan Plaza Murillo, het centrale plein van deze wijk, staan de kathedraal en het presidentieel paleis. De kathedraal staat tegen een heuvel gebouwd, waardoor de voorkant maar liefst twaalf meter hoger ligt dan de achterkant. Ook het felgele presidentieel paleis (met zowel een oversized Boliviaanse vlag als de geblokte vlag van de Aymara) is een blikvanger aan het verder gezellig drukke plein. In de straatjes aan de andere kant van El Prado zitten veel souvenirwinkeltjes. Ook vind je hier de Mercado de Hechicería (letterlijk: heksenmarkt). Hier verkopen de winkeltjes en stalletjes op straat geneeskrachtige kruiden en middeltjes die volgens de Aymaratraditie geluk brengen. Het meest bizarre middeltje is lama-foetussen, die je onder de hoeksteen van je huis moet begraven als een soort offer. Dat brengt het huis geluk.

Verder is alles hier te krijgen: je hebt hele straten met uitsluitend kapsalons en straten met alleen maar winkels waar je stekkers kan kopen. Wat opvalt is dat je hier overal Quechua- en Aymaravrouwen in traditionele kleding ziet lopen. Die traditionele kleding bestaat uit kleurige jurken en opvallende hoog op het hoofd staande bolhoedjes. Ook na de lunch slenteren we door de straatjes. Aan het eind van de middag gaan we wat drinken bij Club de La Paz, één van de oudste drinkgelegenheden van de stad, waar vrijwel alleen maar lokale mensen komen. Daarna haal ik bij een panaderia (broodjeszaak) vlakbij het hotel broodjes voor morgen onderweg. Dan staat namelijk de lange rit naar Uyuni op de agenda.

Dinsdag 22 mei 2012

Bolivia is het armste land van Zuid-Amerika, 64 procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Vooral op het platteland (waar maar liefst tachtig procent onder de armoedegrens leeft) hebben mensen geen elektriciteit, riolering en stromend water. In de steden is men rijker en beschikt men over de meeste moderne gemakken, maar in veel opzichten is Bolivia een ontwikkelingsland. Sinds de verkiezing van Evo Morales tot de eerste president van inheemse afkomst (in 2006) is er meer aandacht voor de verbetering van de leefomstandigheden van de armen en de positie van de Aymara- en Quechua-bevolking, die zestig procent van de bevolking vormen.

We vertrekken al vroeg uit La Paz voor de lange rit naar Uyuni. In vier uur rijden we door grotendeels lege vlakten naar Oruro, het enige stadje in de weide omgeving, waar we lunchen. De eerste anderhalf uur daarna gaat de rit nog over een asfaltweg richting het zuiden van Bolivia, daarna hobbelen we vier uur lang over een onverharde weg over de altiplano. Als je uit het raam kijkt, zie je niets dan uitgestrekte vlakte met weinig begroeiing en slechts wat heuvels in de verte, onder een strakblauwe lucht. Omdat de omgeving zo vlak is, heb je niet echt het idee dat je je op 3.600 meter boven zeeniveau bevindt. Het is een lange, maar mooie rit. Het kale landschap is zeker niet de hele tijd saai. Het ene moment komt je langs grazende lama’s en alpaca’s, het volgende moment passeer je kunstzinnig geërodeerde rotsformaties. Hier stoppen we even om benen te strekken. We klimmen de rotsen op, vanwaar je een weids uitzicht hebt over de omgeving. Aan de voet van de rosten staat het kleine huisje van een Aymarafamilie, die de lama’s en alpaca’s aan de andere kant van de weg verzorgt (en verkoopt voor het vlees). De totale reis naar Uyuni duurt twaalf uur en het is al donker als we in het geïsoleerd liggende dorpje in het zuiden van Bolivia aankomen. Het kan hier ’s nachts erg koud worden, tot onder het vriespunt en de kamers van het hotel hebben geen verwarming (net als op veel andere plaatsen). Wel goede dikke dekens gelukkig.

Woensdag 23 mei 2012

Na de lange reis van gisteren bezoeken we vanochtend in de buurt van Uyuni een treinkerkhof. Midden in het desolate landschap staan oude verroeste locomotieven en wagons, ontdaan van al hun bruikbare onderdelen. Fotogeniek, maar ook wel wat bizar. Vervolgens rijden we naar Colchani, een klein dorpje, waar ze, behalve van de toeristen, leven van de zoutwinning. Het in de omgeving gewonnen zout wordt hier met de hand gedroogd, vermengd met jodium en verpakt voor de handel. Heel apart is het feit dat hier ook huizen zijn gebouwd van zout. Door zout in mallen te stoppen en te laten drogen, ontstaan een soort ‘bakstenen’ van zout, waarmee je muren kan bouwen. Het moet alleen niet te hard gaan regenen, want dan zakt je huis in elkaar. Ik loop ook nog even door het dorpje heen. Net als zoveel kleine dorpjes die ik onderweg heb gezien, is het allemaal erg armoedig en stoffig. Kleine huisjes met muren van klei (of zout dus), met daken van riet of golfplaat, geen verharde straten, veel huisjes die niet af zijn of half afgebroken. Het stelt allemaal weinig voor en de mensen leven hier erg eenvoudig.

Hierna staat één van de hoogtepunten van deze reis op het programma: Salar de Uyuni. Tot 25.000 jaar geleden bevond zich hier een grote binnenzee: Lago Minchín. Toen begon het (zoute) water in de zee te verdampen en wat overbleef waren twee kleine meren en wat nu Salar de Uyuni heet: een zoutvlakte van maar liefst 12.106 vierkante kilometer. Jaarlijks wordt aan de rand van deze vlakte 20.000 ton zout gewonnen (grotendeels bestemd voor consumptie). Maar bovenal is Salar de Uyuni één van de meest bijzondere plekken op aarde. Een eindeloze witte vlakte, met slechts een paar bergen in de verte en een strakblauwe lucht die scherp afsteekt tegen het wit van de salar. Het is een surrealistische plek, alsof je je op een andere planeet bevindt. Met fourwheeldrives rijden we over de zoutvlakte, alsof je door een woestijn van zout rijdt, met een toch niet geringe snelheid van negentig kilometer per uur, en toch kilometer na kilometer niets dan die witte vlakte. We hebben geluk: twee weken geleden regende het hier nog (het regenseizoen is net afgelopen) en toen was de salar onbegaanbaar. Midden in dat niets ligt dan ineens een heuvel, bestaande uit versteend koraal, die ooit op de bodem van de binnenzee lag en nu bezaaid is met metershoge kaktussen. De heuvel wordt la isla genoemd, het eiland. De kaktussen groeien één centimeter per jaar, de grootste is negen meter en dus al 900 jaar oud. Je kan de heuvel beklimmen en bovenop heb je (behalve ademnood, we zitten immers nog steeds op 3.600 meter) een fantastisch uitzicht over de omgeving. Zoutvlakte zo ver als je kan kijken, hier en daar een luchtspiegeling aan de horizon. De metershoge kaktussen contrasteren prachtig met de witte zoutvlakte op de achtergrond. Het is een waanzinnig mooie plek en heel indrukwekkend.

Donderdag 24 mei 2012

Om negen uur vertrekken we uit Uyuni. De onverharde weg slingert zich langs de bergen omhoog. We brengen een bezoek aan Pulacayo, een oud mijnstadje, gebouwd rond een zilvermijn. Na het sluiten van de mijn veranderde Pulacayo in een spookstadje. Je vindt er oude treinen en vervallen fabriekshallen en huisjes. Twee jaar geleden is de mijn heropend en nu wonen er weer 200 mensen in Pulacayo, dat echter nog voor een groot deel de sfeer van een spookstadje ademt.  Hoewel de zon schijnt, staat er een ijskoude wind. Het vervolg van de weg leidt ons vandaag niet over de altiplano, maar door de bergen van de Andes. Een ruige omgeving, waar niemand woont en je nauwelijks verkeer tegenkomt. Om vier uur ’s middags komen we aan in Potosí. We maken ons wegwijs in het stadje (in het centrum van Potosí is alles op loopstand van elkaar) en gaan eten in restaurant Potocchi, een klein restaurantje gerund door een familie, waar het bijna is alsof je bij iemand thuis eet. We zijn ook de enige gasten, maar het is erg gezellig en het eten is superlekker (om een idee te geven: voor een maaltijd betaal je in Bolivia ongeveer zestig Bolivianos, omgerekend zes euro. In Peru is alles iets duurder, maar naar westerse maatstaven nog steeds goedkoop).

Vrijdag 25 mei 2012

Vandaag zijn we de hele dag in Potosí. Nadat ik boodschappen heb gehaald, loop ik de stad in. Het is zonnig, maar wel fris. Potosí heeft ongeveer 150.000 inwoners en ligt op 4.070 meter boven zeeniveau. Daarmee is het de hoogst gelegen stad ter wereld. Potosí is gesticht in 1545, nadat in de naastgelegen berg Cerro Rico (rijke berg) zilver was gevonden. Het zilver is door de Spaanse veroveraars aangewend om de Spaanse schatkist te spekken. Door de zilvermijnen werd Potosí werd al snel de grootste en rijkste stad van het Amerikaanse continent. Het resultaat is een vriendelijke stad met fraaie koloniale gebouwen (met typerende houten overdekte balkons) en een ongewoon groot aantal van tachtig kerken. Vier eeuwen lang is er zilver uit de mijnen gehaald. De lokale bevolking moest het zware, ongezonde en gevaarlijke werk doen en de Spanjaarden haalden ook slaven uit Afrika naar Potosí om in de mijnen te werken. Mijnwerkers werkten twaalf uur per dag en verbleven soms maanden onafgebroken in de mijnen. De meesten stierven uiteraard een vroege dood. In de negentiende eeuw was het zilver zo goed als op. Nu wordt er tin, zink en lood uit de Cerro Rico gehaald. De werkomstandigheden zijn er echter nauwelijks veranderd.

Het hart van Potosí is het Plaza 10 de Noviembre, een gezellig plein waar de lokale bevolking op bankjes in de zon zit. Eén kant van het plein wordt gedomineerd door de kathedraal, de andere zijde door El Cabildo, het voormalige stadhuis van Potosí. Vlakbij het plein bevindt zich ook de Casa Nacional de Moneda, waar vanaf halverwege de achttiende eeuw de koloniale zilveren munten werden geslagen. Het gebouw, met muren van een meter dik, heeft ook dienst gedaan als gevangenis en hoofdkwartier van het Boliviaanse leger. Het is een mooi gebouw, met een binnenplaats met fontein en een groot masker van Bacchus (om onbekende reden later aangebracht). Op straat is het gezellig druk. Behalve vrouwen die boodschappen doen lopen er ook veel scholieren en studenten van de lokale universiteit. Ik wandel door de straatjes van het oude centrum en ga rond lunchtijd aan een tafeltje zitten bij Café La Plata aan het Plaza 10 de Noviembre. Na de lunch ruil ik het tafeltje in voor een bankje op het plein in de zon. Na een relaxte middag gaan we ’s avonds eten bij restaurant 6040, waar ze lekker eten hebben en goede cuba libres schenken.

Zaterdag 26 mei 2012

Vandaag is weer een reisdag. We vertrekken al vroeg uit Potosí om in één keer (met alleen twee toiletstops) terug te rijden naar La Paz. In de bus doe ik niet veel meer dan muziek luisteren en wegdommelen (ben duf na een korte nacht). Tegen vijf uur ’s middags komen we aan in ons inmiddels vertrouwde hotel in La Paz. Ik loop even langs de panaderia één straat verder om broodjes en water te halen voor morgen en daarna ga ik met een paar reisgenoten eten bij restaurant La Luna’s, wat een goede keuze blijkt.

Zondag 27 mei 2012

In vier uur rijden we van La Paz naar Copacabana. Dit kleine stadje aan de zuidkant van het Titicacameer (dat op de grens van Peru en Bolivia ligt) heette al zo voordat het beroemde strand in Rio de Janeiro dezelfde naam kreeg. Copacabana ligt ingeklemd tussen twee heuvels, direct aan het Titicacameer. Het meer is het enige water van betekenis in Bolivia. In 1879 verloor Bolivia een oorlog met Chili en moest het land een aanzienlijk deel van haar grondgebied opgeven, waaronder een deel dat aan de Pacific lag. Sindsdien heeft Bolivia geen kust meer.

Er is deze zondagmiddag een levendige markt in het stadje. Ook hier lopen veel vrouwen in traditionele kleding (zij worden cholas genoemd). Ik ga ook even kijken bij de oever van het meer, waar een hele rij eettentjes staat en waterfietsen worden verhuurd (die eruit zien alsof afkomstig zijn uit een attractiepark ergens in Nederland in de jaren zeventig van de vorige eeuw). Op het centrale plein, Plaza 2 de Febrero, staat een witte kathedraal. Daarvoor vindt een apart ritueel plaats: je kan hier je auto laten zegenen. De te zegenen auto wordt versierd met enkele bloemstukken en kransen, besprenkeld met bloemblaadjes en vervolgens wordt er een  fles (gewijd?) water over de auto leeggegoten. De ceremonie (waarvoor men in de rij staat) moet geluk brengen in het verkeer en de inzittenden van de auto beschermen.

Ik trakteer mezelf op een ijsje (denk: magnum met mintijs), haal boodschappen op de lokale markt en ga op een bankje op Plaza 2 de Febrero twee uurtjes in de zon zitten lezen. Op de andere bankjes zitten lokale mannen en vrouwen, er staan ijscokarretjes en af en toe lopen er een paar toeristen voorbij. Het is een relaxte middag zo. Aan het eind van de middag loop ik naar de oever van het Titicacameer. Voorbij het eind van de wandelpromenade ga ik op een wankel steigertje zitten totdat de zon ondergaat.

Maandag 28 mei 2012

In een propvol minibusje rijden we in een kwartiertje van Copacabana naar de grens van Peru en Bolivia. We zijn de enigen die hier op dit tijdstip de grens over willen en dus hebben we in no time ons Boliviaanse exitstempel. We lopen de grens over en vullen aan Peruaanse zijde weer een immigratieformulier in. Weer een stempel rijker en zonder dat ook maar iemand naar onze bagage heeft gekeken, stappen we even later in de bus die ons naar Cuzco zal brengen. We zijn nog geen half uur onderweg of we horen een klap. De buschauffeur trapt op de rem en zet de bus stil. Klapband. De chauffeur en zijn hulpje vervangen ter plaatse het linker voorwiel, terwijl het langsrazende verkeer geen rekening houdt met de half op de weg staande bus met pech (bijna niemand mindert vaart). In een kwartiertje zit het reservewiel onder de bus en kunnen we verder.

Het is weer een lange rit vandaag. Onze bestemming is Cuzco. Naarmate we noordelijker komen, verandert het landschap. De bergen worden groener, er staan meer bomen en de temperatuur stijgt. De reden: de hoogte. Cuzco ligt op 3.300 meter, lager dan waar we de afgelopen week zijn geweest. Om vier uur vormt de late lunch / het vroege diner een welkome onderbreking van de busrit. Vier uur later komen we aan in Cuzco. Het is nog een klein stukje lopen naar ons hotel, waar we worden opgewacht door iemand die met ons de details doorneemt van de ‘Incatrail’, die we donderdag zullen gaan lopen. De trail en het bezoek aan Machu Picchu is het laatste hoogtepunt van deze reis.

Cuzco, dat toen werd geschreven als Qosq’o, wat in de Incataal Quechua zoveel betekent als ‘navel van de wereld’, was het centrum van het ooit zo machtige Incarijk. De Incacultuur begon rond het jaar 1.100 in het zuiden van de Andes en hun leefomgeving beperkte zich lange tijd tot Cuzco en omgeving, maar achtereenvolgende koningen (Inca in Quechua) breidden hun rijk uit gestaag uit. Op het hoogtepunt van de macht van de Inca’s omvatte hun hun rijk een gebied dat zich uitstrekte tot Quito (in het huidige Ecuador) in het noorden tot het huidige Santiago (de hoofdstad van Chili) in het zuiden. De Inca’s waren een zeer georganiseerd en vooruitstrevende beschaving, wiens bouwstijl nog steeds tot de verbeelding spreekt. Maar ter nuancering van het romantische beeld dat tegenwoordig van de Inca’s bestaat: in het Incarijk was sprake van een absolutistisch regime, met een sterk leger en alle macht lag bij de koning. De Inca’s kenden sterk gescheiden sociale klassen, voerden vele veroveringsoorlogen en menselijke offers waren niet ongebruikelijk. In 1532 kwamen de Spaanse conquistadores onder leiding van Francisco Pizarro aan in Peru. In de veroveringsstrijd die volgde, werden honderdduizenden Inca’s gedood, hun goud en zilver gestolen en gebouwen en huizen verwoest om plaats te maken voor koloniale gebouwen en kerken.

Dinsdag 29 mei 2012

Ons hotel in Cuzco ligt in de wijk San Blas, een paar minuten lopen ten noorden van het centrale plein Plaza de Armas. Aan de noordkant van Plaza de Armas staat La Catedral, waarvan de bouw in 1559 begon en honderd jaar duurde. De kathedraal is gebouwd op de fundamenten van een oud Incapaleis, dat door de Spanjaarden met de grond gelijk werd gemaakt. De Spanjaarden sloopten ook een nabijgelegen Incavesting, Sacsaywaman, en gebruikten de stenen van die plek om de kathedraal te bouwen. Om vervolgens hun katholieke geloof aan de Inca’s op te dringen. Plaza de Armas was ook in de Incatijd al het centrale plein van Cuzco. Nu wordt het gezellige en mooi aangelegde plein met bankjes en een grote fontein omgeven door Spaanse koloniale gebouwen met arcades. In de omgeving van het plein vind je nog diverse resten uit de Incatijd. Zo vind je in de straat Hatunrumiyoc een oude muur, gemaakt van grote stenen die zonder cement een stevige muur vormen. De stenen hebben verschillende maten en vormen, maar passen perfect in en tegen elkaar. De muur was ooit onderdeel van het paleis van de zesde Inca. In de autovrije straat Loreto staan aan beide zijden ook oude Incamuren, typisch naar binnen hellend om voor stevigheid te zorgen. De muren zijn bewust bewaard gebleven (de Spanjaarden wilden blijkbaar toch niet alles wat de Inca’s hadden gemaakt, verwoesten) en maken nu deel uit van moderne gebouwen.

Via Plaza de Armas loop ik naar het Museo Inca. Voor de meeste bezienswaardigheden in Cuzco (kerken, musea, opgravingen) heb je een boleto turístico nodig, een gecombineerd toeristenkaartje, dat toegang geeft tot al deze bezienswaardigheden, maar voor sommige, zoals het Museo Inca, niet. Het is het beste museum als je een indruk wilt krijgen van de geschiedenis en leefwijze van de Inca’s. De glorietijd van de Inca’s viel grofweg samen met de late middeleeuwen in de ‘oude wereld’. Als je de gebruiksvoorwerpen, kleding, sieraden en dergelijke in het museum ziet, valt op hoeveel gelijkenis er is met de traditionele kleding die je nu nog steeds overal in Peru ziet. De kleding van de vrouwen op straat hebben dezelfde kleuren en motieven als de kleding van toen. De Inca’s zijn zich altijd bewust gebleven van hun identiteit. Na de verovering van het land door de Spanjaarden is de Incacultuur blijven voortleven en de laatste jaren is ze zelfs weer in opkomst. Ook de bouwstijl van nu vertoont met name op het platteland overeenkomsten met de wijze waarop de Inca’s hun huizen bouwden. De afgelopen weken zijn we op het platteland veel huisjes tegengekomen die, met steen of klei en met een rieten dak, gebouwd zijn tegen de binnenzijde van een omringende muur. Zo bouwden ze in de Incatijd ook al.

Plaza de Armas is niet het enige plein van Cuzco: al rondlopend ontdek ik dat de stad vele pleinen en pleintjes heeft. Via de Calle de Medio kom je van het Plaza de Armas op het Plaza Regocijo (ook met fontein en het terras van restaurant Los Portales, waar je prima kan lunchen, de trucha a la plancha is een aanrader) en even verderop ligt het Plaza San Francisco, genoemd naar de gelijknamige kerk. Al die pleinen, waar lokale bewoners tijd doorbrengen, geven de stad een gezellige sfeer. Behalve Cuzqueños (inwoners van Cuzco) zijn er ook (erg) veel toeristen in de stad. Cuzco is immers niet alleen het centrum van het oude Incarijk, maar ook dé uitvalsbasis voor het bezoeken van Machu Picchu, waar iedereen die Peru bezoekt, naartoe wil. De eeuwenoude straatjes van de wijk San Blas zijn in de afgelopen eeuwen nauwelijks veranderd (auto’s passen er maar net doorheen). De keienstraatjes lopen bergopwaarts (iedere keer weer een aardige klim) naar het Plaza San Blas, bij het gelijknamige witte kerkje. Overal in deze levendige stad wordt je als toerist voortdurend aangesproken, door schoenpoetsers, masseuses, sieraden- en vingerpopverkopers en ga zo maar door. Desondanks is Cuzco een erg prettige stad om te verblijven, een moderne stad, maar met een onmiskenbaar aanwezige historische sfeer.

Woensdag 30 mei 2012

Vandaag is een inspannende, maar ook indrukwekkende dag. We bezoeken de Valle Sagrado (heilige vallei), waar de rivier Urubamba tussen de bergen van de Andes stroomt. De Valle Sagrado is een prachtige omgeving, waar je diverse Incasites vindt. Als eerste bezoeken we Moray (waar we om onbegrijpelijke reden de enige bezoekers zijn). In Moray zijn cirkelvormige terrassen gevonden die als een soort amfitheater naar beneden lopen. De terrassen werden waarschijnlijk gebruikt om gewassen te telen op verschillende hoogten (en daarmee verschillende klimaatzones). Heel apart hoe de Inca’s dit hebben gedaan. Je kan helemaal in de cirkel afdalen, wat een heel geklauter is, via stapstenen die de Inca’s in de terrasmuren hebben aangebracht. De weg terug naar boven is door de hoogte waarop we ons bevinden nog zwaarder.

Na Moray bezoeken we de salinas. Dit zijn zoutpannen die tegen de bergen zijn aangelegd. Ze doen denken aan de leerververijen in Fez (Marokko). Vanuit een bron bovenop de berg, waar zeer zout water uitkomt, worden stroompjes naar de zoutpannen geleid. Zodra het water verdampt, wordt het zout gewonnen. De wit uitgeslagen zoutpannen vormen een vreemd contrast met de groene berghellingen. Heel apart. Vanaf de salinas wandelen we naar beneden, door de vallei. Zoals gezegd een prachtige omgeving. Onze derde stop is Ollantaytambo, een oud stadje dat al sinds de dertiende eeuw door Inca’s wordt bewoond. Het stadje met z’n oude huisjes in Incastijl is goed bewaard gebleven. In de nauwe straatjes met keien vind je diverse eeuwenoude muren, gebouwd van grote, perfect op elkaar passende stenen. Het is alsof je terug gaat in de tijd.

Aan de andere kant van de rivier Urubamba in Ollantaytambo liggen, tegen de berg op, de ruïnes van een oude Incavesting. Het moet ooit een immens complex zijn geweest, waarvan alleen de funderingen, delen van muren en de trappen bewaard zijn gebleven. De vesting was zo sterk en strategisch tegen de berg gelegen, dat de Spanjaarden de grootste moeite hadden om het te belegeren. Via de oude trappen kan je helemaal naar boven klimmen. Door de hoogte is dat een zware klim, die een rustig tempo vereist, maar het is de moeite waard. Het is een zeer indrukwekkende locatie, zeker als je bedenkt dat de Inca’s met de hun beschikbare middelen de enorme rotsblokken waarmee de vesting is gebouwd, naar boven moesten slepen (nadat ze met de hand op maat en perfect passend waren gemaakt).

Na de lunch rijden we naar Pisac. Ook hier ligt een oude Incavesting, bovenop een berg, met diepe valleien aan beide zijden. Pisac was een ceremonieel centrum van de Inca’s en een dele ervan staat nog steeds overeind. Het wordt omgeven door terrassen waar gewassen werden verbouwd. Van en naar de citadel lopen diverse oude Incapaden. Sommige zijn tamelijk stijl en de meeste tamelijk smal. De (inspannende) wandeling over deze paden is prachtig, met weids uitzicht over de vallei. Ook hier is de bouwstijl van de Inca’s goed te zien, met naar binnen hellende muren en trapeziumvormige ramen en deuren. De Inca’s hadden geen schrift en gebruikten geen geld. In plaats daarvan ruilden ze goederen met elkaar. Dit gebruik bestaat nog steeds: in de kleine dorpjes in de Valle Sagrado gaan families nog steeds naar de markt om producten (aardappelen, groente, etc.) met elkaar te ruilen.

Aan het begin van de avond zijn we terug in Cuzco, na een enerverende dag. De avond gebruik ik om me voor te bereiden op morgen: het lopen van de ‘Incatrail’ naar Machu Picchu.

Donderdag 31 mei 2012

Eerst even iets rechtzetten: dé ‘Incatrail’ bestaat niet. De Inca’s gebruikten naar schatting zo’n vierhonderd routes tussen de diverse dorpen, steden en vestingen op hun omvangrijke grondgebied. Gisteren hebben we in de Valle Sagrado ook over dergelijke Incapaden gelopen. Wat tegenwoordig wordt aangeduid als ‘de Incatrail’ is slechts één van die routes, maar toegegeven, wel één van de belangrijksten. Het is immers de route naar de belangrijke Incastad Machu Picchu. De trail is streng gereguleerd, dagelijks krijgen slechts tweehonderd mensen toegang tot de route (je moet maanden van tevoren boeken als je de trail wilt lopen).

Vanuit Cuzco rijden we eerst per bus naar Ollantaytambo. Vanaf daar nemen we de trein naar ‘kilometer 104’. De trein van Perurail is mooi (hoog en ruim, met panoramadak) en koffie en snacks zijn bij de prijs inbegrepen. ‘Kilometer 104’ is geen station: we (dat wil zeggen: negen wandelaars en twee gidsen) worden gewoon langs het spoor gedropt. Vanaf hier zullen we (goed ingesmeerd tegen zowel muggen als de zon) de veertien kilometer lange trail gaan lopen. De eerste tweeënhalf uur van de trail lopen bergopwaarts. Het eerste stuk is goed te doen, het is te merken dat we lager zitten dan in Cuzco (op zo’n 2.200 meter). Een groot deel van de tijd lopen we in de zon, maar gelukkig zijn er ook stukken met schaduw, want het is erg warm. Het pad loopt langs de bergen omhoog en onderweg heb je een prachtig uitzicht over de vallei en de bergen aan de andere kant. Het is een spectaculaire omgeving. We stoppen geregeld om op adem te komen en water te drinken. Ook hebben we een lunchpakket gekregen, waarin behalve brood en fruit ook energy bars, zoute koekjes, chocola en water zit (prima verzorgd dus).

Naarmate we hoger komen, merk je dat de lucht ijler wordt en het omhoog lopen zwaarder. Na tweeënhalf uur komen we bij Wiñay Wayna. We worden begroet door twee nieuwsgierige lama’s die hier de boel in de gaten houden. Wiñay Wayna is een voormalige Incavesting (naar verluidt vernoemd naar een bloem), die schitterend tegen een berghelling is gebouwd, met een adembenemend uitzicht over de vallei. Wat een plek om te lunchen! Na Wiñay Wayna lopen we verder. Ons doel: Intipunku (zonnepoort). Het pad loopt nu afwisselend omhoog en omlaag. Omlaag is niet per se makkelijker: het oneffen pad met grote stenen vormt een aanslag op je knieën. We lopen nu aan de schaduwzijde van de bergen. Het uitzicht blijft genieten, maar langzaam maar zeker begin je je wel af te vragen hoe ver het nog is. Vanaf Wiñay Wayna is het ongeveer anderhalf uur lopen naar Intipunku. Als je er bijna bent, moet je een steile trap op. Die trap is killing en als je boven komt blijk je, in tegenstelling tot wat je (mede door een misleidend bordje) verwacht, nog niet bij Intipunku te zijn. Je moet nog om de volgende berg heen. Uiteindelijk komen we om vier uur bij Intipunku aan. Samen met een reisgenoot ben ik de eerste die de zonnepoort bereikt, de andere zeven wandelaars zullen binnen een kwartier volgen.

Als je bij Intipunku aankomt, zie je Machu Picchu voor het eerst liggen. Van bovenaf, met de bergen op de achtergrond. Het uitzicht op de oude Incastad is de welverdiende beloning na uren klimmen, zweten en toch ook wel een beetje afzien. Het is een geweldige ervaring en je hebt echt een gevoel van ‘Yes, we made it!’. Omdat de zon recht tegenover ons aan het zakken is, is Machu Picchu vanaf Intipunku lastig te fotograferen, maar dat is geen probleem, want we zijn nog niet aan het eind van de trail. Vanaf Intipunku lopen we nog een uur verder, grotendeels naar beneden, naar de zogeheten Hut of the Caretaker of the Funerary Rock. Vanaf hier heb je een waanzinnig mooi uitzicht op Machu Picchu (bij Intipunku zie je de oude Incastad voor het eerst, maar hier heb je het beste beeld). Omdat het vijf uur ’s middags is, heeft vrijwel iedereen Machu Picchu al verlaten; de Incastad ligt er dus verlaten bij. Het is een ongelooflijk mooi beeld en een indrukwekkende ervaring om hier te staan.

In een half uur rijden we (per bus) naar het dorpje Aguas Calientes, aan de voet van de berg. Hier zullen we vanavond eten en overnachten. Maar eerst ga ik douchen…

Vrijdag 1 juni 2012

In het dorpje Aguas Calientes verzamelt iedere ochtend om half zes (!) een menigte toeristen zich, om in alle vroegte met bussen naar Machu Picchu te worden vervoerd. Iedereen hoopt de oude Incastad bij zonsopkomst te kunnen bewonderen. Ook wij staan al vroeg in de rij voor de bus en een half uur later staan we wederom in de rij bij de ingang van Machu Picchu. Eenmaal binnen (leuk detail: je krijgt desgewenst een stempel van Machu Picchu in je paspoort) verspreidt iedereen zich en valt het met de drukte eigenlijk wel mee (ook het aantal bezoekers van Machu Picchu is beperkt, tot tweeduizend per dag). Het is nog mistig en bewolkt (we zijn immers in de bergen), wat Machu Picchu een mysterieuze aanblik geeft. Als de zon langzaam boven de bergen uitkomt, verandert de temperatuur en zie je de mist en wolken razendsnel oplossen. Ineens komt de oude Incastad uit de mist en wolken tevoorschijn, wat prachtige plaatjes oplevert.

De Spanjaarden zijn nooit in Machu Picchu geweest. De Incastad lag er verlaten bij en raakte overwoekerd door de jungle, totdat de Amerikaanse historicus Hiram Bingham de stad in 1911 ontdekte (terwijl hij eigenlijk op zoek was naar een andere verloren stad: Vilcabamba). De vervallen stad, ooit politiek, religieus en zakelijk centrum binnen het rijk van de Inca’s, werd van de begroeiing ontdaan, de meest waardevolle spullen verdwenen naar de Verenigde Staten en de ruïnes ontwikkelden zich tot dé bezienswaardigheid van Peru.

We krijgen een rondleiding door onze gids, die in anderhalf uur vertelt wat wat is en uitleg geeft over de bouwstijl van de Inca’s en de technieken die ze gebruikten. Over de muren die schuin lopen om aardbevingen te weerstaan en de trapeziumvormige ramen en deuren die (naar analogie van als je je benen uit elkaar plaatst) steviger zijn dan rechte openingen. En over de uitsteeksels aan de stenen, waaraan de houten palen voor het rieten dak werden bevestigd. Het op maat maken van de stenen voor de muren nam drie á vier weken tijd per steen in beslag (het bouwen van een Incastad duurde vele jaren). Ook zie je hier overal de irrigatiekanalen, waarmee stroompjes van bovenop de berg op ingenieuze wijze overal naartoe werden geleid.

Na de rondleiding kunnen we Machu Picchu nog op eigen gelegenheid bekijken. Maar we nemen eerst even de tijd voor een kop koffie. De kilometers van gisteren zitten nog in onze benen. Nadat we nog wat hebben rondgekeken, naar een iets verderop gelegen Incabrug zijn gelopen (een mooie wandeling, maar de brug zelf is eigenlijk niet meer dan twee planken op een muurtje) en vanuit zo’n beetje iedere hoek van het indrukwekkende uitzicht op Machu Picchu hebben genoten, keren we halverwege de middag terug naar Aguas Calientes. Het bezoek aan de oude Incastad is zoals verwacht absoluut het hoogtepunt van Peru.

We hebben nog een paar uurtjes te besteden voordat we met de trein terug zullen gaan naar Cuzco. We gaan eten bij IndiFeliz, het restaurant van een Fransman. Aguas Calientes is vergeven van de toeristenrestaurants, waar het eten maar matig is, maar IndiFeliz onderscheidt zich daarvan, met supergoed eten (aanrader!). In twee uur rijden we met de trein terug naar Ollantaytambo, waarna we nog ruim anderhalf uur per minibus naar Cuzco rijden. Omdat de chauffeur van de minibus niet iedereen kan vinden, duurt het even voordat we kunnen gaan rijden. We hebben een lange dag achter de rug en zijn moe, dus we willen graag naar het hotel en slapen, en na enige ophef en vertraging kunnen we gaan. Om half elf zijn we terug in ons vertrouwde hotel in Cuzco.

Zaterdag 2 juni 2012

Deze laatste volle dag in Cuzco slaap ik uit en doe ik rustig aan. Het is prachtig weer (zonnig en een graad of 25). Het is ongelooflijk, maar we hebben echt de héle reis, iedere dag mooi weer gehad. Ik wandel op m’n gemak de stad door, loop wat winkeltjes in en uit, nog nagenietend van de Incatrail en het bezoek aan Machu Picchu, en ik ga een tijdje op het Plaza de Armas op een bankje in de zon zitten lezen. Het verschil tussen het leven op het platteland en in de stad is in Peru toch wel erg groot. Cuzco is een moderne stad, met internetcafés, goede restaurants en een levendig uitgaansleven. Anders dan op veel andere plaatsen zie je in Cuzco geen vrouwen in traditionele kleding op straat. Rond lunchtijd ga ik met een paar reisgenoten eten bij restaurant Cicciolina (ook een aanrader!) en de middag verloopt al net zo relaxed als de ochtend. Als aan het eind van de middag de zon achter de bergen zakt, wordt het al snel frisser. Ik loop terug naar het hotel. Omdat het de laatste avond van de reis is, is er vanavond een afscheidsdiner gepland.

Zondag 3 juni 2012

De laatste dag van deze reis staat in het teken van de terugreis. Ik slaap uit, douche en pak m’n bagage in. Ik ontbijt samen met een reisgenote bij Cicciolina (het ontbijt is al net zo goed als de lunch gisteren). Op de binnenplaats van ons hotel ga ik een tijdje zitten lezen, waarna we om één uur verzamelen om naar het vliegveld van Cuzco te gaan. Om half vier vertrekt onze vlucht van iets meer dan een uur, met de lokale luchtvaartmaatschappij LAM, naar Lima. Op de luchthaven van Lima hebben we nog even tijd om (taxfree) te shoppen, waarna ik afscheid neem van m’n reisgenoten en me bij de gate meld voor de terugvlucht naar Amsterdam. Met een klein uurtje vertraging stijgen  we iets na negen uur op en na een comfortabele vlucht (ik slaap zelfs een beetje, wat niet vaak gebeurt) landen we op maandagmiddag om even na half vier lokale tijd op Schiphol. Daarmee komt een einde aan een geweldig mooie en indrukwekkende reis van drie weken door Peru en Bolivia.