Australië

6 – 31 oktober 2013

“It is the only island that is also a continent and the only continent that is also a country.” – Bill Bryson

Van Leiden naar Sydney

Eerst maar even wat feitjes: Australië is in grootte het zesde land ter wereld en meet 7,5 miljoen vierkante kilometer. Dat is ongeveer zo groot als de Verenigde Staten. Maar Australië heeft slechts 22 miljoen inwoners. 92% van de bevolking is van Europese afkomst.

Australië maakt deel uit van het Britse gemenebest, maar is zelf ook een gemenebest van staten. De losse koloniën en nieuw gevormde staten werden in 1901 samengebracht in de Commonwealth of Australia, die bestaat uit New South Wales, Queensland, Victoria, South Australia, West Australia, Tasmania en het Northern Territory. Met uitzondering van West Australia en Tasmania ga ik ze de komende 3,5 week allemaal bezoeken.

De eerste hobbel die je moet nemen om ‘the land down under’ te bezoeken is het overbruggen van de 16.000 kilometer tussen Nederland en Australië. Op zondag 6 oktober, iets voor één uur ‘s middags vertrek ik met Cathay Pacific vanaf Schiphol voor de vlucht naar Hong Kong. Deze eerste vlucht zal ongeveer 11,5 uur duren. Daarna volgt nog een vlucht van 9 uur van Hong Kong naar Sydney. Al met al ontzettend lang, maar als je je erop instelt, dan valt het wel mee. Met een beetje lezen, eten en televisie kijken kom ik de tijd wel door en halverwege heb ik gelukkig de gelegenheid om even m’n benen te strekken. Tijdens de tweede vlucht val ik zowaar zelfs even in slaap – ook niet zo gek: alles bij elkaar ben ik ruim een etmaal onderweg en m’n biologische klok staat inmiddels op ruim na middernacht. Maandagavond 7 oktober om negen uur lokale tijd (maandagmiddag 12.00 uur Nederlandse tijd) land ik op de luchthaven van Sydney. Daar gaat het heel snel. Vanwege de strenge regels die Australië hanteert verwacht ik lange rijen bij de douane en ga ik ervan uit dat m’n bagage doorzocht zal worden op zaken die het land niet in mogen. Maar nee hoor, ik kan in één keer doorlopen. Een stempel in m’n paspoort en klaar. Voor ik met m’n ogen kan knipperen, sta ik al buiten. Vanaf de luchthaven gaat een rechtstreekse trein naar het centrum van Sydney. En kaartje is niet goedkoop: $15 voor een ritje van een kwartier. Om half elf meld ik me bij Casa Central, een eenvoudig hostel op loopafstand van het centraal station van Sydney. Hoog tijd om te gaan slapen.

Sydney

Ik heb niet best geslapen (toch een beetje uit m’n ritme), maar ben wel op tijd wakker. Als ik om half negen naar buiten loop, is het zonnig en een aangename 21 graden. Ik loop naar het Central Station en neem daar de trein naar Circular Quay. Circular Quay is een wandelpromenade langs het water van Sydney Harbour. Je hebt er een geweldig uitzicht over de baai, met links de beroemde Harbour Bridge en rechts het nog bekendere Opera House. Ook vertrekken hier de veerboten en rondvaartboten. Op het moment dat je hier staat, realiseer je je pas goed: yes, ik ben in Sydney!

Sydney ligt in de deelstaat New South Wales aan de zuidoostkust van Australië. In 1788 vestigden de Britten hier een strafkolonie die ze Sydney Cove noemden, waar veroordeelde gevangenen vanuit het Verenigd Koninkrijk naartoe werden verscheept. Daarmee is Sydney de oudste permanente Europese vestigingsplaats op het Australische continent. In de eerste jaren was het nog maar de vraag of de kolonie zou overleven, maar toen de landbouw begon aan te slaan en de kolonie naast de rol van gevangenis ook ging fungeren als handelspost, begon Sydney langzaamaan te groeien. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw is Sydney de wereldstad geworden die we nu kennen. Sydney is weliswaar de bekendste stad in Australië, maar in tegenstelling tot wat wel wordt gedacht is het niet de hoofdstad: dat is Canberra. Toen Australië in 1901 zelfstandig werd, claimde zowel Sydney als Melbourne de positie van hoofdstad. De strijd werd in 1927 beslist toen Canberra, dat halverwege Sydney en Melbourne ligt, als hoofdstad werd aangewezen.

Aan de westkant van de baai staat de Overseas Passenger Terminal (de aanlegplaats voor cruiseschepen). Vanaf het observatiedek heb je misschien wel het mooiste uitzicht over de haven. Een wandeling over de Harbour Bridge is natuurlijk een ‘must’ als je hier bent. De brug is in 1932 gebouwd en verbindt noord- en zuid-Sydney. Destijds was het de grootste boogbrug ter wereld en nog altijd is het een indrukwekkende staalconstructie. Vanaf het looppad aan de oostkant (de auto’s en treinen rijden langs de westkant van de brug) heb je een prachtig uitzicht over de haven en de skyline van het Central Business District van Sydney. Aan de oostkant van de baai, aan de voet van de Harbour Bridge, ligt de wijk The Rocks. Dit is het historische Sydney, de plek waar de eerste Europeanen zich vestigden en waar de stad in 1788 werd gesticht. Naarmate de stad groeide en de activiteiten zich verplaatsten naar wat nu Circular Quay is, raakte The Rocks (gebouwd op een rotspunt aan de baai, vandaar de naam) in verval. Nu is de wijk opgeknapt en vind je er overal winkeltjes en cafés. Er zijn veel oude gebouwen, zoals de oude bakstenen pakhuizen, bewaard gebleven. De oude keienstraatjes die omhoog en omlaag lopen en de trappen die de hoogteverschillen overbruggen, geven de wijk een heel eigen sfeer.

Ten zuiden van Circular Quay ligt het Central Business District, waar zich de kantoren van grote bedrijven, banken en investeringsmaatschappijen bevinden. Hier domineert de hoogbouw, al vind je er ook veel oude gebouwen in Victoriaanse stijl, zoals het Old Customs House uit 1845, het General Post Office, gebouwd tussen 1865 en 1887, en de Town Hall, gebouwd tussen 1870 en 1890. De straten ten zuiden van Martin Place zijn vooral winkelgebied. Hier vind je een aantal Victoriaanse winkelgalerijen, waaronder het Queen Victoria Building. De 300 meter hoge uitkijktoren Sydney Tower torent overal bovenuit. Een paar straten ten oosten van de winkelstraten ligt Hyde Park, een aangenaam groen stadspark, aangelegd in opdracht van Lachlan MacQuarie, die van 1809 tot 1821 gouverneur was van New South Wales. Hij wilde (tegen de zin van de regering in Londen) de oorspronkelijke kolonie rond Sydney Cove uitbreiden en dit deel van de stad is daarvan het resultaat. Hoewel het lawaai van het verkeer het niet tot een rustig park maakt, is Hyde Park wel een prettige plek om in de zon in het gras of op een bankje te relaxen. Ten noorden van Hyde Park bevinden zich de Hyde Park Barracks. Tussen 1819 en 1848 waren hier 600 veroordeelde gevangenen ondergebracht. In totaal werden 50.000 gevangenen vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Australië verscheept. De reis duurde acht weken en het was maar de vraag of je die zou overleven. De gevangenen sliepen in hangmatten in een centraal gebouw en overdag moesten ze dwangarbeid verrichten. Diverse oude gebouwen in Sydney zijn door de gevangenen van de Hyde Park Barracks gebouwd. In 1848 is het verschepen van gevangenen gestopt. Daarna werden er onder andere vrouwelijke wezen gehuisvest die vanwege de hongersnood in Ierland hun land hadden verlaten.

Ik vind Sydney een prettige stad. Het is een moderne wereldstad, maar de sfeer is relaxed en de mensen zijn vriendelijk. De stad straalt energie en bedrijvigheid uit en het is overal gezellig druk op straat. Wat opvalt is dat er behalve veel winkels ook erg veel restaurants, eetcafés, take-aways, foud courts et cetera zijn. Sydney kent een bloeiende eetcultuur, met tal van keukens: Aziatisch, Spaans, Italiaans, Grieks, you name it, je kan het hier eten.

Wat mij ook opvalt is dat je op straat duidelijk ziet dat Australië een land van immigranten is. De Australiërs van Europese afkomst zijn dominant (en de Britse trekken bij een deel van de bevolking onmiskenbaar), maar je ziet ook ontzettend veel Aziaten. In Sydney is zelfs één op de drie inwoners van Aziatische afkomst.

Terug in m’n hotel check ik of ik al een bevestiging heb van de tour naar de Blue Mountains die ik gisteravond nog heb geboekt. Ik wilde donderdag naar de Blue Mountains, maar bij de organisatie, OzTrek, blijkt morgen (woensdag) beter uit te komen. Ook goed, dan heb ik donderdag nog een dag in Sydney.

Blue Mountains

De volgende ochtend word ik om acht uur opgehaald voor m’n dagtrip naar de Blue Mountains. De groep van acht bestaat behalve mijzelf uit een stel uit Perth, een stel uit de Verenigde Staten, een jong stel uit het Verenigd Koninkrijk en een Japans meisje. Het is 2,5 uur rijden naar het Blue Mountain National Park, mede omdat het nogal wat tijd kost om – in de ochtendspits – Sydney uit te komen. De naam Blue Mountains is een beetje misleidend, want eigenlijk is het gebied een hoogvlakte (op zo’n 1.000 meter) waar in de loop van miljoenen jaren door erosie valleien zijn uitgesleten. Het gebied met eeuwenoude bossen tussen stijl oprijzende granieten bergwanden staat op de werelderfgoedlijst van Unesco. Je hebt wel vervoer nodig om langs de diverse uitkijkpunten te kunnen rijden. We stoppen onder andere bij Flat Rock en Echo Point. Bij die laatste kijk je uit over een uitgestrekte groene vallei en de bekendste rotsformatie in de Blue Mountains: de Three Sisters. Nadat we in het plaatsje Katoomba zijn gestopt om te lunchen, gaat een deel van de groep een tochtje met een kabelbaan maken, het Britse stel, het Japanse meisje en ik kiezen ervoor om de wandeling te maken naar de bodem van de vallei. Via een serie (steile) trappen en paden loop je de vallei in, door het regenwoud, langs watervallen en overhangende rotsen. Op sommige stukken maken de boomkrekels een hels kabaal. Naar beneden is één ding, maar de enige weg uit de vallei is via dezelfde weg terug omhoog. En dat is een inspannende klim. In totaal doen we twee uur over de wandeling, die erg de moeite waard is. Voordat we terugrijden naar Sydney, drinken we thee in het huis van onze gids – nog niet wetende dat het hele gebied een paar dagen later vanwege bosbranden zal worden geëvacueerd.

Sydney

Als ik de volgende morgen bij Railway Square aan m’n ontbijt en koffie zit, staat de zon alweer hoog aan de hemel. Nadat ik de trein naar Circular Quay heb genomen, koop ik een kaartje voor de veerboot naar Manly. Manly is één van de buitenwijken van Sydney, aan de noordkant van Sydney Harbour (officieel Port Jackson). Vanaf het water heb je een fantastisch uitzicht op de skyline van Sydney, de Harbour Bridge en het Opera House. Ik ben een groot fan van de skyline van Manhattan vanaf de boardwalk in Brooklyn, maar dit uitzicht komt daar toch wel dicht in de buurt. De veerboot vaart in een half uur door Sydney Harbour naar Manly. Vanaf het water zie je pas goed hoe fantastisch de ligging van Sydney is, aan weerszijden van een natuurlijke haven, een elf kilometer lange inham aan de oceaankust, met steile rotsen en groen begroeide inhammen met kleine strandjes. Een groot deel van de kustlijn is tegenwoordig bebouwd met huizen en appartementen voor wie het zich kan veroorloven om hier te wonen. Na een half uur legt de veerboot aan in Manly. Via de keurig aangeharkte (en autovrije) winkelstraat loop je in een paar minuten naar Manly Beach, samen met Bondi één van de bekendste stranden van Sydney. Het is een mooi, cirkelvormig strand aan een baai. Vanaf hier kan je ook wandelingen maken in het Sydney Harbour National Park, maar vanwege de hoge temperatuur (het is vandaag 33 graden) zijn de parken afgesloten voor bezoekers om bosbranden te voorkomen. In de zomer kan de temperatuur in Sydney oplopen tot boven de veertig graden en het gebied wordt regelmatig geteisterd door bosbranden, vandaar dat bij hoge temperaturen de parken preventief worden gesloten. De wandeling langs de baai is niettemin de moeite waard.

Terwijl ik op de veerboot terug naar Sydney zit, vaart een aantal fraaie zeilschepen voorbij. Twee ervan varen onder Nederlandse vlag. Apart om aan de andere kant van de wereld de vlag van je eigen land te zien langsvaren. Nadat ik vanaf Circular Quay nog even van het uitzicht heb genoten, loop ik naar Darling Harbour. Dit deel van de stad is enkele jaren gelden opgeknapt en langs een moderne boulevard zitten nu tal van restaurants en cafés. Terwijl de temperatuur inmiddels is opgelopen tot 36 graden, ontsnap ik even aan de warmte door een bezoek te brengen aan het Sea Life Aquarium, waar je een blik kan werpen op de vissen en het koraal dat je in de wateren rond Australië kan vinden. Het mooist zijn de bassins waar je via tunnels onderdoor loopt en waar de vissen en haaien boven je langs zwemmen. Niet ver van Darling Harbour ligt Dixon Street, het hart van Sydney’s Chinatown, waar je keuze te over hebt aan Chinese restaurants.

Van Sydney naar Melbourne

Het is vrijdagochtend en vandaag is een ‘verplaatsdag’. Ik doe rustig aan, pak m’n tas in en loop even de stad in voor koffie en ontbijt. Daarna neem ik de trein naar de luchthaven. Ik vlieg vanmiddag met Jetstar van Sydney naar Melbourne. Het is een kleine anderhalf uur vliegen naar de hoofdstad van de staat Victoria. Vanaf de luchthaven brengt de Skybus me naar het centrum van de stad, waar ik word afgezet voor de deur van m’n hotel. Ook hier in Melbourne is een overvloed aan restaurants te vinden, onder meerin de wijk Fitzroy, op tien minuten lopen van m’n hotel. De Australische steden staan bekend om hun uit-etencultuur. Men eet hier vaak meerdere keren per week buiten de deur. Vandaar de overvloed aan restaurants.

Melbourne

Het gaat wellicht wat ver om Melbourne het San Francisco van Australië te noemen, maar de twee steden hebben wel wat gemeen. Ze zijn allebei op heuvels gebouwd (al zijn die in San Francisco wel een stuk steiler). In beide steden rijden trams. En beide steden hebben een bijna Europese uitstraling. Melbourne heeft niet de wereldstad-uitstraling van Sydney en ook niet zulke ‘eyecatchers’ als zijn concurrent, maar het is wel een heel fijne en relaxte stad. Eentje waar je op je gemak doorheen moet slenteren. Wanneer ik op deze zaterdagochtend vanuit m’n hotel de stad in wandel, is het nog fris in de schaduw van de hoogbouw. In de loop van de dag zal het kwik echter nog tot boven de dertig graden stijgen. Het winkelgebied van Melbourne bevindt zich rond de autovrije Bourke Street Mall. Oude, negentiende eeuwse gebouwen worden afgewisseld door moderne hoogbouw. Ook hier vind je een aantal overdekte winkelgalerijen: de Royal Arcade uit 1869, met z’n zwart-wit geblokte vloer, en de Block Arcade uit 1891, met een fraaie mozaïekvloer. Ik loop langs de klassieke Town Hall via City Square naar Flinders Street. Als er één plek is waar klassieke en moderne architectuur op contrasterende wijze samenkomen, dan is het hier. Aan de ene kant van de straat staat de negentiende eeuwse St. Paul’s Cathedral, aan de andere kant op de hoek Flinders Street Station, een opvallend geel-bruin gebouw uit het begin van de twintigste eeuw, waar de treintijden nog op een ouderwetse rij klokken worden weergegeven. En aan de overkant hiervan Federation Square, het in 2002 aangelegde plein met de ultramoderne gebouwen van het NGV Victoria Museum en het Centre for the Moving Image. Federation Square is een populaire ontmoetingsplek voor de inwoners van Melbourne.

Ten zuiden van Federation Square ligt de Yarra River. Als je langs de noordoever over Federation Wharf loopt, lijkt het alsof je in een ander stuk van de stad bent beland. Een rustig park met bomen langs het water, de Princess Bridge en de skyline van de stad op de achtergrond. De zuidoever van de Yarra River was tot niet zo lang geleden een vervallen industriegebied war niemand kwam. In de jaren negentig is het gebied volledig opnieuw ingericht en nu is het een prettige wijk, met onder andere Southgate, een modern winkelcentrum met talloze cafés en restaurants, met terrassen die uitkijken op de rivier en de skyline van de stad. Op deze zonnige zaterdagmiddag is het er gezellig druk met mensen die langs de rivier wandelen, relaxen op een bankje onder de bomen of lunchen op één van de terrassen.

Over de rivier loopt de Sandridge Bridge, een oude spoorbrug die is omgetoverd in een voetgangersbrug met opvallende metalen kunstwerken. Aan één kant van de brug zijn glazen panelen aangebracht met daarop per land de aantallen immigranten en nakomelingen van immigranten die in 2001 in Australië woonden, inclusief de plaatsen waar ze vandaan kwamen, de redenen waarom ze naar Australië kwamen en de talen die ze spraken. Op de glasplaat over Nederland lees ik dat er in 2001 ruim 83.000 Australiërs van Nederlandse afkomst woonden en ruim 268.000 Australiërs met Nederlandse voorouders. Nederlandse ontdekkingsreizigers, die in het begin van de zeventiende eeuw het Australische continent ‘ontdekten’ en het New Holland noemden, zijn de eerste Europeanen waarvan gedocumenteerd is dat ze op het continent zijn geweest. Niet uitgesloten is dat Portugese of Spaanse zeevaarders de kusten van Australië al eerder hebben aangedaan en er schijnen aanwijzingen te zijn dat Chinezen en wellicht Indonesische vissers het continent al kenden voordat de Europeanen er aankwamen. Geen van de Europese landen zag echter veel heil in het nieuwe land, dat droog en warm was. Pas in 1770 claimden de Britten Australië als hun eigendom en vestigden ze hun kolonie bij Sydney Cove. De Britten bleven lange tijd langs de kust en pas halverwege de negentiende eeuw gingen ze ertoe over om het binnenland te verkennen. De eerste expedities naar de ‘outback’ bevestigden hun vermoedens: het binnenland bleek droog, warm en onvruchtbaar. Nog steeds woont 80% van de Australiërs in de verstedelijkte gebieden langs de kust.

In de loop van de middag loop ik door de stad terug. Aan de noordkant van het Central Business District liggen de Carlton Gardens, een groen park met aan de noordkant het imposante Royal Exhibition Building,  gebouwd in 1880 voor de wereldtentoonstelling. Het park is een prima plek om in de zon (of onder een boom in de schaduw) te liggen, te lezen of te picknicken.

Great Ocean Road

Zondagochtend. Ik pak m’n spullen weer in, het is tijd om Melbourne te verlaten. Voor de komende tien dagen heb ik een auto gehuurd. De verhuurder zit vlakbij m’n hotel, dus ik hoef maar een klein stukje te lopen en niet veel later rijd ik in een schattige blauwe Nissan Micra door de straten van Melbourne. Links rijden ben ik nog gewend van m’n reis door Zuid-Afrika een half jaar geleden. Melbourne uit is niet zo moeilijk: een paar rechte straten en dan de M1/Princess Freeway op. In tegenstelling tot het prachtige weer van de afgelopen dagen is het vandaag bewolkt en het duurt niet lang of de eerste regendruppels vallen op de voorruit. Als ik bij de kust komt, breekt de bewolking af en toe open, maar het zal de hele dag wisselvallig blijven en regelmatig regenen.

Ik ga vandaag het eerste stuk van de Great Ocean Road rijden, de kustweg die van Torquai tot Warrnambool langs de zuidkust van Australië loopt. De 285 kilometer lange Great Ocean Road is tussen 1919 en 1932 aangelegd door veteranen uit de Tweede Wereldoorlog en mensen die als gevolg van de Grote Depressie werkloos waren geworden. De weg is een monument voor de Australische gevallenen in de Tweede Wereldoorlog. Als voorbeeld voor de Great Ocean Road gold de Pacific Coast Highway (Route 1) in Californië. Die weg heb ik in 2005 gereden en is een van de mooiste kustwegen ter wereld. En ik moet zeggen: de Great Ocean Road doet hier niet (veel) voor onder. Als ik bij het plaatsje Anglesea stop om koffie en een broodje te halen, zie ik de eerste kangaroos. Een groepje is aan het grazen op een grasveld langs de weg. Om deze dieren in het wild te zien moet je wel naar Australië, want ze komen nergens anders in het wild voor. Erg leuk om te zien dus.

De Great Ocean Road slingert langs de rotskust, met links de oceaan en rechts de weelderig groen begroeide heuvels van het Great Otway National Park. Hier een daar zijn kleine dorpjes, zoals Aireys Inlet en Lorne en kleine strandjes aan de voet van de rotsen. Onderweg kom je veel parkeerplaatsen tegen op plekken met mooi uitzicht. Het is een prachtige route. Vanaf Apollo Bay slingert de weg landinwaarts, door de bossen van het Great Otway National Park. Bij de afslag Cape Otway sla ik af. De weg leidt tussen de eucalyptusbomen door, een geweldige plek om even te stoppen van in de bomen zitten overal koala’s. Sommige slapen, andere eten, ze zijn in ieder geval niet erg schuw. Waarschijnlijk zijn ze wel gewend aan de nieuwsgierige blikken van mensen. Ze zien er schattig uit, met hun pluizige vacht en guitige gezichten. Iets verder is mijn overnachtingsplek voor vannacht. Bimbi Park, waar ik in een soort stacaravan slaap, ligt in de middle of nowhere. Het is er koud (maar dertien graden), er staat een harde wind en het is regenachtig. Niet echt weer om er nog eens even lekker op uit te trekken.

Nadat ik het de hele nacht koud heb gehad, lijkt het weer de volgende ochtend iets beter te worden: buien en zon zullen elkaar de hele dag blijven afwisselen, maar gelukkig krijgt de zon steeds meer de overhand. Het eerste stuk van de route vanaf Cape Otway gaat door het binnenland. Na een kort oponthoud wegens een omgewaaide boom, rijd ik door een gebied met glooiende heuvels. Vanaf Princetown ben ik weer terug bij de kust. Tussen Moonlight Head en Port Fairy heeft de kust de bijnaam Shipwreck Coast. In de loop der jaren zijn hier naar verluidt zo’n 700 schepen vergaan. Waarvan er overigens maar 200 zijn teruggevonden. Het hoogtepunt van de Great Ocean Road is het stuk bij de Twelve Apostles. Door erosie zijn hier rotsformaties gevormd die als standbeelden voor de recht aflopende kust in zee staan. Aanvankelijk waren het er twaalf, maar door de voortgaande erosie zijn er nu nog acht over. Er staat een harde wind, maar de zon is even doorgebroken, wat een prachtig licht geeft op de toch al indrukwekkende kustlijn. Een paar kilometer verder bevindt zich de Loch Ard Gorge, waar het water tussen twee imposante rosten door stroomt. Je kan hier naar beneden, waar je uitkomt bij een klein strandje. Dit is al net zo’n fotogenieke plek als de Twelve Apostles. Een andere stop die de moeite waard is, is bij London Bridge. De rots die hier een stuk de oceaan in stak, had twee natuurlijke bogen waar het water onderdoor stroomde. Een paar jaar geleden is de eerste boog echter ingestort, waardoor het stuk met de tweede boog nu los in zee staat.

Even voorbij Warrnambool sla ik rechtsaf. Ik verlaat de kust en rijd recht naar het noorden. De weg voert langs eindeloze weilanden op groene, lichtglooiende heuvels. Het lijkt Ierland wel. Er is vrijwel geen verkeer op de weg; ik tel gemiddeld een andere auto per tien kilometer. Na het plaatsje Hamilton doemen de bergen van de Grampians op. Ze vallen nogal op in het verder vlakke landschap. Ik stop even in het plaatsje Dunkeld. De vriendelijke man bij het Visitors Centre geeft me een kaart en vertelt me alles over de mooie routes en uitkijkpunten in Grampians National Park, mijn volgende bestemming.

Grampians National Park

Ik kom Grampians National Park binnen vanuit het zuiden. Vanaf daar leidt de Grampians Road zo’n zestig kilometer door een dicht begroeide vallei naar het noorden. Ik sla onderweg af om via een onverharde weg Mount William op te rijden, waar je prachtig uitzicht hebt. Een eindje verder ligt Lake Bellfield, waar de toppen van (dode) bomen boven het water uitsteken. Een maf gezicht. Ik logeer vannacht in het kleine plaatsje Halls Gap. Het dorpje is mooi gelegen, midden tussen de bergen van de Grampians. Tim, de eigenaar van Tim’s Place, vertelt dat hij in het verleden in Nederland is geweest, onder meer op Terschelling en in Doetinchem. Niet echt standaardplekken voor een toerist om te bezoeken en Tim weet de namen nog goed uit te spreken ook.

De volgende dag heb ik gereserveerd om Grampians National Park te verkennen. Na een kop koffie rijd ik via de Mount Victory Road al slingerend de bergen in. Mijn eerste stop is bij MacKenzie Falls. Er is een pad dat naar een uitkijkpunt leidt waar je de waterval van bovenaf kan zien, maar het is natuurlijk mooier om een waterval van onderaf te zien en daarvoor dient het andere pad. Het is een mooie, brede waterval, prachtig gelegen temidden van een kloof en er zijn maar weinig mensen. Vervolgens ga ik naar Reid’s Lookout. Na een korte wandeling (ongeveer een kilometer) kom je bij een uitkijkpunt met waanzinnig uitzicht over de weidse vallei. Aan je linkerhand steken twee rotspunten uit, genaamd The Balconies, het meest gefotografeerde plekje in de Grampians. De rotsen worden ook wel de Jaws of Death genoemd, omdat ze op de bek van een roofdier lijken. Vervolgens rijd ik Mount Victory Road weer af tot bij een plek die Wonderland heet. Vanaf hier kan je een 2,2 kilometer lange route lopen die uitkomt bij een klif met de naam The Pinnacle. 2,2 kilometer is niet zo ver, maar het is geen gemakkelijk pad: je loopt en klimt het hele stuk over de rotsen. Hier en daar staat met kleine gele pijltjes aangegeven welke kant je op moet. Het eerste stuk loop / klim je door een kloof, die erg mooi is, met aan beide kanten hoge, grijze rotsen, maar waarvoor de naam Grand Canyon wel wat overdreven is. Je komt steeds hoger (je overbrugt een hoogteverschil van 280 meter) en na de toch wel stevige klim kom je bij een van de hoogste punten van de Grampians: The Pinnacle, een klif waar de rotsen recht naar beneden gaan, de diepte in, en waar je een geweldig uitzicht hebt. Geen idee hoe ver je kan kijken, ver in ieder geval.

Nadat ik een tijdje van het uitzicht heb genoten en weer op adem ben gekomen, loop ik (je hebt geen andere keuze) via dezelfde weg weer terug naar beneden. Terug in Halls Gap heb ik nog wat tijd om buiten in de zon te relaxen. Het bijzondere is dat de kangaroos daarbij om me heen hoppen. Zolang ik stil zit, durven ze heel dichtbij te komen.

Van Grampians naar Kangaroo Island

De volgende ochtend vertrek ik al vroeg uit Halls Gap. Ik verlaat Grampians National Park en rijd via de Western Highway richting het noordwesten. Ik heb vandaag een lange rit voor de boeg: 580 kilometer met als eindbestemming Kangaroo Island. De highway (stel je daar niet teveel bij voor: een highway is gewoon een tweebaansweg waar je 100 km/u mag) gaat door licht glooiend landschap met af en toe een klein plaatsje. Niets bijzonders dus. Even voor Bordertown is de grens tussen de staten Victoria en South Australia. De Western Highway wordt hier Dukes Highway en ik rijd een andere tijdzone binnen: de klok gaat een half uur achteruit. Je mag van de ene staat naar de andere geen groente, fruit en andere verse producten meenemen en er gelden hoge boetes bij overtreding. Ik heb nog een appel in de auto liggen en eet die snel op, maar ik kom geen controle tegen. Overal langs de weg staan borden die waarschuwen tegen vermoeidheid. Dat is gezien de grote afstanden in Australië waarschijnlijk geen overbodige boodschap. Ik kom borden tegen met teksten als: “Stay alert, stay alive!”, “Stop. Revive. Survive” en het alarmerende “Weary drivers die!”. Dat je het even weet. Gelukkig is er om de zoveel kilometer een ‘Powernap Area’. Handig.

Na uren door het vrij saaie landschap te hebben gereden en bij Wellington met een pontje de rivier ben overgegaan, ben ik op de Fleurieu Peninsula. Hier nog meer glooiende groene heuvels, af en toe wat koeien of schapen en hier en daar een wijngaard. Een mooie omgeving, een beetje een mix tussen Ierland en noord-Frankrijk (en daarvoor ben je dan naar de andere kant van de aarde gevlogen J ). Ik heb de (peperdure) veerboot naar Kangaroo Island van 18.00 uur geboekt, maar ik ben al eerder bij Cape Jervis, waar de veerboot vertrekt, en ik kan nog met de boot van 16.00 uur mee. De overtocht duurt drie kwartier en het is raadzaam je permanent ergens aan vast te houden, want helemaal gladjes verloopt de overtocht doorgaans niet. De boot komt aan bij het dorpje Penneshaw, aan de oostkant van het eiland. Hier zit ook m’n hostel voor vannacht.

Kangaroo Island

Kangaroo Island is het op twee na grootste eiland van Australië (na Tasmanië en Melville Island bij Darwin), ongeveer 150 kilometer lang en zo’n 50 kilometer breed. Nadat ik Prospect Hill ben opgeklommen (voor het uitzicht, tevens een vroege work-out), rijd ik via de tweebaans South Coast Road naar de andere kant van het eiland. Hier ligt Flinders Chase National Park. Vanwege de afstanden rijd je net als in Grampians National Park ook hier met de auto door het park naar de te bezichtigen plekken. Mijn eerste stop is Cape de Couedic. De eerste reden om hier naartoe te gaan zijn de Remarkable Rocks. Een toepasselijkere naam is niet denkbaar. Bovenop een klif aan de oceaan liggen (staan?) bizar uitgesleten rotsen. Het lijkt wel alsof ze er zijn neergelegd. Sommige zijn meters hoog. Het is een prachtige en erg fotogenieke plek. De tweede reden om naar Cape de Couedic te gaan is Admirals Arch. Dit is de uiterste punt van de kaap en erg staat dan ook een stevige wind. De golven beuken hard tegen de kust. Op de punt staat een vuurtoren (zo’n klassiek wit-rode) en onderaan de klif, op de rotsen, liggen Nieuw-Zeelandse fur seals (zeehonden dus). Terwijl de woeste oceaan op slechts enkele meters afstand tegen de rotsen slaat, liggen de zeehonden in alle rust in de zon. Je kan helemaal naar beneden lopen en daar bevindt zich Admirals Arch, een soort groot gat in de rotsen, dat als een soort frame fungeert voor de golven de aan de andere kant tegen de kust slaan. Ook dit is door moeder natuur erg fotogeniek bedacht. De schitterende locatie, de harde wind en de woeste golven maken Flinders Chase tot een van de mooiste plekken die ik tot nu toe heb bezocht.

Ik rijd nog via een onverharde weg naar Snake Lagoon, waar je een korte wandelroute kan lopen (maar die valt een beetje tegen). Eind van de middag ben ik bij Flinders Chase Farm, waar ik vannacht in een cabin verblijf. Als ik de volgende ochtend wakker word, is er geen wolkje aan de hemel te bekennen. Ik rijd op m’n gemak via de South Coast Road terug naar de oostkant van Kangaroo Island. Ik stop even bij Vivonne Bay, waar een mooi strand is, maar het waait zo hard dat je daar niet voor je lol gaat liggen. Onderweg kom ik wallabies tegen, een soort kleine kangaroos. Ze zijn zo snel dat ik ze niet echt goed op de foto krijg. Overigens liggen er regelmatig dode kangaroos langs de weg. Deze worden vaak in ‘s avonds doodgereden, als ze langs de kant van de weg zitten of de weg over willen en automobilisten ze in het donker niet zien. Men zegt wel dat je in Australië meer dode kangaroos ziet dan levende…

Ter hoogte van Seal Bay stop ik even voor koffie. Als de dame die me bedient hoort dat ik uit Nederland kom, roept ze haar man erbij, die ook Nederlander is. We maken een praatje, vergelijken het kleine en dichtbevolkte Nederland met het dunbevolkte en uitgestrekte Australië en ik leer dat er wel 900 soorten eucalyptusbomen zijn, waarvan koala’s er maar twaalf lusten. J Kingscote is het grootste dorp op Kangaroo Island, waarbij groot erg relatief is. Het dorp ligt aan een baai, waar ik een verlaten strandje vind om te lunchen. Het is er lekker rustig. De rust wordt alleen overal verstoord door vliegen. Je hebt hier in Australië namelijk heel vervelende vliegen. Ze zijn kleiner dan de Nederlandse huis- tuin- en keukenvlieg, maar met de irritante gewoonte dat ze steeds op je gezicht willen zitten. Niet op je arm of been of ergens anders, alleen op je gezicht. En weg slaan helpt niet want ze zijn ontzettend volhardend. Je komt ze overal in Australië tegen en ze zijn superirritant.

Barossa Valley

Nadat ik door het harde gekwetter van de vogels ben gewekt, zit ik de volgende ochtend weer op de veerboot, die me weer terugbrengt naar het vasteland. Voor zover je dat kan zeggen: Australie is immers zelf een eiland. J Op het nieuws gaat het over het Sydney Opera House, dat veertig jaar bestaat, en over de bosbranden in de Blue Mountains. De branden zijn uitgebroken vlak nadat ik vorige week zelf in de Blue Mountains was en het zijn volgens de nieuwsberichten de ergste branden in tien jaar. Na drie kwartier ben ik terug bij Cape Jervis. Mijn bestemming voor vandaag zijn de Barossa Valley en het eindpunt Clare. Daarvoor moet ik wel eerst om Adelaide heen. Nou ja, er omheen gaat niet echt: ik moe dwars door de buitenwijken heen. Het is er erg druk en het kost me dan ook veel tijd om voorbij Adelaide te komen. Ik hoop steeds een bord te zien met ‘Barossa Valley’, ‘Sturt Highway’ of ‘North Road’, wat allemaal in de goede richting zou zijn, maar nee. Ik zit lange tijd op de ‘South Road’ en negeer alle afslagen richting ‘Port Adelaide’ (de haven) en ‘City’, want ik wil niet in het centrum van de stad belanden. Lange tijd heb ik geen idee waar ik precies ben en of ik goed ga (zeker bij de omleiding wegens wegwerkzaamheden). Maar na een tijdje blijk ik zowaar op de goede weg te zitten en uiteindelijk draai ik de gezochte North Road op.

Meer buitenwijken volgen, maar na een tijdje maken ze plaats voor heuvellandschap. Bij het plaatsje Gawler, een uurtje rijden vanaf Adelaide, begint zo ongeveer de Barossa Valley. Vanaf Mengler Hill heb je een mooi uitzicht over de weidse vallei, vol met wijngaarden. Vanaf halverwege de negentiende eeuw vestigden Lutheranen uit Duitsland (op de vlucht voor vervolging) zich hier en tot de Tweede Wereldoorlog werd in deze omgeving dan ook voornamelijk Duits gesproken. In het dorpje Tanunda vind je langs de hoofdstraat nog de oude houten gebouwen uit de negentiende eeuw. In 1847 werd bij Rowland Flat het eerste wijnhuis gevestigd: de Orlando Winery, waar de ook in Nederland verkrijgbare wijnen van Jacob’s Creek worden geproduceerd. Tegenwoordig zijn in de Barossa Valley zo’n zestig wijnhuizen gevestigd, zowel kleine familiebedrijfjes als grote merken als Jacob’s Creek, Penfolds en Wolf Blass. Die laatsten zijn eigenlijk meer fabrieken dan wijnhuizen, met grote productiehallen en enorme roestvrijstalen vaten. Het bezoekerscentrum van Jacob’s Creek in Rowland Flat is commercieel en anoniem en de informatie is maar magertjes. Je kan er wel wijn proeven, maar aangezien ik nog moet rijden, sla ik dat maar even over.

Ik rijd verder via de dorpjes Nuriootpa en Kapunda, waar net als in Tanunda de houten gebouwen het doen lijken alsof er sinds de negentiende eeuw niets is veranderd, en vervolgens in noordelijke richting naar Clare Valley. De tweebaansweg voert door eindeloze groene heuvels onder een stralend blauwe lucht. Na de Barossa Valley maken de wijngaarden even plaats voor grasland, maar in de Clare Valley domineren de wijngaarden weer. Tegen vier uur kom ik aan in Clare, een klein plaatsje, waar ik zal overnachten in het Clare Hotel. Die term ‘hotel’ is wat verwarrend. In Australië is een ‘hotel’ doorgaans een café/pub, soms een echt hotel en vaak een combinatie van die twee (een café met enkele kamers). Het Clare Hotel behoort tot de laatste categorie. Beneden is een pub, waar paardenraces op televisie zijn, gokautomaten staan en lottoformulieren op tafel liggen; Australiërs zijn gek op gokken.

Van Clare naar Filders Ranges

De volgende ochtend verlaat ik Clare alweer en ga ik op weg naar de Flinders Ranges, zo’n 300 kilometer noordelijker. De bedoeling is om via Hawker te rijden, maar als de asfaltweg een onverharde weg wordt en verkeersborden een zeldzaamheid, vraag ik me af of ik wel goed rijd. Na een tijdje zie ik bij een kruising een man met een pickup langs de weg en stop om te vragen of dit nog steeds de weg naar Hawker is. Ja en nee. Ik heb overduidelijk ergens een afslag gemist, maar ik zit ook weer niet helemaal uit de richting. De man raadt me aan linksaf te slaan en dan na Jamestown weer de weg naar Hawker te nemen. Het advies klopt en niet veel later zie ik weer de juiste verkeersborden.

Het landschap verandert: het groen van de wijngaarden heeft plaats gemaakt voor lage begroeiing en de aarde wordt roodbruin van kleur. De temperatuur stijgt, het landschap wordt zichtbaar droger, de afstand tussen de boerderijen wordt steeds groter en de ontvangst van de autoradio steeds zwakker. Ik rijd de ‘outback’ in, het droge binnenland van Australië. Hier en daar liggen dode kangaroos langs de weg of lopen (levende) emu’s. Verder niets dan droog landschap met wat lage begroeiing. Voor me doemen de bergen van de Flinders Ranges op. Hawker blijkt maar een klein plaatsje te zijn, in de middle of nowhere, maar groot genoeg om een benzinestation te hebben (waar ik dankbaar gebruik van maak) en een café om koffie te halen. Na Hawker is het niet ver meer naar Rawnsley Park Station, aan de rand van de Flinders Ranges, waar ik vannacht in een cabin zal verblijven. Die cabin heeft gelukkig een luifel waar je in de schaduw zit en af en toe wat wind langs komt, want het is 46 graden in de zon en 37 in de schaduw… De vogels hebben daar duidelijk geen last van: blauw met groene Ringneck Parrots en grijs met roze Galahs vliegen voortdurend rond.

Flinders Ranges

Maandagochtend. Vandaag bezoek ik het Flinders Ranges National Park. Dit is een gebied van zo’n zestig bij veertig kilometer, met aan de zuidkant Wilpena Pound, een grote hoogvlakte, omgeven door een bergkam van roodbruin gesteente, die hoog boven de grotendeels vlakke omgeving uit torent. Het wordt een dag van vergezichten. De bergen en valleien van de Flinders Ranges zijn miljoenen jaren oud. Ik rijd een soort lus, waarmee ik het grootste deel van het National Park bezoek. Via Stokes Hill (uitkijkpunt) en de Appealinna Ruins (van negentiende eeuwse kolonisten) rijd ik naar het noorden. Met naaldbomen begroeide hellingen worden afgewisseld door vrijwel kale vlaktes. Hier en daar lopen kangaroos en emu’s. Vanaf het plaatsje Blinman neem ik de onverharde weg door de Parachilnakloof. Dertig kilometer lang hobbel ik door de kloof en over (grotendeels droge) rivierbeddingen. De eveneens onverharde weg door de Brachinakloof blijkt nog slechter te zijn (maar met een ‘normale’ auto gelukkig wel te doen. De enkele tegenligger die ik tegenkom heeft echter wel een 4×4). Na de Bunyerookloof rijd je weer over de bergen heen, met onderweg prachtige vergezichten. Het is voorjaar en overal staan blauwe en witte bloemen in bloei. Aan het eind van de prachtige rit heb ik bijna 200 kilometer gereden.

Van Flinders Ranges naar Adelaide

Als ik de Flinders Ranges verlaat, regent het en is de lucht bedekt door een dik grijs wolkendek. Vandaag staat de lange rit terug naar Adelaide op het programma. Over die rit valt niet zoveel te vertellen: eindeloze vlaktes, licht glooiend, soms niets, soms gras en later vooral goudgele graanvelden. De enige onderbreking is een stop om koffie en een broodje te kopen. Als ik ’s middags Adelaide binnen rijd, volg ik deze keer wel de borden ‘City’. Het centrum van Adelaide kent een eenvoudig stratenplan met rechte straten, maar veel ervan zijn eenrichtingsverkeer en het is oppassen voor de trams. Ik lever m’n huurauto in (ik heb in tien dagen bijna 2.900 kilometer gereden) en loop naar m’n hostel, dat één straat verderop zit. Ik moet lang wachten totdat er eindelijk iemand komt opdagen en vervolgens blijkt m’n kamer nog niet gereed. Dan maar eerst ergens koffie drinken.

Adelaide

Ik zal er niet omheen draaien: Adelaide is geen mooie stad. De rechte straten worden gedomineerd door grote gebouwen van beton, staal en glas, opvallend vaak in grijstinten. Daartussen lijken de oude Victoriaanse gebouwen op verdwaalde toeristen. Misschien komt het ook doordat het bewolkt is, stevig waait en af en toe miezert, maar de stad heeft naar mijn mening geen uitstraling, geen sfeer, en is in die zin heel anders dan Sydney of Melbourne. Langs het North Terrace staan enkele fraaie gebouwen van de University of Adelaide en enkele musea, maar de straat zelf is een drukke verkeersader. En het lijkt wel of ze overal aan het (ver) bouwen zijn: het centrale Victoria Square ligt open, het winkelgebied Rundle Mall wordt van nieuwe bestrating voorzien en ook het cricketstadion wordt verbouwd. Aan de noordkant van het centrum loopt de Torrence River, waarlangs een park is aangelegd, maar het in m’n reisgids geschetste beeld van een stedelijke oase temidden van groene parken: ik zie het niet. Ik loop een beetje door de stad, door de winkelstraat (wel handig: de food courts in de winkelcentra) en langs de Central Market, een overdekte markthal, waar je zowel groente en fruit als souvenirs kan kopen en waarnaast ook het (kleine) Chinatown met z’n bijbehorende restaurantjes ligt.

Van Adelaide naar Yulara

Gisteren heb ik bij m’n hostel een taxi geregeld om me vanochtend in alle vroegte naar de luchthaven van Adelaide te brengen. Het is maar een kort ritje naar de luchthaven en eenmaal daar aangekomen ontdek ik tot mijn verbazing dat de luchthaven nog gesloten is. Adelaide is toch geen kleine stad, maar blijkbaar gaat de luchthaven hier ’s nachts gewoon dicht… Ik vlieg vanochtend met een overstap in Sydney (wat nogal een omweg is) naar Yulara, ook wel bekend als Ayers Rock Airport. Deze binnenlandse vlucht is een staaltje tijdhoppen: In Sydney (New South Wales) is het een half uur later dan in Adelaide (South Australia). In Yulara (Northern Territory) is het net als in South Australia een half uur eerder, maar daar kennen ze geen zomertijd (zoals in New South Wales en South Australia), dus is het in Yulara anderhalf uur eerder. Ik moet eerlijk bekennen dat ik op een gegeven moment even niet meer wist hoe laat het was.

Naar Yulara vlieg je over het droge binnenland van Australië: de ‘outback’. Het is helder, dus je hebt een prachtig zicht – ook al is er ‘niets’ te zien. Het Northern Territory beslaat eenvijfde van het oppervlak van Australië, maar er woont maar één procent van de bevolking. Eindeloze roestbruine vlakte: de reden waarom de outback ook wel ‘the red center’ wordt genoemd. Dat het ‘red center’ rood is, heeft een reden. Het zand en de rotsen zijn van zandsteen en eigenlijk grijs, maar het steen bevat veel ijzer en ijzer roest. De outback is dus roodbruin door oxidatie. Het landschap is niet helemaal vlak en ondanks de droogte regent het hier wel soms en dat heeft erin geresulteerd dat er overal donkere, door regenwater uitgesleten lijnen lopen. Er is geen water te zien, maar vanuit de lucht kan je prachtig zien waar het heeft gelopen en prachtige motieven in het landschap heeft achtergelaten, als slingerende rivieren of vertakkingen van bomen. Af en toe zie je een kaarsrechte lijn door het landschap lopen: een onverharde weg, die kilometer na kilometer door kaal, droog en onherbergzaam landschap voert. In de zomer kan de temperatuur hier tot boven de vijftig graden stijgen. Midden in het ‘red center’ liggen twee plekken die door de Aboriginals als heilig worden beschouwd: Kata Tjuta (voorheen: The Olgas) en natuurlijk: Uluru (voorheen: Ayers Rock). Ik zie Uluru voor het eerst vanuit de lucht. Een enorme roodbruine monoliet midden in een verder vlakke omgeving. Wat meteen opvalt: het is helemaal niet zo’n gelijkmatig gevormde gladde rots zoals het lijkt op de briefkaarten en foto’s op internet. Uluru is daarentegen grillig en overal zitten gaten en kloven in de rots.

Ayers Rock Airport is maar klein, met één landingsbaan en één bagageband. Hier kom ik tot de ontdekking dat m’n bagage niet is meegekomen. De dame van Virgin is uitermate vriendelijk en behulpzaam en ontdekt al snel dat mijn backpack nog in Sydney is. Hij zal morgen met dezelfde vlucht worden nagezonden. Ik word (evenals een paar anderen) van de luchthaven opgehaald door Adventure Tours. Bij hen heb ik een georganiseerde 3-daagse tour geboekt. De rest van de groep van 24 personen is al op de camping in Yulara, zij zijn vanochtend vanuit Alice Springs aangekomen. Bijna heel West-Europa is vertegenwoordigd: Duitsland, Frankrijk, België, Italië, Ierland, Denemarken en Nederland (ik). Verder is er een aantal Japanners en een Koreaanse. We slapen vannacht in (permanante) tenten. Ik had verwacht een tent te moeten delen, maar ik blijk er één voor mezelf te hebben.

Kata Tjuta en Uluru

Na de lunch gaan we naar Kata Tjuta. De naam betekent ‘vele hoofden’ in de taal van de Anagnu, het Aboriginalvolk dat hier naar verluidt 20.000 jaar geleden al leefde. De reden dat ze hier (vanuit andere delen van de outback) naartoe kwamen, waren de waterbronnen. In dit warme en droge gebied waren waterbronnen van levensbelang, zowel voor de mensen zelf als om de dieren die op de bronnen afkwamen en voor vlees zorgden. Slechts een klein deel van Kata Tjuta is opengesteld, de rest houden de Aboriginals voor zichzelf omdat het volgens hun een heilige plek is. De bergen van Kata Tjuta (zoals gezegd eigenlijk grijs, maar door oxidatie roodbruin gekleurd) zijn hoger dan Uluru, maar het zijn meerdere bergen en geen monoliet. Mogelijk is het wel ooit een monoliet geweest, maar is het zodanig geërodeerd dat er meerdere bergen zijn ontstaan.

De eerste Aboriginals woonden waarschijnlijk als zo’n 400.000 jaar geleden op het Australische continent. Vele malen langer dan de Europeanen en toch is de geschiedenis van Australië de geschiedenis van de Europese kolonisten en de ontwikkeling die Australië sindsdien heeft doorgemaakt. Voor de komst van de kolonisten woonden er in Australië naar schatting zo’n 300.000 Aboriginals. Dat aantal is gedecimeerd, zowel door ziekten als door moord. Hun cultuur is de oudste nog bestaande cultuur ter wereld, maar Aboriginals werden door de Europeanen niet gezien als mensen, maar als ‘subhumans’, een lagere soort. Kolonisten mochten Aboriginals ongestraft doden (wat ze dan ook regelmatig deden). De Europeanen verdreven de Aboriginals van hun land en de strijd over de rechten van de huidige en voormalige landeigenaren gaat tot op de dag van vandaag door. Tot ver in de twintigste eeuw hadden Aboriginals helemaal geen rechten. Ze werden niet als Australisch staatsburger beschouwd en werden niet meegeteld bij volkstellingen. Aboriginals proberen langs juridische weg de rechten op hun oorspronkelijke land te claimen. Met beperkt succes, al heeft de Australische regering de Aboriginals inmiddels wel erkend als de oorspronkelijke bewoners van het land. In de Verenigde Staten is iets vergelijkbaars gebeurd met de Indianen, maar daar heeft sindsdien tenminste een veel debat over die gebeurtenissen plaatsgevonden en is het een onderdeel van de Amerikaanse geschiedenis geworden. In Australië lijkt dit stukje van het verleden nog een groot taboe te zijn. In veel Australische geschiedenisboeken schijnen de Aboriginals nog steeds niet of nauwelijks voor te komen.

We wandelen twee uur door de Valley of the Winds, langs en tussen de bergen door. Daarna gaan we naar Uluru om de zonsondergang te zien. Dat klinkt heel romantisch, maar is het niet: er staan tientallen toeristen die eveneens voor de zonsondergang komen. Uluru is de meest bezochte plek in Australië en staat sinds 1987 op de werelderfgoedlijst van Unesco. De rots is in 1872 voor het eerst door een Europeaan ontdekt en een jaar later vernoemd naar toenmalig premier Ayer van South Australia. Met de komst van de Europeanen begon het wegvoeren van de Aboriginals uit het gebied. In 1985 heeft de rechter besloten dat de eigendomsclaim van de Aboriginals als oorspronkelijke bewoners van het gebied terecht is en nu is het gebied officieel weer hun eigendom. Maar met de instelling van het National Park is het gebied tegelijkertijd ‘terug geleased’ aan de Australische overheid. Het National Park wordt nu gezamenlijk beheerd. Uluru kleurt prachtig dieprood als de zon ondergaat. Het is geweldig om de wereldberoemde rots in het echt te zien, maar eerlijk gezegd maakt het minder indruk dan ik had verwacht.

De volgende morgen moeten we al om vier uur op. Ik heb goed geslapen, maar eet toch wel wat slaperig m’n ontbijt op en daarna worden we met de bus weer naar Uluru gebracht. De rots heeft een omvang van zes kilometer en de wandeling er omheen is ongeveer tien kilometer. Tijdens de wandeling om Uluru heen komt langzaam de zon op. Iedereen loopt in z’n eigen tempo, dus de groep valt al snel uiteen. Ik doe twee uur over de wandeling. Alsof we nog niet genoeg gelopen hebben, gaan we daarna nog anderhalf uur met een Aboriginal-gids op pad. We komen langs plekken waar we nog niet zijn geweest, zoals de grotten waar Aboriginals verbleven en plekken waar rotstekeningen te zien zijn, maar verder is het niet zo heel erg interessant. Na de lunch verlaat een deel van de groep de tour en op de luchthaven check ik of m’n bagage er inmiddels is, wat niet het geval blijkt. Het vliegtuig staat nog in Sydney wegens ‘technische problemen’. Het probleem is dat wij vanmiddag naar King’s Canyon vertrekken, wat vier uur rijden van Yulara ligt. Afgesproken wordt dat m’n bagage rechtstreeks naar Alice Springs gestuurd zal worden, waar ik het dan morgenmiddag kan ophalen. Omdat Virgin niet naar Alice Springs vliegt, zullen ze m’n backpack overdragen aan Quantas. Als dat maar goed gaat… Bovendien loop ik nog een dag extra in dezelfde kleding…

Via de Stuart Highway, de verharde weg die dwars door de outback van het zuiden van Australië naar het noorden loopt, rijden we richting het noorden. We stoppen onderweg even bij Mount Connor, een afgeplatte berg (mesa), waar zich ook een zoutmeer bevindt. In de outback bevinden zich meerdere zoutmeren, een overblijfsel van de grote binnenzee die hier miljoenen jaren geleden was. Eind van de middag komen we aan op de camping in Watarrka National Park, waar we morgen de Kings Canyon zullen bezoeken.

Kings Canyon

Weer moeten we vroeg op en helaas heb ik deze keer minder goed geslapen (hoewel ik toch weer een tent voor mij alleen had). We gaan de ‘rim walk’ doen, een wandeling van zes kilometer langs de rand van Kings Canyon. Als we beginnen, is het nog niet zo warm, maar de rim walk begint met een steile klim naar de rand van de kloof. Tijdens de wandeling zal de temperatuur oplopen tot ruim boven de dertig graden. Het is een stevige wandeling, voortdurend over oneffen ondergrond, maar wel erg mooi. Het ene moment loop je tussen de roodbruine rotswanden door, dan weer heb je uitzicht over de kloof. Halverwege kan je naar beneden, de smalle kloof in. Op de bodem is het koel en – dankzij een waterbron – groen begroeid, de reden waarom dit de Garden of Eden wordt genoemd. De waterbron is, midden tussen de steil oprijzende rotswanden, een prachtige plek. De rim walk loopt langs de ene kant van de kloof heen en langs de andere kant terug en we doen er ongeveer 3,5 uur over. Daarna begint de lange rit naar Alice Springs. Daar kan ik vanmiddag m’n backpack ophalen. We zijn net op tijd, want de luchthaven sluit om vijf uur, maar binnen vijf minuten heb ik m’n bagage terug. Gelukkig! Kan ik eindelijk weer schone kleren aantrekken.

Alice Springs

Alice Springs ligt precies in het geografische midden van Australië. De Aboriginals leefden al jaren in de omgeving van de MacDonnell Ranges, een gebied met bergen, valleien en waterbronnen, even buiten het huidige Alice Springs. Het stadje is het gevolg van de verkenningstochten van John McDouall Stuart. Hij leidde een expeditie die als eerste het Australische continent van noord naar zuid doortrok en daarmee de basis legde voor de noord-zuid-verbinding die nu de Stuart Highway is. De eerste verbinding was echter geen weg, maar de Overland Telegraph Line, die in 1870 werd aangelegd. Deze telegraafverbinding sloot aan op de verbinding tussen Darwin en Indonesië en daarmee werd communicatie tussen de Britse koloniën in het zuiden en oosten van Australië en de rest van de wereld mogelijk. Om de 250 kilometer moest een telegraafstation komen en het station bij een waterbron bij de MacDonnell Ranges was het begin van het huidige Alice Springs (dat aanvankelijk Stuart Town heette, maar de baas van het telegraafbedrijf kreeg het voor elkaar dat het stadje werd vernoemd naar zijn vrouw, Alice).

Het is zondagochtend en ik heb een relaxte dag in Alice Springs. Ik wandel het stadje in, langs de Todd River (die vrijwel altijd droog staat) naar Anzac Hill. Vanaf deze heuvel aan de noordkant van het compacte centrum heb je mooi uitzicht over Alice Springs en de bergen van de MacDonnell Ranges. In Todd Mall, de winkelstraat, is een markt gaande en is het gezellig druk. De zon staat hoog aan een wolkenloze hemel en met 36 graden is het lekker warm. Na een kop koffie ga ik naar het Reptile Center. Daar is het niet alleen lekker koel, maar ze hebben er ook een hele collectie slangen, hagedissen en andere reptielen die in Australië tegenkomen. Ook een aantal die je liever niet in het echt tegenkomt, zoals de uiterst giftige Taipan. Het Reptile Center is een goede plek om ze toch te zien. Terug bij m’n hostel is de temperatuur opgelopen tot 43 graden, te warm om nog echt iets actiefs te gaan doen. In plaats daarvan boek ik online een tour naar het Great Barrier Reef voor als ik in Cairns ben. Na enig vergelijkend warenonderzoek kies ik voor Seastar Cruises. Om half vier word ik opgehaald en naar de luchthaven gebracht voor m’n vlucht naar Cairns. M’n laatste bestemming van deze reis.

Atherton Tablelands

Het is maar een uurtje vliegen van Alice Springs naar Cairns, maar het verschil is groot: van de droge outback naar het tropische Cairns. Met 31 graden is het er op papier minder warm, maar het is een vochtige, klamme warmte. De volgende ochtend haal ik de auto op die ik voor één dag heb gehuurd om naar de Atherton Tablelands te gaan. Dit is een bergachtig gebied ten (zuid)westen van Cairns. Ooit was dit hele gebied bedekt met tropisch regenwoud, maar mijnbouw (tin) en houtkap hebben ervoor gezorgd dat het grootste deel is verdwenen. Daarvoor in de plaats vind je er nu heuvels met gras en een enkele boerderij. Maar knipper twee keer met je ogen en je zit weer in een stuk tropisch regenwoud. Ik rijd via het stadje Gordonvale eerst via een slingerweg de Gilles Range over. Door vulkanische activiteit in de bodem zijn in dit gebied op een aantal plaatsen kratermeren ontstaan, zoals Mobo Crater (een kleine poel temidden van tropisch regenwoud) en Lake Barrine (een groter meer). Ook ga ik even een kijkje nemen bij de Cathedral Fig Tree, een enorme, vijftig meter hoge vijgenboom in een gebied met tropisch regenwoud. Nadat ik in het kleine dorpje Yungaburra ben gestopt om te lunchen, rijd ik via Malanda naar het zuiden. In een stuk triopisch regenwoud liggen hier drie mooie watervallen: Millaa Millaa, Zillie en Elinjaa. Het is best een vreemde ervaring om na de rest van Australië hier ineens in het tropisch regenwoud te lopen. Het is zo groen hier en de vegetatie is zo anders, met palmen en varens in plaats van Eucalyptusbomen.

Great Barrier Reef

Ik weet geen betere manier om m’n laatste dag in Australië te besteden dan met een bezoek aan het Great Barrier Reef. Het Great Barrier Reef is het grootste koraalrif ter wereld. Het rif (dat uit meerdere lossen delen bestaat) beslaat een gebied met een lengte van 2.300 kilometer, van de noordelijkste punt van Australië (Cape York Peninsula) tot voorbij Mackay langs de oostkust van het continent. Het rif volgt de grens van de continentale plaat waar Australië deel van uitmaakt en is gevormd door één levend organisme: koraal. Het Great Barrier Reef staat op de werelderfgoedlijst van Unesco, maar heeft zwaar te lijden onder veranderingen in de natuurlijke omgeving, vervuiling en toerisme.

Om half acht meld ik me bij pier E van de jachthaven in Cairns, waar de catamaran Seastar al klaar ligt. De superaardige bemanning van de Seastar is internationaal samengesteld en onder hen bevindt zich ook een Nederlander: Jelle, die door z’n collega’s ‘jelly’ wordt genoemd. J Ook de ongeveer dertig gasten aan boord komen uit verschillende landen. Als we eenmaal onderweg zijn, ga ik op het voordek zitten, waar je wel voor lief moet nemen dat je af en toe een douche krijgt. Het is prachtig weer en volgens de bemanning is de temperatuur van het oceaanwater maar liefst 27 graden. In een uurtje varen we naar onze eerste stop: Michaelmas Cay. Dit is een heel klein eiland, dat alleen uit wit zand bestaat en waar een kolonie vogels leeft. Het is de eerste plek waar we gaan snorkelen. Het is twaalf jaar geleden dat ik heb leren snorkelen en dat was niet in het open water van een oceaan, dus het is in het begin weer even wennen. Ik volg eerst de ‘snorkeltour’, waarbij Vinny je rondleidt en uitleg geeft en je op vissen wijst. Daarna hebben we alle tijd om vrij rond te zwemmen. In het ondiepe water rond Michaelmas Cay bevindt het koraal zich dicht bij het wateroppervlak. Ook boven water kan je door het heldere water zien waar het koraal zich bevindt en hoe dicht het bij het oppervlak zit. Het is echt schitterend. De onderwaterwereld is zo anders dan onze ‘eigen’ wereld boven water. Overal zie je verschillende soorten koraal: zacht koraal dat meebeweegt met de stroming, bolvormige koraal, en verschillende kleuren: bruin en grijs, maar ook geel en blauw. En overal vissen in alle soorten en maten en kleuren. Ik ben in Sydney in het SeaLife Aquarium geweest, waar je veel van wat je hier ziet ook kan zien, maar dat haalt het toch bij lange na niet bij het echte koraalrif, waar je er zelf tussendoor zwemt. Ik blijf rondjes zwemmen, want het gaat niet vervelen.

Terug aan boord krijgen we een uitgebreide lunch geserveerd. Niet verkeerd: lunchen in je zwembroek op het voordek in de zon. J Na de lunch gaan we naar het Hastings Reef. Hier snorkelen we vanaf de boot. Het koraalrif is hier heel anders. Op sommige plaatsen zit het vlak onder het wateroppervlak, om vervolgens de diepte in te duiken, als een soort kliffen onder water. Ook dit stuk van het rif is schitterend en ook hier zijn veel vissen. Op beide plekken zijn we 2,5 uur, dus we hebben echt alle tijd om van het natuurschoon te genieten. Het bezoek aan het Great Barrier Reef is een onvergetelijke ervaring en een geweldige laatste dag van m’n reis door Australië.

Terug naar Nederland

De volgende dag, woensdag 30 oktober, pak ik m’n spullen in en laat ik me met een shuttlebus naar de luchthaven van Cairns brengen. Ik heb weer een lange reis voor de boeg: eerst in een kleine zeven uur naar Hong Kong, daar zes uur wachten en dan nog twaalf uur terug naar Nederland. Het zal donderdagochtend half zeven zijn als ik daar aankom. Onderweg kan ik nagenieten van een prachtige reis. 3,5 week is natuurlijk niet genoeg om heel Australië te zien, dus ik heb een keuze moeten maken. Maar het is wel een goede keuze geweest, een combinatie van steden en natuur, van de koele zuidkust tot het warme binnenland en het tropische noorden. Als ik moet kiezen, dan waren Sydney, Melbourne, de Great Ocean Road, Kangaroo Island, Uluru en het Great Barrier Reef de hoogtepunten. Ik heb in 3,5 week veel gezien, maar ik zal toch een keer terug moeten komen om de rest van Australië te zien, want er is nog veel meer.