19 april – 15 mei 2014

Tokyo

Op naar het land van de rijzende zon! Japan, of Nihon zoals de inwoners hun land noemen, ligt op ruim tien uur vliegen van Nederland. Het land bestaat uit 6.800 vulkanische eilanden, waarvan Honsu, Hokkaido, Kyushu, Shikoku en Okinawa de vijf grootste zijn. De 128 miljoen inwoners bewonen slechts een kwart van het oppervlak van Japan (de rest bestaat voornamelijk uit bossen) en de bevolking van Japan is één van de meest homogene ter wereld (slechts één miljoen is van niet-Japanse afkomst). In de negentiende eeuw kende Japan nog een traditionele feodale samenleving. Na een snelle industrialisatie volgden de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. In de tweede helft van de vorige eeuw maakte Japan een sterke economische groei door en hoewel de groei in de jaren negentig is gestokt, is Japan na de Verenigde Staten en China nog altijd de derde economie ter wereld. Ik verwacht een hypermodern en tegelijkertijd enigszins mysterieus land met een bijzondere cultuur aan te treffen.

Ik vertrek op zaterdagmiddag vanuit Nederland en kom op zondagochtend om half negen lokale tijd aan op Narita International Airport. Voordat we landen moet ik op het douaneformulier invullen of ik een zwaard bij me heb (natuurlijk) of “obscene or immoral materials” (zou dat iets over de Japanse cultuur zeggen?). De paspoortcontrole gaat snel en na het ophalen van mijn bagage kan ik bij de douane meteen doorlopen. Ik ga eerst naar het servicecentrum van Japan Rail (JR) om mijn in Nederland aangeschafte voucher in te wisselen voor een Japan Rail Pass. Daarmee kan ik 21 dagen onbeperkt met de trein reizen.  Japan heeft misschien wel het beste treinnetwerk ter wereld, met moderne treinen en een flink aantal hogesnelheidslijnen. Een perfecte manier om in Japan te reizen dus. Vanaf de luchthaven naar Tokyo neem ik echter geen JR-trein, maar de Kensai Skyliner, die sneller is en rechtstreeks naar station Ueno gaat, waar mijn hotel in de buurt is. In veertig minuten sta ik in hartje Tokyo. Mijn hotelkamer is nog niet beschikbaar, dus ik laat mijn bagage achter en nadat ik me even heb opgefrist ben ik klaar om de stad in te gaan.

Waar nu één van de grootste steden ter wereld is, stond in de vijftiende eeuw alleen een kasteel: Edo. In 1868 vestigde de Japanse keizer zich in Edo en herdoopte de stad Tokyo. De stad ligt geografisch ongeveer halverwege Japan, aan de oostkust van het eiland Honsu. Tokyo is in de loop van de geschiedenis meerdere keren verwoest: in 1657 werd driekwart van de stad door brand in de as gelegd, in 1923 de halve stad weggevaagd door een zware aardbeving en in de Tweede Wereldoorlog werd de stad zwaar gebombardeerd. Anno nu is het een moderne stad, met veel beton en staal en in die zin een stad zoals zoveel (wereld)steden. Maar daar tussendoor vind je overal overblijfselen van het traditionele Japan.

Ik wandel naar de wijk Asakusa. De straatnamen van de wat grotere straten zijn behalve in het Japans ook in Romeins schrift aangegeven en met een plattegrond erbij is het niet moeilijk om in Tokyo de weg te vinden. Ik kom er al snel achter dat fietsers hier op de stoep rijden. En dat iedereen keurig netjes voor een rood voetgangersstoplicht wacht. Het is zondagmiddag en niet erg druk op straat. Maar als ik in de Nakamise-dori (dori = straat) kom, is het gedaan met de rust. De Kaminari-mon (mon = poort) markeert het begin van een voetgangersgebied dat naar de Senso-ji tempel (ji = tempel) leidt. Aan weerszijden zijn soevenirwinkeltjes en het is er ontzettend druk. Ik zie westerse toeristen, maar een bezoek aan Senso-ji lijkt ook een populair zondagmiddaguitje voor Japanners. De Hozo-mon is de toegangspoort tot het in opvallend rood geschilderde tempelcomplex. Het is mijn eerste kennismaking met een Japanse tempel – en er zullen er deze reis nog veel volgen.

Na mijn bezoek aan de Senso-ji, loop ik terug naar Ueno. Onderweg haal ik lunch en neem die mee naar Ueno-koen, oftewel het Ueno-park. Ook dit park is een geliefde plek om de zondagmiddag door te brengen. Het park is onder meer bekend vanwege de kersenbomen die in het voorjaar uitbundig bloeien. Nou viel het kersenbloesemseizoen vroeg dit jaar, maar er staan nog bomen in bloei. In het park, met uitzicht op de Shinubazu vijver, staat een kleine tempel, de Kiyomizu Kannon-do (do = ook tempel), een rood gebouw daterend uit 1631. En op een schiereiland in de Shinbazu vijver staat nog een kleine tempel, de Benten-do, die wordt omgeven door kleine eetstalletjes.

Vanaf het Ueno park loop ik zuidwaarts, naar de wijk Kanda. Een deel van de Chuo-dori is op zondag afgezet voor verkeer, waardoor voetgangers over de brede weg kunnen lopen. Ook hier is het erg druk. Aan weerszijden van de straat zitten elektronicawinkels, warenhuizen, manga- en animewinkels en goedkope restaurants en fastfoodketens. Japanners zijn gek op manga en anime. Je ziet het overal op billboards en in advertenties en in de vele manga- en animewinkels is het overal druk. Tussendoor zie je overal automaten op straat. Die zie je sowieso overal: op iedere hoek van de straat staat wel een automaat, vaak met flesjes drinken, maar ook met sigaretten, kleine pluche beestjes en – jawel – eten. Je drukt op het plaatje van wat je wilt eten, betaalt en haalt dan bij de deur naast de automaat je bestelde eten op. Maf. Ook zie ik veel van die automaten met grijpers die je bij ons op de kermis ziet, waarmee je enorme pluche beesten kan ‘grijpen’.

Temidden van die kakafonie aan beelden en geluiden, vind je een straat verder dan ineens een oud heiligdom, waar een serene rust heerst. De ingetogen zwarte Yushima Seido is gewijd aan Kong Fuzi (bij ons bekend als Confucius) en in 1631 gesticht om de leer van Kong Fuzi te onderwijzen. Nadat ik via de Chuo dori ben teruggelopen, duik ik nog even de Ameyokochi in, een druk winkelstraatje met marktstalletjes waar onder andere vis en fruit wordt verkocht. Het valt me op hoe keurig het fruit is geordend, zelfs de kersen liggen keurig in rijtjes in hun verpakking. Het oog wil ook wat, zullen ze wel gedacht hebben. En een geliefde snack (want veel gezien) is blijkbaar fruit op een stokje.

Op mijn tweede dag in Tokyo sta ik vroeg op om en bezoek te brengen aan Tsukiji (officieel de Tokyo Metropolitan Central Wholesale Market, maar die naam is zo lang dat niemand ‘m gebruikt). Zes dagen per week vindt hier een grote overdekte markt plaats waar groothandelaren hun verse vis, groenten en fruit verkopen aan winkeliers en restaurants. Het bekendste deel is de enorme vismarkt, waar je 1.600 stalletjes vindt waar de verse vis wordt verwerkt en verkocht. Het is een levendige markt, waar karretjes af en aan rijden om de kratten met verkochte vis naar buiten te brengen.

Nadat ik hier een tijdje heb rondgekeken ga ik richting het keizerlijk paleis. Het is bewolkt en het miezert, een goede reden om een Starbucks in te duiken voor koffie en een broodje. Het keizerlijk paleis, Kokyo, staat midden in Tokyo, op de plek waar ooit het Edo kasteel stond. Het paleis, waar ook de huidige keizer woont, is omgeven door een brede gracht en een muur van grote granieten stenen. Aan de zuidwestkant van het complex bevindt zich de zeventiende-eeuwse Nijubashi-mon, een fotogenieke plek. Ik loop om de Higashi Gyoen (letterlijk: de oostelijke tuin) heen, langs de Oto-mon en via het Kitanomaru-koen park naar het noorden. Hier vind je de Yasukuni-jinja (jinja = heiligdom), het meest omstreden heiligdom van Japan. Yasukuni is de gedenkplek voor de gevallenen vanaf de Meji-restauratie tot aan de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1978 is het echter ook de gedenkplek van een aantal oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog. Bezoeken van Japanse politici op de dag dat de Japanse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog wordt herdacht (15 augustus), zijn sindsdien omstreden. Voor de meeste Japanners is de Yasukuni-jinja echter gewoon een plek om landgenoten te herdenken. En het is een fraai houten gebouw, aan het eind van een lang pad met een grote eveneens houten poort.

Vervolgens neem ik de trein naar Shinjuki. Dit is het hart van het hedendaagse Tokyo. Hoogbouw, warenhuizen en een uitbundige hoeveelheid reclameborden. Ook dit deel van de stad draait op winkelen. Vooral aan de oostkant van station Shinjuku staan modern, fraai vormgegeven gebouwen, maar er staan ook veel inspiratieloze kantoorkolossen. En overal kleine restaurantjes waar je voor weinig geld uitstekend kan lunchen. Ten zuiden van Shinjuku ligt een park met de Meiji-jingu, het belangrijkste shinto-heiligdom van Tokyo en gebouwd ter ere van de in 1912 overleden keizer Meiji. Shinto is een natuurgodsdienst: men gelooft dat er goden aanwezig zijn in ieder natuurfenomeen. Japanners zijn shinto van geboorte, ongeveer de helft van de bevolking is daarnaast ook praktiserend boeddhist (het shitoïsme is een heel tolerante godsdienst, dus je mag er best een tweede overtuiging op nahouden). Onder keizer Meiji (1890-1945) was shinto de staatsgodsdienst van Japan en nauw verbonden met de nationalistische politiek van het keizerrijk en in heel Japan vind je tot op vandaag heiligdommen waar shintogoden of voormalige keizers worden geëerd. Zoals de Meiji-jingu dus. Via een aantal fraaie poorten kan je vanaf drie kanten de binnenplaats betreden, aan de vierde kant staat het hoofdgebouw. Het is leuk om te zien welke gebruiken bezoekers van tempels en heiligdommen erop na houden. Zo kan je hier kleine houten bordjes kopen waar je een wens op kan zetten en dan aan een wand met allemaal van die bordjes kan hangen. Bezoekers gooien voor het altaar van het heiligdom een muntstuk in een bak, maken een kleine buiging en klappen daarna twee keer in hun handen. Bij tempels zie je vaak een gong hangen, die door bezoekers wordt geluid.

Nikko

Met de Japan Rail Pass kan je ook gebruik maken van de aerodynamisch gelijnde hogesnelheidstreinen: de shinkansen. De treinen zijn erg comfortabel, schoon, ruim en met verstelbare stoelen. Er zijn geen afvalbakken, maar er ligt ook nergens afval, nog geen papiertje. Niemand heeft harde muziek aan staan en telefoneren doe je op het balkon, niet in de coupés. Een verademing vergeleken met Nederlandse treinen. Op de stations en in de treinen wordt alle informatie in twee talen aangegeven (Japans en Engels) en de treinen rijden 100% op tijd. Op de perrons staat precies aangegeven waarde deuren van de trein zullen zijn en daar vormen zich keurige rijtjes passagiers. Geen gedring zoals in Nederland. En ze gaan hárd… J De lokale treinen, die wat meer weg hebben van een metro en ook iedere paar minuten rijden, zitten in steden als Tokyo vaak wel behoorlijk vol, met name in de ochtendspits en vooral met mannen in pak.

Met de shinkansen Yamabiko en de JR Nikko-lijn ben je in twee uur in Nikko. Het dorpje zelf is niet zo bijzonder en het is nog vroeg als ik er aankom, de meeste winkels zijn nog gesloten. Aan het eind van de hoofdstraat ligt de rode Shin-kyo boogbrug, oorspronkelijk gebouwd in 1636, maar de huidige versie is van latere datum. Een pad omhoog leidt naar de Rinno-ji, een boeddhistische tempel die in 766 is gesticht. Het hoofdgebouw van de Rinno-ji wordt momenteel gerenoveerd, een klus die maar liefst zes jaar duurt en waarbij de hele houten tempel (waar een grote loods omheen is gebouwd) onderdeel voor onderdeel wordt gedemonteerd, gerenoveerd en vervolgens weer in elkaar wordt gezet. Een indrukwekkende klus. Een paar boeddhabeelden die normaal in de tempel te zien zijn, zijn wel te bezichtigen, de tempel zelf pas weer in 2020…

Een volgend pad leidt naar de Tosho-gu, het belangrijkste complex in Nikko. Tosho-gu is het heiligdom ter ere van keizer Tokugawa Ieyasu, die in 1616 overleed. Het indrukwekkende complex werd voltooid in 1634 en straalt in alles de rijkdom en macht van de Tokugawa-dynastie uit. De stenen torii (een shintopoort die je bij ieder shinto-complex ziet) staat er al sinds 1617, de vijf verdiepingen tellende pagode is een keer door brand verwoest en dus een replica. Via de Omote-mon kom je op de binnenplaats, waar diverse fraai vormgegeven gebouwen staan, allemaal voorzien van gedetailleerd houtsnijwerk. Daarna volgen nog twee poorten, de Yomei-mon, met links een drumtoren en rechts een klokkentoren, en de Kara-mon, voordat je bij het hoofdgebouw van het complex bent: de Haiden. De stijl van dit gebouw is weer heel anders: wit en goud domineren. Ondanks de grote hoeveelheid voornamelijk Japanse toeristen is het een indrukwekkend complex. De laatste tempel die ik in Nikko bezoek, is de Taiyuin-byo, die minder uitbundig oogt (met name doordat het complex ingetogen zwart is geschilderd), ook minder bezoekers trekt, maar wel de moeite waard is. daarmee heb ik wel weer even genoeg tempels en heiligdommen gezien. Terug in Tokyo heb ik nog tijd om het Nationaal Museum te bezoeken, dat aan de noordkant van het Ueno-park ligt. Het museum biedt een overzicht van de geschiedenis van Japan, aan de hand van opgegraven spullen, geschriften, schilderijen, samuraizwaarden, kleding et cetera.

Kamakura

De trein van Tokyo (Ueno) naar Kamakura doet er ongeveer een uur over. De rit gaat de hele tijd door stedelijk gebied. Tokyo en zijn voorsteden tellen acht miljoen inwoners en iedere vierkante meter lijkt hier bebouwd of anderszins in gebruik. Pas vlak voor het station Kita-Kamakura maakt de bebouwing plaats voor heuvels. Nadat een machtsstrijd tussen de seculiere keizers en invloedrijke boeddhistische monniken een paar keer tot oorlog had geleid, namen miliairen, de shogun, aan het begin van de twaalfde eeuw de macht in Japan over. De eerste shogun die leider van Japan werd, Minamoto Yorimoto, vestigde zijn regering in 1185 in Kamakura. In de jaren daarna zijn hier diverse tempels en heiligdommen gebouwd. De shogun onderschreven het zen-boeddhisme en die cultuur, overgekomen vanuit China, bloeide in die tijd. In 1333 werd het keizerrijk hersteld en werd Kyoto de hoofdstad van Japan. Kamakura is zeven eeuwen later nog steeds bezaaid met zen-tempels. Ik begin de (prachtige zonnige) dag bij de Engaku-ji, die in 1282 is gesticht ter ere van de Japanners die in 1274 en 1281 waren gesneuveld in de oorlogen met de Mongolen. Je komt het complex binnen via de indrukwekkende San-mon, een knappe houten constructie met fraai houtsnijwerk. Vervolgens kom je bij de Butsu-den, de Boeddha-zaal met, je raadt het al, een groot boeddhabeeld. Het complex heeft nog meer fraaie gebouwen, zoals de Shari-den en de Butsunichi-dau. Het is een indrukwekkend tempelcomplex, het mooiste dat ik tot nu toe heb gezien.

Tot nu toe, want een klein stukje verder staat de Kencho-ji, het grootste en indrukwekkendste tempelcomplex in Kamakura en tevens het oudste zen-traingingscomplex van Japan. De tempel is gesticht in 1253. In de veertiende en vijftiende eeuw zijn sommige gebouwen verloren gegaan, maar dat hebben ze slim opgelost voor vergelijkbare gebouwen uit Tokyo en Kyoto stukje voor stukje uit elkaar te halen, hier naartoe te transporteren en weer in elkaar te zetten. De toegangspoort, de San-mon, is nog groter dan die bij de Engaku-ji, de enorme tempelklok dateert uit 1255. Een pad leidt naar de Butsu-den (die oorspronkelijk in Tokyo stond) en waarin deze keer geen beeld van Boeddha te vinden is, maar van Jizo, de beschermgod van kinderen. Achter de Butsu-den staat de Hatto, beide zijn bruine houten gebouwen. De wit met gouden Kara-mon in Chinese stijl wijkt daar nogal van af. Overal lopen schoolklassen rond en ik word door een groepje leerlingen gevraagd om met ze op de foto te gaan.

Als je de andere toeristen in Kamakura volgt, kom je vanzelf bij de volgende bezienswaardigheid: de Tsurugaoka Hachiman-gu. Dit is het heiligdom van de clan van shogun Minamoto. Het fel rode complex staat bovenaan een lange trap en is gebouwd in 1063 en in 1191 naar deze plek verhuisd. De god die er wordt vereerd is Hachiman, de god van, hoe kan het ook anders bij shogun, oorlog. Wat je in ieder geval niet wilt missen als je in Kamakura bent, is de Daibutsu, oftwel de grote Boeddha. Dit dertien meter hoge bronzen boeddhabeeld is in 1252 gemaakt en heeft sindsdien regen, wind en aardbevingen doorstaan. Het is een enorm beeld met een rustgevende uitstraling, erg mooi.

Hakone

Op donderdagochtend verlaat ik Tokyo en neem ik de shinkansen naar Odawara. Daar haal ik een Hakone Free Pass die toegang geeft tot het vervoer in Hakone National Park. Ik breng mijn bagage naar het hotel in Hakone-Yumuto en ga eerst ergens koffie drinken, voordat ik, net als de meeste bezoekers, het standaard rondje door Hakone maak. Eerst ga je met de trein naar het hoger gelegen Gora. Vanaf daar is de berg te stijl voor een gewone trein, dus stap je over op een tandradtreintje die je naar Sounzan brengt, op 750 meter hoogte. Vanaf daar gaat een kabelbaan over de bergen heen naar Tokendai. Hoewel het in Hakone-Yumuto zonnig was, hangt hier in de bergen vrij veel bewolking, waardoor de vulkaan Fuji helaas niet te zien is. In Togendai stap je over op een boot (een soort nep-zeventiende-eeuws galjoen) die over het Ashino-ko meer naar Hakone-machi vaart. Het laatste stuk gaat met de bus terug naar Hakone-Yumuto. Het is een leuke trip, maar erg toeristisch en niet heel spectaculair.

Ieder land heeft zo zijn eigenaardigheden en Japan heeft er ook een paar. Zo moet je in Japan goed opletten als je bij een huis of een traditioneel hotel (ryokan) naar binnen gaat. Je laat je schoenen achter bij de deur en trekt slofjes aan. Een rijtje slofjes bij de deur herinnert je daar wel aan. Maar: je hoort niet met je slofjes op een tatamivloer te stappen: dan trek je ze eerst uit. En ga je naar de wc, dan vind je bij de deur, jawel, speciale wc-slofjes. J Grappig zijn ook de wc’s die, als je gaat zitten, het geluid van doorspoelen maken, zodat je ongewenste geluiden niet hoort. Handig vind ik persoonlijk vooral de spiegels in de badkamer die deels verwarmd worden als je onder de douche staat, zodat je altijd een stuk spiegel hebt dat niet beslaat.

Op vrijdagochtend verlaat ik Hakone weer en neem ik de shinkansen Hikari richting Nagoya. Daar stap ik over op de Limited Express Shinano naar Nagiso. In totaal een reis van ruim twee uur. Mijn bestemming vandaag is Tsumago, een klein dorpje in de Kiso-vallei in centraal-Hunsu. Hier liep de oude postroute van Edo (nu Tokyo) naar Kyoto. Van de elf dorpjes op het Kiso-gedeelte van deze route zijn er nog drie over, waaronder Tsumago. Alleen ik en een Spaans stel stappen in Nagiso uit de trein. Omdat de bus naar Tsumago pas over anderhalf uur gaat, delen we een taxi. Het blijkt nog geen tien minuten rijden. Tsumago bestaat uit een verkeersvrije hoofdstraat (Terashita) en wat huizen er omheen. Alle panden zijn van hout gemaakt. Na het verdwijnen van de postroute raakte het dorp ernstig vervallen, maar in de jaren zestig van de vorige eeuw is het hele dorp opgeknapt en nu is het een populaire toeristische bestemming. En terecht: het dorp oogt voor een groot deel zoals het er in de zeventiende eeuw uitgezien moet hebben, dat wil zeggen als je de toeristen en souvenirwinkeltjes wegdenkt. J Ik mag mijn bagage bij de toeristeninformatie achterlaten, wandel op mijn gemak door het pittoreske straatje en eet bij één van de vele restaurantjes. Daarna loop ik naar Otsumago, waar ik vannacht in een ryokan slaap, een hotel/guesthouse in traditionele Japanse stijl. Mijn kamer heeft een tatamivloer, schuifdeuren en een laag tafeltje met kussens waar de thee al klaar staat. Slapen doe je op een futon, een dunne matras die overdag wordt opgeborgen. Na de thee maak ik nog een wandeling door de omgeving, naar de Odaki en Medaki watervallen. Onderweg kom ik een Japanse tv-ploeg tegen die aan het filmen is, dus het zou zomaar kunnen dat ik binnenkort op de Japanse tv te zien ben. J De overnachting bij Hanaya is inclusief diner en dat wordt stipt om zes uur geserveerd. Daarna kan ik me gaan buigen over de handleiding ‘How to make Japanse style bed’ die ik op mijn kamer vond. Het Engels is hilarisch, vraag me af wat ze bedoelen met stap 2: “The sheet is multiplied”??

Kyoto

Mijn volgende bestemming is Kyoto, waar ik drie nachten zal blijven. De Limited Express Shinano en de shinkansen Nozumi brengen me in twee uur naar de voormalige hoofdstad van Japan. Het is er prachtig weer. Kyoto ligt in een vallei met aan drie kanten bergen en dat merk je meteen: het is er een stuk warmer dan de afgelopen dagen. Ik breng mijn bagage naar het hotel en bezoek daarna twee bezienswaardigheden in het noordwesten van de stad. De eerste is de beroemde Kinkaku-ji, de tempel van het gouden paviljoen. Het paviljoen is in de veertiende eeuw gebouwd als onderdeel van één van de verblijven van shogun Yoshimitsu. Na de dood van de shogun werd het complex in een tempel veranderd. Het gouden paviljoen is prachtig aan een vijver (Kyoko-chi) gelegen, temidden van een Japanse tuin. Het paviljoen telt drie verdiepingen, waarvan er twee van bladgoud zijn voorzien. Op het dak staat een gouden feniks. Het is een prachtig plaatje, fotogenieker wordt het niet. J Verderop staat nog een oud theehuis uit de Edo-periode en een klein tempelgebouwtje. Twee kilometer verderop bevindt zich de Daitoku-ji, één van de grootste zen-tempelcomplexen in Kyoto, gevestigd in 1319. Je komt het complex binnen via de grote rode San-mon en daarachter vind je de Butsuden en Hatto zalen, maar op het terrein bevinden zich nog zo’n twintig ander ‘subtempels’, allemaal gelegen aan fraai aangelegde Japanse tuinen.

De volgende dag bezoek ik het oostelijk deel van Kyoto, dat wordt begrensd door de Kamo-gawa (gawa = rivier). Als eerste ga ik naar de Sanjusangen-do. Het bijzondere aan deze boeddhistische tempel, die uit de twaalfde eeuw stamt, is dat hij bestaat uit één grote zaal, waar 1.001 (!) vergulde beelden staan opgesteld. Ze zijn gemodelleerd naar de god Kannon (de god van de genade) en allemaal hebben ze net iets andere kleding of gelaatsuitdrukkingen. Het is een bijzonder gezicht, al die beelden die zo keurig in lange rijen staan opgesteld. Helaas mag er in de zaal niet gefotografeerd worden… L Nadat ik een terrasje heb gevonden om koffie te drinken, bezoek ik de Kiyomizu-dera, die je binnenkomt via een rood geschilderde poort en ook de andere gebouwen van dit tempelcomplex zijn rood. In de Hon-do (het hoofdgebouw) is weinig te zien, want het beeld van de god Kannon is slechts één keer in de 33 jaar te zien. De tempel ligt tegen een heuvel en van boven heb je een mooi uitzicht over Kyoto. Het is er een drukte van belang. Het valt me op dat er in Kyoto veel vrouwen in traditionele kleding lopen, meer dan op andere plaatsen waar ik tot nu toe ben geweest.

Vanaf de Kiyomizu-dera lopen twee oude straatjes naar het noorden: de Sannen-zaka en de Ninen-zaka. Langs deze straatjes staan traditionele houten huizen (machiya), die er al sinds de Edo-periode staan (hoewel de meeste negentiende-eeuwse replica’s zijn). Aan het eind van de Ninen-zaka loop je tegen de Todaj-ji aan. Deze in 1605 gestichte tempel ziet er weer heel anders uit: de gebouwen zijn wit met donkerbruin en worden omgeven door een fraai aangelegde tuin. In het iets verderop gelegen Maruyama-koen park zijn diverse photo shoots met vrouwen in traditionele kleding aan de gang. Sommige vinden het niet erg om even voor een langslopende toerist met camera te poseren. J Ten noorden van het park staat, alweer, een tempel: de Chion-in. Degene die de toegangspoort heeft ontworpen, moet van mening zijn geweest dat ‘size realy matters’. J Dat geldt ook voor de Daisho-ro, met 67 ton de grootste en zwaarste klok van Japan. De tempel is gesticht in 1175 en is het hoofdkwartier van de Jode-sekte binnen het Boeddhisme.

Toen Tokyo in de negentiende eeuw de hoofdstad van Japan werd, is de Heian-jingu gebouwd, een heiligdom ter ere van de eerste en de laatste keizer die in Kyoto zetelden. Het heiligdom is in Chinese stijl gebouwd en is fel oranje met groene daken, rondom een grote binnenplaats. Na al deze bezienswaardigheden loop ik door de Hanamikoji-dori in de wijk Gion, waar het van oudsher draait om kabuki-theater, theehuizen en geisha’s. Ook hier vind je nog oude machiya-huizen. In veel ervan zijn exclusieve theehuizen gevestigd, waar gasten door geisha’s worden ontvangen. Geisha’s zijn, in tegenstelling tot wat wel wordt gedacht, geen prostituees. Het zijn gezelschapsdames die tijdens hun vijf jaar durende opleiding geschoold zijn in zang, dans en conversatie. Ze zijn herkenbaar aan hun traditionele kleding en hun wit geschminkte gezichten. Veel theehuizen zien er van buiten gesloten uit, om te voorkomen dat voorbijgangers nieuwsgierige blikken naar binnen werpen. De meeste geisha’s die je op straat ziet, zijn gehaast en duiken snel ergens naar binnen.

Kyoto is bezaaid met tempels, maar ik ga ze echt niet allemaal bezoeken. Voorlopig heb ik er wel weer even genoeg gezien. Ik breng op mijn derde dag in Kyoto nog wel een bezoek aan Nijo-jo, het kasteel dat shogun Tokugawa Ieyasu (aan wie Kyoto veel van zijn monumenten te danken heeft) in de zeventiende eeuw liet bouwen om als zijn residentie te dienen. De bouw van het kasteel, dat wordt omgeven door een gracht en massieve muren, duurde maar liefst 23 jaar en werd pas onder de derde shogun van de Tokugawa-dynastie (Iemitsu) voltooid. Het kasteel is eigenlijk meer een paleis, of eigenlijk twee paleizen: Ninomaru en Honmaru. In Honmaru verklaarde shogun Tokugawa Yoshinobi in 1867 dat de macht van de keizer zou worden hersteld, waarmee hij een einde maakte aan de macht van de shuguns, die 270 jaar had geduurd. Ninomaru bestaat uit vijf geschakelde gebouwen waar de shogun en zijn familie resideerden en gasten ontvingen. Helaas mag ook hier niet binnen worden gefotografeerd. Jammer, want de vertrekken met tatamivloeren en met landschappen en dieren beschilderde paneeldeuren en wanden zijn de moeite waard. Het zijn de mooiste interieurs die ik tot nu toe heb gezien. De gangen eromheen hebben zogenaamde ‘nachtegaalvloeren’, oftewel piepende vloeren om insluipers te onderkennen.

Kyoto heeft ook een modern stadscentrum, waar je warenhuizen, winkelgalerijen, souvenirwinkeltjes, theewinkels, cafés en koffiezaakjes vindt. Aan de Nishikikoji-dori is al sinds de zeventiende eeuw dagelijks een overdekte markt. Mijn favoriete snack is inmiddels onigiri: driehoekjes (ook rolletjes) van rijst in nori met een vulling van bijvoorbeeld tonijn of garnalen, die ingenieus zijn verpakt zodat de nori knapperig blijft.

Nara

Drie dagen is het prachtig weer geweest in Kyoto, maar op de dag dat ik vertrek regent het. En dat doet het ook in Nara, waar ik naartoe ga en dat met de trein een uurtje ten zuiden van Kyoto ligt. Nara was de hoofdstad van Japan voordat Kyoto dat in 794 werd. Het was de tijd dat het boeddhisme in Japan tot bloei kwam, dus je raadt het al: Nara heeft een aantal tempels die het bezoeken waard zijn. J Ik breng mijn backpack eerst naar het hotel en leen een paraplu van het hotel om droog te blijven. Nara is compact en alles in makkelijk te lopen. Van alle tempels en heiligdommen in en rond Nara bezoek ik er twee. Eerst ga ik naar de Kofuku-ji, gesticht in 669, maar ‘pas’ sinds 710 op de huidige locatie en in de achtste eeuw één van Nara’s belangrijkste tempels. Het hoofdgebouw wordt gerestaureerd, maar de gebouwen er omheen, zoals de achtkantige Tokon-do uit de vijftiende eeuw, en de grote pagode zijn wel te bezichtigen. Helaas mag in de Tokon-do weer niet gefotografeerd worden, want de beelden die er staan zijn erg mooi. Hetzelfde geldt voor de oostelijke zaal, de Kokuhokan, die ook volstaat met prachtige (boeddha-)beelden.

De andere tempel die ik bezoek is de ‘must-see’ Todai-ji. De tempel is gesticht in 745 door keizer Shomu en is het hoofdkwartier van de Kegon-sekte in het Boeddhisme. De bouw duurde vijftien jaar en het hoofdgebouw van de Todai-ji is het grootste houten gebouw ter wereld. Het huidige exemplaar is de derde, nadat eerdere versies in 1180 en 1567 door brand waren verwoest. Je komt het terrein op via de grote Nandai-mon, met aan weerszijden zeven meter hoge beelden van twee beschermgoden (Nio). Het hoofdgebouw is de Daibutsu-den, oftewel de grote zaal van Boeddha. Hier vind je het grootste vergulde boeddhabeeld van Japan: vijftien meter hoog. Het is een indrukwekkend groot beeld. Zeker als je bedenkt in welke tijd en met welke middelen het beeld is gemaakt. Zo oud en hij staat er nog steeds.

Koyasan

Vijftig kilometer ten zuiden van Osaka ligt de berg Koya, één van Japan’s heiligste bergen. Hier vind je de hoofdtempel van de Boeddhistische Shingon-school, de Kongobu-ji, plus ruim honderd andere boeddhistische tempels en kloosters. De Shingon-school is in de negende eeuw gesticht door Kobo Daishi, die in China het Boeddhisme had bestudeerd en die behalve het Boeddhisme ook op allerlei andere terreinen een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de Japanse cultuur. Vanuit Osaka rijdt de trein langzaam de bergen in, een mooie rit. Koyasan zelf is een klein dorpje bovenop de berg (bereikbaar met een tandradtreintje en een bus) en bestaat uit wat winkeltjes en restaurantjes, niet heel bijzonder. Ik logeer de komende nacht in de Shojoshin-tempel. Nadat ik mijn bagage het afgegeven, loop ik naar Okunion, een grote begraafplaats midden in het bos, waar duizenden grafstenen, torii’s en stoepa’s in alle vormen en maten staan, veelal met mos begroeid. Heel apart, al die graven en het vochtige bos maakt dat er een bijzondere sfeer op de begraafplaats hangt. Aan het eind van een lang pad bevindt zich de ‘Lantarenhal’, waar ter ere van Kobo Daishi 10.000 olielampen permanent branden. Daarachter bevindt zich de tombe van Kobo Daishi (die natuurlijk niet dood is, maar ‘eeuwige meditatie’ heeft bereikt…). Ik loop ook nog even langs de Kongobu-ji en ga daarna naar Shojoshin. In deze 150 jaar oude tempel krijg ik een sfeervolle kamer in traditionele Japanse stijl: tatamivloer, schuifdeuren een theetafeltje en zelfs schuifdeuren naar een klein balkon dat uitkijkt op een Japanse tuin. Om half zes wordt het diner geserveerd. Dat bestaat uit shojin-ryori, boeddhistisch vegetarisch eten, allemaal kleine gerechtjes met rijst en thee. Alle gasten hebben een eigen (laag) tafeltje, afgeschermd door kamerschermen (privacy gaat hier blijkbaar voor socialiseren).

De volgende ochtend worden van alle gasten verwacht dat ze de ochtendceremonie in de tempel bijwonen. Die ceremonie blijkt te bestaan uit drie kwartier tamelijk monotoon gezang door drie monniken, waar je als niet-Japanner natuurlijk niets van verstaat (en waar je helaas ook geen uitleg over krijgt). Apart.

Osaka

Na de rust van Koyasan is de drukte van de grote stad even schakelen. In Osaka heb ik voor het eerst even moeite met het vinden van mijn hotel. Nadat dat toch is gelukt, ga ik naar het Osaka Civil Rights Museum. Ook hier moet ik even zoeken. Ik ben de enige bezoeker van het museum, dat volledig op vrijwilligers draait. De displays zijn in het Japans, maar ik krijg een Engelstalige informatiemap mee. Het museum gaat in op allerlei mensenrechtenkwesties in het oude èn het huidige Japan, zoals de discriminatie van de Ainu-minderheid (de oorspronkelijke bewoners van de Japanse eilanden), kinder- en vrouwenmishandeling (één op de drie Japanse vrouwen zegt ooit of regelmatig slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld) en het denken over traditionele en moderne leefvormen (de norm is nog altijd het traditionele gezin waarbij de man werkt en de vrouw de kinderen opvoedt). Ook wordt ingegaan op het klassensysteem dat Japan tot 1871 kende en waarbij je status en je toekomstige beroep al bij geboorte vaststonden.

Osaka is een grote, drukke havenstad, modern, met drukke expressways en flyovers dwars door de stad en naar mijn mening weinig sfeervol. Ik loop wat rond, langs grote winkelcentra, gokhallen waar een ontzettend harde herrie uitkomt en talloze kleine restaurantjes en eetstalletjes. Bij één van de stalletjes ga ik zitten om takoyaki (octopus dumplings, een lokale specialiteit) uit te proberen. Ze zijn gloeiend heet en wat smaak betreft niet echt voor herhaling vatbaar.

Hiroshima

De volgende dag, vrijdag 2 mei, reis ik verder, met de shinkansen Hikari van Osaka naar Hiroshima (345 kilometer in anderhalf uur). Ik was van plan een tussenstop te maken in Himeji, om het zeventiende-eeuwse reigerkasteel, Himeji-jo, te bezoeken. Maar dat wordt momenteel gerestaureerd en is pas in 2016 klaar. Helaas (maar ik ga nog naar Kumamoto en daar is een vergelijkbaar kasteel).

In Hiroshima rijden trams, handig want mijn hostel zit wat verder van het station en de halte is voor de deur. De zon staat hoog aan de hemel en het is een aangename 27 graden. Mijn eerste indruk van Hiroshima is dat het een moderne, ruim opgezette stad is. Een prettige stad, met moderne winkelstraten. Maar de stad is dan ook nog geen zeventig jaar oud. Op 6 augustus 1945 om 08:15 uur ontplofte op 580 meter boven Hiroshima de eerste atoombom die ooit in een oorlog is ingezet. Het was een heldere dag, net als vandaag. De bom ontplofte recht boven de Industrial Promotion Hall, een statig gebouw, geopend in 1915. Omdat het gebouw zich in het centrum van de ontploffing bevond, bleven een deel van de binnenste muren en de koepel daarboven, staan. Als enige in drie kilometer omtrek. In één klap werden 70.000 gebouwen verwoest en 80.000 mensen gedood (in het jaar erna overleden nog eens 60.000 mensen aan de gevolgen van de bom). Ik heb er maar één woord voor: misdadig. De gehavende koepel, nu bekend als Genbaku Domu (de atoombomkoepel) staat zeventig jaar later nog altijd aan de oever van de Motoyasu-gawa rivier, midden in de volledig herbouwde stad. Als een stille getuige van de geschiedenis. Ik vind het een ontzettend indrukwekkende plek om te zijn.

Aan de andere kant van de rivier ligt Heiwa Kinen-koen, het Peace Memorial Park. Het oorlogsmonument, de Memorial Cenotaph, is een moderne stenen boog aan het eind van een ondiepe vijver. De boog staat in één lijn met een eeuwigdurende vlam èn met de koepel. Erg mooi gedaan. Onder de boog staat een stenen kist met daarin de namen van alle (bekende) slachtoffers van de atoombom. Er is een apart Children’s Peace Monument en het Peace Memorial Museum vertelt het verhaal van de atoombom. Van de ontwikkeling van de bom (mede op aanraden van Albert Einstein), via de aanloop naar het besluit van de Verenigde Staten om de bom in te zetten, tot de dag waarop zit gebeurde en de gevolgen op de korte en lange termijn. Alles bij elkaar is dit de meest indrukwekkende plek waar ik in Japan ben geweest.

Miyajima

Als je op een zaterdag naar het eiland Miyajima gaat, weet je één ding zeker: je bent niet de enige. J Blijkbaar is een bezoek aan dit eiland ten zuidwesten van Hiroshima een populair uitje. Met de tram, trein en veerboot doe ik er ongeveer een uur over om er te komen. Miyajima ligt in een binnenzee, Seto Naikai, tussen de eilanden Honsu en Shikoku in. Het eiland is vooral bekend van de Itsukushima-jinja, een shinto-heiligdom, en de oranje O-torii die voor het heiligdom in zee staat. De Itsukushima-jinja wordt ook wel het ‘drijvende heiligdom’ genoemd, omdat het boven het water is gebouwd. Het bestaat uit oranje corridors met lantaarns en dateert uit 1168. De torii is van latere datum: 1875. Achter de Itsukushina-jinja torent de hoger gelegen pagode Senjokaku boven de bomen uit. Het is ontzettend druk op het eiland, met voornamelijk Japanse dagjesmensen. Er zijn talloze souvenirwinkeltjes en eetstalletjes (die allemaal dezelfde souvenirs resp. snacks verkopen). Toch is de fotogenieke O-torii de moeite waard om hier naartoe te komen.

Kumamoto

Als ik na een rit van een uur en drie kwartier met de shinkansen Sakura aankom in Kumamoto, ben ik op het zuidelijke eiland Kyushu beland. Kumamoto is geen bijzondere stad, maar je vindt er wel één van de mooiste kastelen van Japan: Kumamoto-jo. Het kasteel is begin zestiende eeuw gebouwd in opdracht van Kato Kiyomasa. In 1877 is het kasteel vrijwel geheel door brand verwoest, maar in 1960 is het helemaal hersteld. Het hoofdgebouw van het kasteel bevindt zich bovenop een dertig meter hoge verdedigingsmuur. Daaromheen zijn nog meer verdedigingsmuren met uitkijktorens gebouwd, waarvan één toren de brand van 1877 heeft overleefd en dus nog origineel is. Het is een indrukwekkend bouwwerk en ik kan me voorstellen dat het inderdaad een onneembare vesting was, zoals het bekend staat.

Het is eigenlijk gek om hier van een ‘Japanse tuin’ te spreken (hier heet zoiets gewoon een tuin). Hoe dan ook, Suizenji-koen is één van de bekendste van Japan. Oorspronkelijk aangelegd in 1632 is het niet echt een park om in het gras te gaan liggen (helaas), maar meer één om te wandelen en er is een theehuis. Een mooie plek om even aan de drukte van de stad te ontsnappen.

Aso

De volgende dag heb ik een dagtrip naar de Aso-vulkaan gepland. Deze keer geen flitsende shinkansen, maar de Hohi-lijn, het regionale boemeltje. De trein rijdt rustig omhoog; dit deel van Kyushu bestaat uit hooggelegen grasland en bergen die het resultaat zijn van vulkanische activiteit. In het midden hiervan ligt de Aso-krater, de grootste vulkaankrater ter wereld. De krater is 100.000 jaar geleden ontstaan toen de vulkaan instortte en beslaat een gebied van 18 bij 24 kilometer. Een groot deel is nu vruchtbaar grasland. Door voortdurende vulkanische activiteit zijn vijf bergpieken gevormd, die samen Mount Aso worden genoemd en tussen de 1.300 en 1.600 meter hoog zijn. Van die vijf is alleen de Naka-dake nog actief. En die bezoek ik vandaag. In plaats van het kabelbaantje die je naar de rand van de krater brengt, kies ik ervoor om het laatste stuk te gaan lopen, een wandeling van ongeveer twintig minuten. Boven de Naka-dake-krater komen grote stoomwolken uit en het ruikt er naar zwavel. Aan de rand van de krater heb je een uitzicht over de hele krater, met het kratermeer in de diepte, die groen is, maar grijs wordt als het water opwarmt (vandaag is het kratermeer grijs). Bijzonder om zo dicht bij de rand van een actieve vulkaan te kunnen komen.

Nagasaki

Met de Shinkansen Tsubame en de Limited Express Kamome kom ik op dinsdag 6 mei rond het middaguur aan in Nagasaki, de laatste stop op mijn reis door Japan. Nagasaki is de tweede stad die door een Amerikaanse atoombom werd getroffen, drie dagen na de bom op Hiroshima, op 9 augustus 1945. Nadat ik mijn bagage naar het hotel heb gebracht, neem ik de tram naar de wijk Urakami, ten noorden van het treinstation. Hier bevond zich het epicentrum van de explosie. Er is nu een Peace Park en een Peace Memorial Hall. Het is allemaal wat eenvoudiger gehouden dan in Hiroshima, maar de Memorial Hall is wel heel indrukwekkend, vooral door zijn moderne, strakke, sobere vormgeving. Na de twee atoomaanvallen gaf Japan zich gewonnen en kwam er een eind aan de Tweede Wereldoorlog. Japan is nog tot 1952 door de Verenigde Staten bezet geweest. In die jaren is de grondwet van Japan hervormd, is er een seculiere democratische regering geïnstalleerd (maar de keizer bleef het staatshoofd), is het land gedemilitariseerd (het leger en het Ministerie van Defensie werden afgeschaft) en is in de grondwet opgenomen dat Japan oorlog afwijst.

Nagasaki wordt aan drie kanten door heuvels ingesloten (aan de vierde kant ligt het water van de Oost-Chinese Zee). De wijk Nishizaka is tegen de heuvels gebouwd en in deze rustige wijk vind je een zeventiende eeuwse zen-tempel, Shofuku-ji, die weliswaar in 1715 is herbouwd, maar vervolgens wel de atoombom heeft overleefd. Het is een klein complex met eeuwenoude gebouwen, omgeven door bamboebomen en palmen. Het is een prachtige, rustige plek, ik ben er de enige bezoeker. Als je een stukje omhoog loopt, richting de begraafplaats, heb je een mooi uitzicht over Nagasaki. Raar dat hier verder niemand komt. Het is misschien wel het leukste tempeltje waar ik ben geweest, omdat het er zo rustig is en je het niet verwacht.

Vervolgens loop ik langs de Nakashima-gawa, de (niet-natuurlijke) rivier die door Nagasaki loopt en die vroeger een belangrijke rol had bij de handel. Over de rivier is een aantal boogbruggen gebouwd, waarvan de Megane-bashi uit 1634 de oudste is. In 1570 openden de Portugezen als eerste een handelspost bij Nagasaki, op een kunstmatig eiland voor de kust: Dejima. De Portugezen probeerden echter ook het katholicisme in Japan te verspreiden, wat niet zo werd gewaardeerd. De shogun lieten de zendelingen vervolgen, bang dat de christenen politieke invloed zouden krijgen. In 1639 werden de Portugezen gesommeerd hun handelspost te verlaten. Twee jaar later namen de Nederlanders hun plaats in. Nederland had de shogun namelijk gesteund in hun strijd. De daarop volgende tweehonderd jaar waren het de Nederlanders en een aantal Chinese handelaren die als enige handel mochten drijven met Japan. Voor het overige was het door de shoguns geleide Japan geheel afgesloten voor de rest van de wereld. De Nederlanders en Chinezen vormden voor de Japanners de enige link met de buitenwereld. De geslotenheid duurde tot 1853 en kort daarna, in 1867, werd het keizerrijk hersteld. Door landwinning is het kunstmatige eiland Dejima nu ingesloten in de stad, maar Nagasaki is bezig het eiland in zijn oude glorie te herstellen. De oorspronkelijke kademuren zijn weer uitgegraven en de gebouwen op het voormalige eiland, waar de Nederlanders handel dreven met Japan, zijn gerenoveerd.

Mijn laatste dag in Japan doe ik rustig aan. Ik wandel wat door het centrum van Nagasaki en door het (kleine) Chinatown (waar je erg lekker kan lunchen) en neem een kijkje bij de haven. Nagasaki is de enige plek in Japan waar ik ben geweest die aan het water ligt. Langs het water is een moderne kade met restaurants en terrassen aangelegd. Daarmee zit mijn reis door Japan erop. Morgenochtend (donderdag 8 mei) neem ik al vroeg de trein naar Fukuoka International Airport, vanwaar ik naar Busan in Zuid-Korea vlieg. Ik had verwacht in Japan een wat gesloten, exotische, beetje mysterieuze cultuur te treffen. De sporen van dat traditionele Japan zijn overal te vinden, maar Japan is daarnaast ook een heel modern en toegankelijk land. Het is een zeer veilig land, schoon en efficiënt, er is ontzettend veel te zien (totdat je geen tempels meer kan zien) en de mensen zijn er erg vriendelijk, behulpzaam en uiterst beleefd. Ik had het niet verwacht, maar Japan blijkt een heel makkelijk land om te reizen. Een zeer geslaagde reis dus. Op naar Zuid-Korea!

Van Japan naar Zuid-Korea

In minder dan een uur vlieg ik van Fukuoka naar Busan, aan de andere kant van de Straat van Korea. Ook hier nemen de douane en het ophalen van mijn bagage maar enkele minuten in beslag. Officieel heet Zuid-Korea de Republiek Korea, maar de Koreanen zelf noemen hun land Hanguk. Ik zal voor het gemak maar over Zuid-Korea spreken. Ik heb voor mijn week in Zuid-Korea een KoRail Pass besteld, maar die blijk ik niet op de luchthaven te kunnen inwisselen. Daarvoor moet ik naar het treinstation in Busan. Dat gaat per bus, die er een half uur over doet om in het centrum van de stad te komen. Busan is een grote, drukke stad met veel hoogbouw en wordt wel ‘klein Seoel’ genoemd. Nadat ik mijn voucher heb omgeruild, regel ik ook meteen mijn stoelreserveringen voor de KTX-hogesnelheidslijnen (in Japan waren stoelreserveringen niet nodig, maar in Zuid-Korea is het wel aan te raden).

Gyeongju

De KTX brengt me in een half uur naar Singyeongju, dat ongeveer tien kilometer ten westen ligt van mijn bestemming van vandaag: Gyeongju. Het laatste stuk gaat weer per bus. Gyeongju was gedurende bijna 1.000 jaar de hoofdstad van het Silla-koninkrijk. Rond het begin van onze jaartelling waren er drie koninkrijken op het Koreaanse schiereiland: Goguryeo, Baekje en Silla. De drie koninkrijken lagen regelmatig met elkaar overhoop, totdat Silla door de andere twee in 668 te verslaan de eerste dynastie werd die het schiereiland wist te verenigen. Silla was sterk op China georiënteerd en door deze contacten werd Korea op tal van terreinen beïnvloed. Zo namen de Koreanen werden het boeddhisme en confucianisme op het schiereiland geïntroduceerd en werd de Koreaanse kunst door de Chinese beïnvloed. Ook namen de Koreanen het Chinese karakterschrift over. Sinds halverwege de vorige eeuw heeft Zuid-Korea een eigen schrift: Hangeul, wat een vereenvoudigde versie van het Chinese karakterschrift is. Hangeul werd al in de vijftiende eeuw ontwikkeld, maar pas na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd.

Nadat Gyeongju een aantal eeuwen in de vergetelheid was verdwenen, waren het de Japanners die tijdens de bezetting van Korea, in de eerste helft van de twintigste eeuw, Gyeongju en zijn geschiedenis weer op de kaart zetten. Het is een klein stadje met vrijwel alleen maar laagbouw. In de ene straat vind je een traditionele markt waar oude vrouwtjes op straat groenten en fruit verkopen, even verderop is dan weer een moderne winkelstraat met hippe koffiezaakjes. De Koreaanse keuken is er trouwens één voor liefhebbers van heet eten. Bijna overal gaat rodepeperpasta doorheen, zoals in het populaire gerecht bibimbap (rijst met groenten, vlees en rode pepersaus), geserveerd met traditionele bijgerechten zoals gimchi (gefermenteerde groenten). Anders dan in Japan wordt het eten hier niet met houten eetstokjes gegeten, maar met metalen stokjes.

Het meest zichtbare overblijfsel uit de Silla-tijd zijn de ‘tumuli’, tien tot twaalf meter hoge grasheuvels die je kan zien als de Koreaanse variant op de Egyptische pyramides. Koningen en andere belangrijke personen werden ‘begraven’ door ze in een houten bekisting te leggen. Daar overheen werd een grote berg stenen en keien gelegd en daar overheen werd een laag aarde aangebracht, die uiteindelijk met gras werd bedekt. Ook gewone mensen werden vaak op die manier begraven, alleen waren de grafheuvels dan veel kleiner. De grafheuvels die je overal in en om Gyeongju ziet, zijn authentiek. De grafheuvels in Tumuli Park liggen in een keurig aangelegd park, waardoor het iets van een openluchtmuseum heeft. Wel apart dat die grasgroene heuvels zo enorm oud zijn. Ook in Wolseong Park zijn tumuli te zien. Hier staat ook Cheomseongdae, een astronomische observatietoren uit de zevende eeuw. Het fort dat hier ooit stond, Banwolseong, is er helaas niet meer.

De volgende dag neem ik de bus naar één van de meest bezochte tempels van Zuid-Korea: Bulguksa, ongeveer veertien kilometer buiten Gyeongju. Het eerste tempelcomplex op deze plek werd in 528 gebouwd in opdracht van koning Beop-heung, die het boeddhisme tot staatsgodsdienst maakte. Het huidige complex is gebouwd tussen 751 en 774. De tempel werd deels verwoest door de Japanners, die in 1593 het Koreaanse schiereiland binnenvielen, en is pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw hersteld. Het is prachtig weer en nog rustig als ik bij de tempel aankom. Een pad leidt omhoog naar de ingang van het ommuurde complex. Koreaanse tempels hebben allemaal dezelfde structuur: een eerste poort (Iljumum), een tweede poort (Cheonwangmun) met twee (dreigend kijkende) wachters aan beide zijden en daarachter een hoofdgebouw (Daeungjeon) en andere zalen. Ook Bulguksa heeft deze indeling. Binnen de poorten vind je diverse binnentuinen met tempelgebouwen die verbonden zijn met overdekte corridors. Voor het hoofdgebouw staan twee pagodes (waarvan er één uit elkaar is gehaald voor renovatie). Alles is zeer uitvoerig en gedetailleerd beschilderd en in de diverse zalen (Daeungjeon, Gwaneumjean en Nahanjeon) staan grote gouden boeddhabeelden. Het is een bijzonder fraai complex en weer heel anders dan de tempels die ik in Japan heb bezocht.

Daegu

Via Singyeongju reis ik de volgende dag, zaterdag, met de KTX naar Daegu, wat met een hogesnelheidstrein slechts 25 minuten rijden is. Het zuiden van Zuid-Korea is licht bergachtig en bestaat vooral uit platteland: veel landbouw, kleine dorpjes en af en toe een wat grotere stad. Je ziet hier ook iets wat je in andere Aziatisch landen een stuk minder ziet: kerken. Van oudsher was Korea een boeddhistisch land met sterke confucianistische invloeden, maar tegenwoordig is het christendom er de grootste religie. Mijn hotel in Daegu doet in alles denken aan de jaren zeventig (veel donkerbruin), maar het echtpaar achter de balie is vriendelijk en mijn kamer is al beschikbaar. Ik ga meteen weer op pad, want ik wil vandaag de Haeinsa-tempel bezoeken. Deze tempel ligt op de berg Gayasan, ongeveer een uur en een kwartier met de bus ten westen van Daegu.

Haeinsa is één van de drie ‘juwelentempels’ van Zuid-Korea en is beroemd vanwege het feit dat hier Boeddha’s religieuze teksten worden bewaard, die in de elfde eeuw in maar liefst 81.350 houten planken zijn gekerfd: de Tripitaka Koreana. De ligging van Haeinsa is prachtig, met de top van Gayasan op de achtergrond. Er zijn behorlijk wat Koreaanse bezoekers, maar ik ben de enige westerling (wat bij een schoolklas tot enige consternatie leidt J). Het is een mooi complex met rijk beschilderde gebouwen. Achterin het complex bevindt zich Jangkyeongpanjeon waar de Tripitata worden bewaard. Je kan door de spijlen van de ramen naar binnen kijken, een het lijkt een soort bibliotheek van negenhonderd jaar oud. Het in de planken kerven van de ruim vijftig miljoen (!) karakters duurde 76 jaar. En de teksten, dat is gecontroleerd, bevatten nul fouten. (De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de originele Tripitata in de dertiende eeuw door de Mongolen zijn vernietigd, diezelfde eeuw hebben de Koreanen de gigantische klus opnieuw geklaard.)

Als je vanaf de snelweg Daegu binnenrijdt, valt het op dat er hele wijken met enorm hoge woontorens uit de grond worden gestampt. Dat viel me bij Busan ook al op. Het verschil met Gyeongju in het zuiden, dat echt een klein provinciestadje is, is groot. Daegu is de vierde stad van het land en een moderne, weinig bijzondere stad. Vanaf het station loop je meteen een groot autovrij winkelgebied in, waar het op deze zaterdagmiddag gezellig druk is. Overal klinkt harde muziek uit de winkels.

Zoals ieder rijk een keer tot een eind komt, zo ook Silla. In 935 werd de macht overgenomen door de Goryeo-dynastie (de Engelse term Korea is een verbastering van Goryeo), die op zijn beurt in de veertiende eeuw werd gevolgd door de Joseon-dynastie. Tussendoor werd Korea in de dertiende eeuw geteisterd door invasies van de Mongolen en in de zestiende eeuw van de Japanners. De Japanners wilden China onder controle krijgen en Korea lag nou eenmaal op de weg daar naartoe. De Japanse invasies mislukten echter, waarna de Chinese invloed in Korea verder toenam en Korea zich vrijwel geheel van de buitenwereld afsloot. In deze periode stond Korea bekend als het ‘kluizenaarskoninkrijk’. Inmiddels had koning Taejo bepaald dat Korea een nieuwe hoofdstad moest krijgen: Seoel.

Naar Seoel

De hal van Dongdaegu (het KTX-station van Daegu) doet niet onder voor de terminal van een vliegveld. Naast Koreaanse eettentjes zitten er ook westerse ketens als The Coffee Bean en Paris Baguette. Zoals je overal in steden in Japan en Zuid-Korea de onvermijdelijke Starbucks, McDonalds, 7-Eleven, Dunkin’ donuts, KFC en Zara ziet. Om acht uur neem ik de KTX naar Seoel, mijn laatste bestemming op deze reis. Met een snelheid van geregeld driehonderd kilometer per uur rijden we in twee uur naar de Zuid-Koreaanse hoofdstad.

Midden in Seoel ligt een berg: Namsam, een 265 meter hoge piek met daar bovenop de N-Seoel Tower (een soort Euromast), waar je met een kabelbaan naartoe kan en waar je een weids uitzicht hebt over de enorme metropool die Seoel heet. De stad huisvest twintig miljoen mensen en men is blijkbaar doorgegaan met bouwen totdat de bergen verder bouwen verhinderden. Een stukje ten noorden van Namsam is de Namdaemun-markt, de op één na grootste markt van Seoel, lees: van heel Korea (alleen de Dongdaemun-markt is nog groter). De markt beslaat een aantal straten en zijstraatjes vol met kleine winkeltjes en marktkramen, waar je van alles kan kopen, vooral veel kleding. Het is voornamelijk goedkoop spul wat wordt aangeboden. Interessanter zijn de talloze eetgelegenheden, simpel ingerichte zaakjes waar je voor een paar euro allerlei Koreaanse gerechten kan eten. Gewoon aanwijzen wat er lekker uitziet werkt het beste.

Seoel werd de hoofdstad van Korea toen koning Taejo in 1392 aan de macht kwam en uit deze tijd stammen vijf paleizen in wat nu het noordelijke deel van het centrum van Seoel is. Vanaf mijn hostel is dat ongeveer 2,5 kilometer lopen. Ik loop door het zakendictrict met hoge kantoortorens en langs het stadhuis. Het oude, statige stadhuis is nu de bibliotheek en er pal achter is een futuristisch glazen gebouw neergezet, dat het huidige stadhuis is. Het laatste stuk voordat ik bij het paleisdistrict kom, loopt een brede boulevard naar het noorden, langs het imposante, grijs betonnen gebouw van het Sejong theater en het beeld van admiraal Yi Shun-shin, een held in Korea omdat hij in de zestiende eeuw de Japanners wist te verslaan.

De oudste en grootste van de vijf paleizen is Gyeongbokgung. Drie keer per dag vindt bij de hoofdingang (Gwanghwamun) een wisseling van de wacht plaats. De wachten zien eruit zoals ze er in de veertiende eeuw waarschijnlijk ook al uitzagen, inclusief de stileerde baardjes. De wisseling van de wacht is een door drummers begeleid ritueel dat leuk is om te zien. Bij binnenkomst op het ommuurde paleisterrein loop je eerst drie poorten door, waarna je bij Geungjeongjeon komt, de hal waar de troon van de koning staat. De bouwstijl doet erg denken aan de tempels die ik eerder heb bezocht. Links van de centrale hal is Gyeonghoeru, een groot paviljoen dat uitkijkt op een vijver en gebruikt werd voor ontspanningen en het houden van banketten. Achter dit paviljoen ligt Gangnyeongjeon met de privévertrekken van het koninklijk echtpaar. In de loop van de geschiedenis heeft het paleis de nodige branden, vernielingen en wijzigingen door de Japanse bezetters moeten doorstaan, maar alles is goed gereconstrueerd. Ten oosten van Gyeongbokgung ligt Bukchon Hanok Village, een wijkje met traditionele huisjes: hanoks. Ooit was Korea vergeven van dit soort huisjes, maar tijdens de periode van economische groei zijn er veel gesloopt om plaats te maken voor moderne appartementencomplexen en kantoorgebouwen. Deze wijk is gespaard en nog altijd bewoond. Naast huizen vind je er ook restaurants en kunstgalerieën.

De volgende dag is het mooi weer om door de wijken Insadong en Myeongdong te slenteren. Insadong is een wijkje vol kunstgalerieën, traditionele Koreaanse restaurantjes en theehuizen. Voordat koffie in Korea populair werd, waren de Koreanen echter theedrinkers, en nog steeds. In de vele theehuizen kan je traditionele Koreaanse thee drinken, gemaakt met verse ingrediënten, wat wel wat anders is dan westerse thee uit een zakje. De wijk is gecentreerd rondom de Insadongil-straat en overduidelijk op (buitenlandse) toeristen gericht. Myeongdong draait om winkelen. Waar Insadong nog iets kleinschaligs uitstraalt, is Myeongdong ongenereerd ‘hip and happening’. Veel reclameborden, harde muziek uit de luidsprekers en vooral veel winkelende mensen. Het lijkt wel alsof het leven in Seoel maar om twee dingen draait: winkelen en eten, want zowel het aantal winkels, warenhuizen en winkelcentra als het aantal restaurantjes is gigantisch. J Over eten gesproken, was in Japan onigiri mijn favoriete snack, in Zuid-Korea is dat gimbap. In feite hetzelfde idee, een rol gevulde rijst in nori, maar waar de Japanners rijstazijn gebruiken, gebruiken de Zuid-Koreanen sesamolie.

Het moderne Seoel is iets van recente datum en het resultaat van de economische groei die het land heeft doorgemaakt. Door de stad lopend kan ik me maar moeilijk voorstellen hoe het hier pak ‘m beet dertig jaar geleden was, toen al die glazen kantoortorens er nog niet stonden en voordat iedereen met een smartphone in de hand liep. Ik ben wel wat wereldsteden gewend, maar om één of andere reden vind ik Seoel niet echt een fijne stad. Het is een enorm grote stad (ook in het centrum zijn de afstanden groot) en erg druk. Rond het station lopen opvallend veel daklozen rond. De Koreanen zijn wel vriendelijk, maar als je net uit Japan komt, valt het op dat ze een stuk minder beleefd zijn. Je zal een Koreaan niet snel ‘sorry’ horen zeggen. Op straat hebben ze de onhebbelijke gewoonte om totaal geen rekening te houden met het feit dat jij daar ook loopt. Ze lopen in een rechte lijn van A naar B en wijken niet van die lijn af en botsen daardoor voortdurend tegen je op. Superirritant. Het contrast met de uiterst beleefde Japanners is erg groot. Maar goed, misschien heb ik na 3,5 week op reis zijn gewoon een beetje genoeg van de drukte. Maar voordat ik naar huis ga eerst nog één dagtrip waar ik wel erg naar uitkijk: een bezoek aan de gedemilitariseerde zone langs de zwaarbewaakte grens met Noord-Korea.

DMZ

Op weg van Seoel naar het noorden zie je langs de rivier kilometer na kilometer hekken met prikkeldraad en wachttorens. Je realiseert je meteen: dit is geen ‘normaal’ gebied. De gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea, kortweg DMZ, bestaat sinds 27 juli 1953. Eigenlijk is het raar om van een gedemilitariseerde zone te spreken, want in werkelijkheid is het één van de meest gemilitariseerde gebieden ter wereld. De vier kilometer brede DMZ langs de 38e breedtegraad vormt een buffer tussen het noorden en zuiden aan weerszijden van de grens, of beter gezegd: de bestandslijn, want formeel is er sprake van een wapenstilstand en zijn de twee landen nog steeds in staat van oorlog. Als er één plek is waar de Koude Oorlog (1945-1990) nog een staartje heeft gekregen, dan is het hier. President Clinton noemde het ooit “The scariest place on earth.”

Het deel van de DMZ dat je kan bezoeken, is de Joint Security Area (JSA) bij Panmunjeon. Dit gebied wordt door de Noord- en Zuid-Koreanen en de Verenigde Naties gezamenlijk beheerd. Het bezoek staat onder begeleiding van Amerikaanse militairen en is onderwerpen aan strenge veiligheidseisen. Zo mag je alleen fotograferen op momenten dat daar toestemming voor wordt gegeven en mag je geen contact zoeken met of zwaaien naar de Noord-Koreaanse militairen. Zelfs je kleding moet aan een hele lijst eisen voldoen. En het formulier van het United Nations Command dat je bij aankomst moet ondertekenen, spreekt duidelijke taal: “A visit to the JSA at Panmunjeon will entail entry into a hostile area, and possible injury or death as a direct result of enemy action.”

Nadat we de JSA zijn binnengereden, merkt de Amerikaanse militair die ons begeleidt op dat er in de twee kilometer aan weerszijde van de bestandslijn mijnenvelden liggen. Geen oude mijnen die nog moeten worden opgeruimd, nee, nieuwe, op scherp staande mijnen.

Aan de Zuid-Koreaanse kant van de bestandslijn staat het Freedom Building, aan de overkant van de grens staat een Noord-Koreaans gebouw, Panmungak. Daar tussenin staan vijf identieke, lage gebouwtjes. Links een grijs gebouwtje van de geallieerden, rechts een grijs gebouwtje van de Noord-Koreanen en in het midden drie gebouwtjes die in Verenigde Naties-blauw zijn geschilderd. In het middelste gebouwtje werd in 1953, na twee jaar onderhandelen, de wapenstilstand tussen Noord- en Zuid-Korea gesloten. Ook nu vinden hier nog gesprekken tussen noord en zuid plaats. Op de hoeken van de gebouwtjes staan Zuid-Koreaanse militairen op wacht. Soms staan er op de hoeken aan Noord-Koreaanse kant ook wachten en kijken de twee partijen elkaar dus vanaf enkele meters in de ogen. Vandaag staat er alleen een militair op wacht bij het grote gebouw aan de andere kant van de grens. Hij is vandaag denk ik de meest gefotografeerde man van Noord-Korea. J

De bestandslijn loopt dwars door de blauwe gebouwtjes heen en ook de vergadertafel binnen staat precies op de grens, zodat de Noord-Koreaanse delegatie aan hun kant van de grens aan tafel zit en de Zuid-Koreanen aan hun kant. Als bezoeker (en we hebben geluk: we mogen het gebouwtje vandaag bezoeken) kan je om de vergadertafel heenlopen. Met één stap sta ik dus op Noord-Koreaans grondgebied. Een raar idee.

Aan beide zijden van de bestandslijn staan diverse observatietorens. Bij ‘Observation Tower 3’ ben je aan drie kanten omsloten door Noord-Koreaans grondgebied en kijk je kilometers over het communistische land. Witte, één meter hoge palen geven aan waar de bestandslijn loopt. Aan Noord-Koreaanse zijde staat een maar liefst 160 meter hoge vlaggenmast met een enorme Koreaanse vlag. Ook kijk je uit op ‘Propaganda Village’, een soort nepdorp dat de Noord-Koreanen hebben gebouwd om de zuiderlingen het ideaaltypische Noord-Koreaanse paradijs te tonen. Alleen: er woont niemand in Propaganda Village. Ieder dag wordt er een bus Noord-Koreanen naartoe gebracht, die daar dan de dag doorbrengen en ‘s avonds weer naar huis gaan.

Vervolgens rijden we nog langs de Bridge of No Return, waar aan het eind van de Koreaoorlog krijgsgevangenen werden uitgewisseld. Iedereen kreeg op de brug de gelegenheid om te kiezen voor het noorden of het zuiden, waarna er geen weg meer terug was. Vandaar de naam. Tot slot bezoeken we de ‘Third Tunnel’. Dit is één van de vier tot nu toe ontdekte tunnels die volgens de Zuid-Koreanen door Noord-Korea onder de DMZ door zijn gegraven als voorbereiding op een invasie van het zuiden door het noorden (Noord-Korea ontkent dit uiteraard). De eerste tunnel is in 1974 ontdekt en men gaat er vanuit dat er nog meer, onontdekte tunnels zijn. De tunnel loopt zo’n zeventig meter onder het aardoppervlak en er was dynamiet voor nodig om door het gesteente te komen. voorafgaand aan het bezoek aan de tunnel krijg je een tenenkrommende anti-Noord-Koreaans en het-vrije-westen-verheerlijkende propagandafilm te zien. Met een helm op kan je door de tunnel lopen, tot een paar meter voor de grens met Noord-Korea, waar de zuiderlingen een dikke betonnen wand hebben geplaatst.

Apart dat tientallen toeristen per dag de DMZ bezoeken, een plek die toch nog altijd het middelpunt is van een regionaal conflict dat met enige regelmaat tot wereldwijde diplomatieke spanningen leidt. Het Koreaanse schiereiland is nog altijd een schakel in het geopolitieke strijdtoneel, waarbij Noord-Korea kan rekenen op de steun van China en Zuid-Korea op de steun van zo’n beetje het hele westen. Zuid-Korea zegt te streven naar hereniging van de twee Korea’s, maar veel Zuid-Koreanen zien dat helemaal niet zitten. De goed lopende Zuid-Koreaanse economie zou daar veel te veel onder leiden, zie de hereniging van West- en Oost-Duitsland.

Ik vind het bijzonder om hier te zijn, aan de grens met één van de meest gesloten landen ter wereld, oog in oog met Noord-Koreaanse militairen. Je voelt er de spanning, de kwetsbaarheid van de wapenstilstand en de gevoeligheid: één misstap en een paniekractie van de andere kant en je hebt de poppen aan het dansen. Of zoals de Amerikaanse militair waarschuwde: stap niet per ongeluk over de grens, want we kunnen je niet komen redden. De DMZ is een bijzondere plek om mijn reis door Zuid-Korea te beëindigen. Morgen, donderdag 15 mei, vlieg ik terug naar Nederland. Tijd om naar huis te gaan.