27 september – 18 oktober 2014

New York revisited

Het is bijna middernacht als ik Penn Station uitloop. Het is een zwoele nazomeravond en op straat is het een drukte van belang. Welkom in ‘the city that never sleeps’! J Omdat het vliegtuig waarmee ik naar de Verenigde Staten zou vliegen een “technisch mankement” had en er een ander toestel moest komen, ben ik drie uur later in New York dan gepland. Ik ben iets voor tien uur geland op John F. Kennedy International Airport. Na de paspoortcontrole en het ophalen van mijn bagage heb ik de trein naar de stad genomen en nu sta ik in hartje Manhattan. Het is mijn tweede bezoek aan New York, de vorige keer was elf jaar geleden en ik kijk uit naar deze hernieuwde kennismaking. Een paar straten verder, in de wijk Chelsea, zit mijn hostel voor de komende dagen. Daar aangekomen duik ik meteen mijn bed in.

De volgende ochtend wordt duidelijk dat het in New York eind september nog volop zomer is: het is een prachtige zonnige dag en de temperatuur loopt op tot bijna dertig graden. Gelukkig zal de temperatuur de dagen erna op wat ‘normalere’ waarden uitkomen. Ik begin deze dag in het stadsdeel Brooklyn, aan de andere kant van de East River. Brooklyn (een verbastering van het Nederlandse Breukelen, waarnaar het stadsdeel is vernoemd) is één van de vijf stadsdelen (‘boroughs’) die samen New York City vormen: Manhattan, Queens, The Bronx, Staten Island en Brooklyn dus. Tot 1898 was Brooklyn een zelfstandige stad en als dat nu nog steeds zo was geweest, dan zou Brooklyn in grootte de vierde stad van de Verenigde Staten zijn. Ik wandel door Brooklyn Heights, een wijk met negentiende-eeuwse ‘brownstone’ huizen langs statige straten met grote bomen. Een mooie wijk om te wonen. Ik kom uit bij de Brooklyn Heights Promenade, een voetgangersgebied boven de Brooklyn-Queens Expressway, die langs de East River loopt. Vanaf hier heb je een geweldig uitzicht op de beroemde skyline van Manhattan. Ook al heb je het een keer eerder gezien, het blijft een indrukwekkend uitzicht. De wolkenkrabbers aan de andere kant van de rivier glinsteren in de zon en één torent boven alles uit: het splinternieuwe One World Trade Center, met 541 meter het hoogste gebouw van de stad (en van de rest van het westelijk halfrond).

Beneden langs de rivier, aan de kant van Brooklyn, ligt een aantal oude pieren, die tot een paar jaar geleden een vervallen en verlaten indruk maakten. Nu wordt hier hard gewerkt om Brooklyn Bridge Park aan te leggen. Een deel is al klaar en veranderd in een groen park waar je met mooi weer heerlijk kan relaxen. Op een aantal pieren zijn sportvoorzieningen aangelegd, waaronder basketbal- en voetbalvelden. In Brooklyn Bridge Park heb je ook een prachtig uitzicht op de brug waarnaar het park is vernoemd. De brug is in 1883 gebouwd en was lange tijd de brug met de langste overspanning ter wereld. Inmiddels zijn er bruggen met veel langere overspanningen, maar de Brooklyn Bridge blijft – vind ik althans – één van de mooiste bruggen ter wereld. Dé manier om de brug van dichtbij te bewonderen (en van de skyline van Manhattan), is om eroverheen te lopen. Het verkeer op de brug is gescheiden: auto’s rijden beneden, voetgangers en fietsers maken gebruik van het bovendek. Het is een wandeling van ongeveer een mijl, die op deze zonnige zondagmiddag door heel wat mensen wordt gemaakt.

De op- en afrit naar de brug eindigt bij City Hall Park, waar zich het stadhuis van New York City bevindt. Vanaf hier neem ik de metro ‘uptown’ naar Rockefeller Center, het grote kantoren- en winkelcomplex in de wijk Midtown. Het complex, vernoemd naar zakenman John D. Rockefeller, is in de jaren dertig van de twintigste eeuw gebouwd. Het hoogste gebouw van het complex is het zeventig verdiepingen tellende GE Building. Vanaf de bovenste verdieping (‘Top of the Rock’) heb je een fantastisch uitzicht over de stad. De meeste mensen gaan naar het Empire State Building om over de stad uit te kijken; dat heb ik de vorige keer al gedaan en het Rockefeller Center heeft één groot voordeel: je hebt ook het Empire State Building in je uitzicht. J Het uitzicht is fenomenaal: je kijkt niet alleen over Manhattan uit, maar ook over de andere stadsdelen, Jersey City in het westen, Ellis Island en Governor’s Island in de haven van New York en ook het Vrijheidsbeeld kan je vanaf hier zien. Kijk je richting het noorden, dan zie je een enorme groene oase temidden van alle bebouwing: Central Park.

Een paar straten ten zuidwesten van Rockefeller Center ligt één van de bekendste plekken van New York: Times Square. Het plein is in feite een langwerpige kruising van Broadway en 7th Avenue en is altijd druk met verkeer en toeristen. De reclameborden en metershoge beeldschermen aan de gevels maken het plaatje er niet rustiger op. Times Square, vernoemd naar de New York Times, die er ooit gevestigd was, is het hart van het theaterdistrict. ‘Broadway’ is wereldwijd een begrip en er draaien tientallen shows tegelijk, van theater tot musical. Het is er zo druk dat het lijkt alsof alle toeristen die de stad bezoeken tegelijk naar Times Square zijn gekomen. Overigens is het er minder chaotisch dan de vorige keer dat ik er was, want de gemeente is bezig grote stukken van Broadway ofwel eenrichtingsverkeer ofwel helemaal autovrij te maken. Dat resulteert in grote stukken voetgangersgebied met eettentjes en terrassen.

At last we meet again

Sommige ‘highlights’ kan je best een tweede keer doen. J Vanaf Battery Park, op het zuidpuntje van Manhattan, vertrekken de veerboten naar Liberty Island en Ellis Island. Op het eerstgenoemde eiland staat het beroemdste standbeeld ter wereld: Lady Liberty Enlightening The World, oftewel het Vrijheidsbeeld. Het 93 meter hoge beeld, gemaakt door de Franse beeldhouwer Bartoldi, kijkt sinds 1886 uit over de haven van New York. In haar linkerhand houdt ze een wetboek met de datum 4 juli 1776, de datum dat de Verenigde Staten zich onafhankelijk verklaarden. Goed om haar weer te zien. J Het nabijgelegen Ellis Island was van 1892 tot 1924 de plek waar immigranten de Verenigde Staten binnenkwamen. Meer dan twaalf miljoen in totaal. De gebouwen op het eiland zijn nu ingericht als museum.

Terug op Manhattan (waarvan de naam is afgeleid van de naam die de oorspronkelijke bewoners voor het eiland gebruikten: Mana Hatta) loop ik van Battery Park via Broadway naar Wall Street. Deze straat heet zo omdat hier ooit de noordelijke verdedigingsmuur van Nieuw Amsterdam stond. Nu is het de locatie van de beroemdste aandelenbeurs ter wereld. Aan de andere kant van de straat staat Federal Hall. In dit gebouw, dat iets weg heeft van een Griekse tempel, kwam de Amerikaanse volksvertegenwoordiging bijeen in de tijd dat New York de hoofdstad van de Verenigde Staten was. In 1789 is George Washington hier beëdigd als eerste president van de onafhankelijke Verenigde Staten. Zijn standbeeld staat prominent voor Federal Hall.

Mijn vorige bezoek aan New York was in 2003, anderhalf jaar na de aanslagen op de Twin Towers op 11 september 2001. De WTC-site was toen een groot gapend gat waar de opruimwerkzaamheden nog gaande waren. Elf jaar later is de WTC-site onherkenbaar veranderd. Het is nu de plek van de 9/11 Memorial; een groot plein met bomen en bankjes en op de plek waar de Twin Towers stonden, zijn twee enorme bassins gemaakt, precies op de ‘voetafdruk’ van de twee vernietigde torens. Op de rand van de bassins staan de namen van alle slachtoffers die bij de aanslagen om het leven zijn gekomen. Aan de binnenzijde stroomt water loodrecht naar beneden, om vervolgens naar het midden van het bassin te stromen en daar in een diep gat te verdwijnen. Zeer symbolisch. En ontzettend indrukwekkend. De herinneringen aan de aanslagen, de beelden en de wijze waarop de aanslagen en de slachtoffers hier worden herinnerd, emotioneert. Tussen de twee bassins in staat het 9/11 Museum, om het plein heen wordt nog druk gebouwd. Het nieuwe 4 WTC is bijna klaar, net als de nieuwe blikvanger: One WTC. Ook in dit gebouw is symboliek verwerkt: de toren is precies 1776 voet hoog, verwijzend naar het jaartal van de Amerikaanse onafhankelijkheid en de ‘voetafdruk’ van het gebouw is gelijk aan die van de Twin Towers.

Wijken met een eigen karakter

New York bestaat niet alleen maar uit glimmende wolkenkrabbers. Alleen al op Manhattan heb je diverse wijken die elk een eigen karakter hebben.  De omgeving van Columbus Park bijvoorbeeld is Chinatown en dat zie je meteen. Reclameborden en straatnaambordjes zijn in het Chinees, het wemelt er van de Chinese restaurants en in het park zitten Chinezen te kaarten of mahjong te spelen en klinkt Chinese muziek. SoHo (South of Houston Street) is een wijk met relatief lage bebouwing en veel groen. Er zitten vooral wat exclusievere kledingwinkels en galerieën. In de wijk waar ik overnacht, Chelsea, ook een wijk met lage bebouwing,  is sinds een paar jaar een bijzonder stadspark: The High Line. Dit is een voormalige verhoogde spoorlijn, gebouwd in de jaren dertig van de twintigste eeuw, die buiten gebruik was geraakt en nu is omgetoverd in een park. Het park loopt als een groene ader hoog boven de straten van Gansevoort Street tot aan 30th Street (en de komende jaren komt er nog een stuk bij. Het is een mooi voorbeeld van hergebruik en stedelijke vernieuwing. Dit deel van de stad, het zuidelijk deel van Chelsea en The Meatpacking District, was voorheen industrieel gebied en wordt nu herontwikkeld. De spoorlijn is niet het enige dat een nieuwe bestemming heeft gekregen: ook de voormalige koekjesfabriek aan 9th Avenue is gerenoveerd en omgetoverd in de Chelsea Market, een overdekte markt met winkeltjes op het gebied van eten en drinken, van kruidenzaakjes tot wijnhandels en van vishandels tot biologisch verantwoord eten.

Iets zuidelijker liggen Greenwich Village en West Village en die wijken heten niet voor niets zo: ze ademen de sfeer van een dorp. ‘Brownstone’ stadswoningen, veel groen, winkels, cafés en in het hart van Greenwich Village Washington Square Park, een mooi park met een grote fontein in het midden en de witmarmeren Stanford White Arch aan de noordkant (liefhebbers van Friends zien ‘m af en toe langskomen in een tussenshot). In dit park veel studenten van de nabijgelegen New York University en er spelen jazzbandjes, erg sfeervol. Een vergelijkbaar park is Union Square Park, geopend in 1831 en voorzien van een groot beeld van George Washington (te paard). Dit park wordt niet alleen gebruikt om te relaxen, maar is ook met enige regelmaat het toneel van (politieke) protesten. Een paar straten ten noorden van Union Square, op de kruising van Broadway en 5th Avenue, staat het Flatiron Building. Het is 1902 gebouwde pand valt op door z’n aparte vorm, een soort smalle driehoek van twintig verdiepingen hoog.

Cultureel verantwoord

Ik ben vijf dagen in New York en dan kan het natuurlijk niet alleen maar mooi weer zijn, maar als het dan een keer (licht) regent, is er genoeg binnen te doen. Zo bezoek ik het International Center of Photography, een mooi fotomuseum, waar op moment dat ik er ben een tentoonstelling is van de Braziliaan Sebastiao Salgado, prachtige zwart-wit-foto’s van landschappen, wildlife en inheemse volken. Ook ga ik een kijkje nemen in het Museum of Modern Art (MoMa), met voornamelijk werken uit de negentiende en twintigste eeuw, van Van Gogh en Cézane tot Warhol en Hopper. De hedendaagse kunst in MoMa spreekt me (zoals meestal) minder aan. MoMa is een populair museum: het is er erg druk en vooral Van Gogh blijkt erg populair.

New York heeft veel bijzondere gebouwen. Behalve de al eerder genoemde loop ik nog langs het Chrysler Building, één van de bekendste wolkenkrabbers van New York, gebouwd in de jaren dertig van de twintigste eeuw en vooral een blikvanger door z’n opvallende stalen torenspits. Een paar straten ten westen van het Chrysler Building, ter hoogte van Park Avenue, is Grand Central Terminal. Achter de monumentale gevel bevindt zich een enorme centrale hal, met een marmeren vloer en een hoog, beschilderd plafond. De schitterende hal straalt de grandeur uit van de hoogtijdagen van het treinvervoer in de Verenigde Staten.

Central Park is de ‘achtertuin’ van New York City. In de tijd dat New York nog Nieuw Amsterdam heette en nog een kleine kolonie op de zuidpunt van Manhattan, bestond dit gebied uit moerassen en was er alleen een enkele varkensboerderij te vinden. Nu ligt Central Park midden in de miljoenenstad en beslaat het park het gebied tussen 5th Avenue in het westen en 8th Avenue in het oosten, 59th Street in het zuiden en 110th Street in het noorden. De aanleg van Central Park begon in 1858 en duurde maar liefst twintig jaar. Het park is dé plek voor New Yorkers om aan de drukte van de stad te ontsnappen, te picknicken, te joggen of in de zon te zitten. Of om een concert te bezoeken; het beroemde concert van Simon and Garfunkel vond bijvoorbeeld plaats op de Great Lawn in Central Park. Er zijn honkbalveldjes, hotdog-stalletjes, vijvers, wandelpaden, grasvelden, een dierentuin, een John Lennon Memorial (het bekende ‘Imagine’-mozaïek), en het niet te missen Jacqueline Kennedy Onassis Reservoir, dat ooit bedoeld was om zeker te stellen dat New York voldoende drinkwater zou hebben.

Op de laatste avond van mijn verblijf in New York ga ik naar Madison Square Garden, de sportarena annex concertzaal, waar Billy Joel een concert geeft. Ik heb een dag voor vertrek nog een kaartje voor het concert weten te bemachtigen. Eenmaal in de zaal blijk ik een erg goede plek te hebben, precies halverwege de lange kant van de ovale zaal, met prima zicht op het podium. Billy Joel treedt ruim twee uur op en speelt veel bekende en enkele (voor mij) wat minder bekende nummers. De Amerikanen om mij heen zingen alles zonder enige terughoudendheid mee (ook als ze niet kunnen zingen…). Een mooie show en leuk om meegemaakt te hebben.

Op naar New England

Het is vrijdagochtend 3 oktober als ik aan de Upper East Side in Manhattan mijn huurauto ophaal en New York uitrijd. Manhattan verlaten is niet moeilijk, maar net nadat ik bij de Robert F. Kennedy Bridge (de voormalige Triborough Bridge) door de tolpoort ben gereden, mis ik de afslag, waardoor ik op de 278 West belandt in plaats van op de 278 East. Met een kleine omweg kom ik toch nog op de goede snelweg en via de Interstate 95 verlaat ik New York City. Het vervolg van mijn reis gaat naar New England, het gebied in het noordoosten van de Verenigde Staten dat bestaat uit de staten Massachusetts, Connecticut, New Hampshire, Rhode Island, Maine en Vermont. New England is nauw verbonden met de ontstaansgeschiedenis van de Verenigde Staten: in 1620 kwamen de pilgrims aan bij Plymouth, in 1628 gevolgd door de puriteinen, die de Massachusetts Bay Colony stichtten. In 1175 begon in Boston de Amerikaanse Revolutie en bij Lexington begon de War of Independence. Al deze plekken (en meer) ga ik de komende dagen bezoeken.

Via Connecticut en Rhode Island rijd ik naar Massachusetts. Mijn eerste stop is Cape Cod, het schiereiland ten zuiden van Boston. In de zomer is dit een populaire strandbestemming. De weg gaat over glooiend landschap met houten huizen tussen veel groen. Ik stop in Chatham, aan de zuidoostpunt van Cape Cod, een gemoedelijk plaatsje met een toeristische Main Street. Aan de kust van het dorp staat Chatham Light, een vuurtoren uit 1878, die uitkijkt over het uitgestrekte strand en de Atlantische Oceaan. Ik loop even het strand op, maar het is niet echt strandweer. Na Chatham rijd ik naar Eastham, iets noordelijker, waar Fort Hill uitzicht biedt over de Nauset Marsh, dat onderdeel is van de Cape Cod National Seashore, het beschermde natuurgebied van het schiereiland. Je kan er een bescheiden wandelroute lopen. Eén ding is duidelijk: je bent hier in een totaal andere wereld dan New York City!

Mijn bezoek aan Cape Cod is maar kort, de volgende dag rijd ik al verder noordwaarts. Het is een uurtje rijden naar Plymouth. In 1620 zetten de pilgrims hier voor het eerst voet aan wal, nadat ze uit Engeland waren gevlucht en eerst in Nederland onderdak hadden gevonden. Na een zeereis van 66 dagen stichtten ze hier de eerste kolonie van wat later New England zou worden. Hier bouwden ze de eerste huizen en legden ze de eerste straat aan. Deze straat werd logischerwijs First Street genoemd, maar is later hernoemd: hij heet nu Leyden Street, naar de stad waar de pilgrims onderdak vonden na hun vlucht uit Engeland. Leyden Street is nu de oudste permanent bewoonde straat in Noord-Amerika. Je snapt: ik voel me er meteen thuis. J De houten huizen die er nu staan, dateren uit het begin van de 18e eeuw. Een grote steen, Plymouth Rock, markeert de plek waar de pilgrims voet aan wal zetten, al is die steen, net als de plek waar die ligt, meer symbolisch dan een historisch feit. Iets verderop ligt een replica van de Mayflower II, het niet eens zo grote zeilschip waarmee de pilgrims de oceaan zijn overgestoken.

Boston

In de Verenigde Staten is het gebruikelijk dat er voor oud-presidenten een bibliotheek annex museum wordt gebouwd. Dit gebeurt in de staat waaruit de president afkomstig was. En dus staat aan de zuidkant van Boston de John F. Kennedy Presidential Library and Museum. Kennedy was afkomstig uit Massachusetts en hield van het water en dus kijkt ‘zijn’ bibliotheek en museum uit over het water. Het museum vertelt het verhaal van JFK’s leven en presidentschap aan de hand van foto’s, campagnemateriaal, memorabilia uit het Witte Huis en vooral veel filmmateriaal. De verkiezingscampagnes, de inauguratie, de Cuba-crisis, Vietnam, de rassenkwestie, alles komt voorbij – al vind ik het jammer dat eigenlijk alleen de gekende highlights aan bod komen en dat vrij oppervlakkig. Ook aan de dood van Kennedy wordt weinig aandacht besteed.

Ik logeer in Braintree, een voorstadje van Boston en ga vanaf daar met de metro de stad in. In het centrum van Boston kan je de zogeheten Freedom Trail lopen, een vier kilometer lange stadswandeling die je langs alle historische bezienswaardigheden van Boston brengt. Want als je het over Boston hebt, dan heb je het over de Amerikaanse geschiedenis. De stad is in 1630 gesticht door uit Engeland afkomstige puriteinen onder leiding van John Winthrop, die “a city upon a hill” voor zich zag. In Boston werd de basis gelegd voor de Amerikaanse Revolutie. In 1770 protesteerden de inwoners van de stad tegen de door Engeland opgelegde belastingen. Toen Engelse soldaten het vuur openden, vielen vijf doden, een gebeurtenis die bekend staat als The Boston Massacre. In 1773 waren nieuwe belastingen op thee aanleiding tot de Boston Tea Party, waarbij grote hoeveelheden thee uit protest in de haven werden gegooid. De Engelse koning plaatste Boston daarop onder curatele, wat de anti-Engelse sentimenten alleen maar aanwakkerde. Niet lang daarna, in 1775, klonken, even buiten Boston, bij Lexington en Concord, de eerste schoten in wat de War of Independence zou worden. Een jaar later was de Amerikaanse onafhankelijkheid een feit.

De Freedom Trail begint bij Boston Common, het oudste publieke park in de Verenigde Staten (uit 1634). Aan de noordkant van het park staat het Massachusetts State House, het parlementsgebouw van de staat met een opvallende gouden koepel. Aan Washington Street staat het Old South Meeting House. In dit gebouw, dat eruit ziet als een bakstenen kerk (en ook als zodanig werd gebruikt), besloten de kolonisten in 1773 tot het protest dat bekend werd als de Boston Tea Party. Het Old State House, aan het eind van Washington Street, stamt uit 1713 en is daarmee het oudste nog bestaande gebouw in Boston. Het Old State House was het parlementsgebouw van de kolonie voor de onafhankelijkheid en in 1776 werd hier de Declaration of Independence voorgelezen aan de inwoners van de stad. Voor het Old State House markeert een cirkel in de straat de plek waar The Boston Massacre plaatsvond. Mooi dat al deze historische gebouwen bewaard zijn gebleven temidden van het moderne Boston.

Terwijl de zon hoog aan een strakblauwe lucht staat, loop ik naar de andere kant van de Charles River, naar de wijk Charlestown. Bij de Old Charlestown Navy Yard ligt de USS Constitution afgemeerd. Dit is het oudste schip van de Amerikaanse marine, gebouwd in 1797. Het schip, dat in de 19e eeuw in drie oorlogen actief is geweest, is een prachtige oude driemaster (geen replica), met een bovendek, een kanondek en een slaapdek. Ook in Charlestown, bovenop Breed’s Hill, staat een 67 meter hoge obelisk ter nagedachtenis aan een veldslag die hier in het begin van de War of Independence is uitgevochten en die gek genoeg bekend staat als de slag om Bunker Hill. De Engelsen wonnen de slag, maar leden wel zware verliezen tegen de amateuristische kolonisten. Voor wie nog meer historie wil: bij Griffin’s Wharf, in het centrum van Boston, liggen de twee gerestaureerde schepen vanaf waar in 1773 de thee in de haven is gegooid: de Eleanor en de Beaver. Hoewel Boston een moderne stad is, stap je door al deze bezienswaardigheden terug in de tijd.

Ik ben twee dagen in Boston, maar besteed een groot deel van dag twee op het water. Ik ga met een ‘whale watching tour’ mee. Met een grote catamaran varen we in een uurtje naar Stelwagen Bank National Marine Sanctuary, niet ver van de noordkant van Cape Cod. Mede dankzij het rijke onderwaterleven hier, verblijven hier tussen maart en oktober bultrugwalvissen (de rest van het jaar vertoeven ze liever in de tropische wateren van het Caribisch gebied). Het duurt niet lang of we zien de eerste walvissen aan de oppervlakte komen. Bultrugwalvissen worden 12 tot 15 meter lang en duiken steeds een tijdje onder water om daarna weer naar boven te komen om adem te halen. Ze zwemmen dan een tijdje aan de oppervlakte en duiken daarna weer naar beneden, waarbij hun staart sierlijk de lucht in zwaait. Volgens de meisjes van het Sea Aquarium, die de excursie begeleiden en de walvissen bestuderen, bestaat de groep walvissen die we zien uit zes volwassenen en twee jongen. Het is prachtig om deze dieren in het wild te zien!

Lexington & Concord

Na twee dagen Boston neem ik de Interstate 95 om de stad heen richting Lexington, tegenwoordig een voorstad van Boston, maar vooral interessant omdat hier in 1775 de War of Independence begon. Midden in het kleine stadje ligt de Battle Green, op het eerste gezicht een doodnormaal grasveld annex parkje zoals bijna ieder stadje dat wel heeft. Maar precies hier op deze plek werd op 19 april 1775 geschiedenis geschreven. De avond ervoor waren de Engelsen uit Boston vertrokken om in Concord een vermeende munitie-opslagplaats van Amerikaanse milities te ontmantelen. De Amerikanen kwamen hierachter en Paul Revere, voor veel Amerikanen een held, snelde te paard naar Lexington om de leiders van de militie, die in Buckman Tavern hun hoofdkwartier hadden, te waarschuwen. De volgende ochtend stuitten de 800 Engelse soldaten op wat nu de Battle Green is op een uit 77 Amerikanen bestaande militie. Na het verzet tegen de belastingen, de Boston Massacre en de Tea Party was het duidelijk dat de Amerikanen het gezag van de Engelsen niet langer accepteerden. De leider van de militie, kapitein Parker, gaf zijn mannen (merendeels boeren) de opdracht: “Stand your ground, don’t fire unless fired upon, but if they mean to have a war, let it begin here”. Er klonk een schot (tot op de dag van vandaag weet niemand wie dat loste) en daarop openden de Engelsen het vuur. Acht Amerikanen werden gedood. De War of Independence was begonnen. Bijzonder om op zo’n historische plek te staan!

De Engelsen trokken verder naar Concord, een klein pittoresk stadje, net als Lexington. De route die ze namen is nu Minute Man National Historic Park, vernoemd naar de Minute Men, de vrijwilligers van de Amerikaanse milities die zo werden genoemd omdat ze op korte termijn paraat moesten zijn. Hier, bij de Old North Bridge schoten de Engelsen twee Amerikanen dood, waarop een Amerikaanse officier voor het eerst opdracht gaf op de Engelsen te schieten. Dit is bekend komen te staan als “the shot heard around the world”. In januari 1776 zouden de Amerikanen de onafhankelijkheid uitroepen, maar de oorlog zou pas in 1783 voorbij zijn.

De Atlantische kust

Als ik naar het noorden rijd, verlaat ik Massachusetts (voorlopig) en rijd ik New Hampshire binnen. In de Verenigde Staten heeft iedere staat een slogan en die van New Hampshire is één van mijn favorieten: ‘Live free or die’. Dat is tenminste duidelijk. J New Hampshire heeft maar een klein stukje kust, ongeveer dertig kilometer, en daar ligt Portsmouth, waar de Piscataqua River in de Atlantische oceaan uitmondt. Het is een oud stadje met veel houten huizen en was vroeger een belangrijke plek voor de scheepsbouw. In Prescott Park met z’n houten pieren kijk je uit op de rivier en de huidige scheepswerf, aan de andere kant van het water. Net als tijdens eerdere bezoeken aan de Verenigde Staten valt me ook in New England weer op dat je echt overal Amerikaanse vlaggen ziet. Het lijkt hier misschien nog wel meer, zou dat aan de regio liggen? In ieder geval, heel veel mensen hebben een vlag aan hun huis hangen, ze hangen aan winkels en bedrijven, maar bijvoorbeeld ook aan lantaarnpalen, elektriciteitspalen, viaducten, schuren van boerderijen…

Zodra je de Piscataqua River oversteekt, rijd je de staat Maine binnen. Slogan: ‘The way life should be’. Onderweg vallen een paar buien, maar who cares als je in de auto zit? Vanaf Wiscasset neem ik de kustroute. Dit is de US1, de weg die van het noorden van Maine, bij de grens met Canada, langs de hele oostkust van de Verenigde Staten loopt, tot aan Key West in Florida (een paar jaar geleden heb ik in Florida al eens een stuk van de US1 gereden). De weg leidt hier door kleine vissersdorpjes langs de grillige Atlantische kust, met door gletsjers uitgesleten inhammen en (schier)eilandjes. Ik stop even in Rockland, bij het schiereiland Owls Head met een uit 1852 daterende vuurtoren. Ook Camden is zo’n typisch kustplaatsje New England-stijl. Een Main Street, houten huizen, witte kerken, bomen in herfstkleuren en een kleine haven. Overal kom je pompoenen tegen in verband met Halloween. Veel mensen leggen één of meer pompoenen bij de voordeur van hun huis en in winkels wordt je doodgegooid met pompoensoep, pompoensnoepjes, pompoenbagels, pompoenships, pompoenkoffie…

Iets ten noorden van Camden ligt het Camden Hills State Park, een mooi park, dat vooral uit bos bestaat. Het is inmiddels weer mooi weer geworden en ik wandel vanaf de ingang van het park de Mount Battie Trail, naar de top van Mount Battie. Een wandeling van in totaal vier kilometer, niet al te moeilijk, maar toch een aardige klim. Op de top wordt je beloond met een geweldig uitzicht over Penobscot Bay.

De volgende dag is het weer stralend mooi weer en vervolg ik mijn reis langs de kust van Maine met als bestemming: Acadia National Park. Dit nationale park (het enige nationale park in heel New England) ligt op Mount Desert Island, dat met een brug aan het vasteland is verbonden. Het eiland heeft een oppervlakte van 280 vierkante kilometer en het park beslaat ruim de helft daarvan. Dit gebied is gedurende miljoenen jaren door gletsjers uitgesleten, waardoor er steile rotskusten, meren, bergen en valleien zijn ontstaan. Er loopt een Park Loop Road door het park die je op je gemak kan afrijden en je langs fantastisch mooie plekken brengt. Een groot deel gaat langs de oostkust van het eiland, waar de golven op de granieten rotsen beuken. Overal zijn uitkijkpunten met namen als Thunder Hole en Otter Point. Het tweede deel van de Loop Road gaat door het binnenland, langs Jordan Pond en Cadillac Mountain. Jordan Pond is zo’n door gletsjers achtergelaten meer, omringd door afgeronde bergtoppen. Omdat het herfst is, zijn de blaadjes aan de bomen prachtig geel, rood en bruin. Bovenop Cadillac Mountain (die een kleine 500 meter hoog is en waar het stevig waait) heb je een fantastisch uitzicht over Frenchman Bay, Eagle Lake, de rest van Mount Desert island en de kleinere eilanden voor de kust. Ook in Acadia National park ben ik twee dagen en beide dagen is het schitterend weer. Dat, en de herfstkleuren, levert prachtige plaatjes op. Dit park is echt een aanrader!

Het enige dorp van betekenis op Mount Desert Island is Bar Harbor, een plaatsje vergelijkbaar met Camden en Portsmouth. In de haven ligt een groot cruiseschip en de passagiers daarvan lopen allemaal door Main Street, dus het is er nogal druk. In Maine leven veel bewoners langs de kust van de visvangst, maar zeg je Maine, dan zeg je vooral: Maine Lobster, oftewel kreeft. Je komt de kreeft hier overal tegen: op de borden van de vele lobster-restaurants, op t-shirts, in cartoons, als pluche beest. Je kan eigenlijk niet in Maine zijn geweest zonder kreeft te hebben gegeten. Dus voordat ik naar New Hamphire vertrek, eet ik op mijn laatste avond in Maine Maine Lobster.

Indian Summer

Meestal heb ik tijdens road trips weinig moeite om de weg te vinden, maar op de zaterdag dat ik van Acadia National Park naar New Hampshire rijd, kan ik de wegnummers van mijn routebeschrijving maar niet vinden en de wegnummers die ik wel tegenkom zeggen me niets. Terwijl het toch niet de eerste keer is dat ik zoiets doe… De Rand McNally ligt thuis (heel handig), dus ik kan het ook niet even checken. Maar goed, met een beetje richtingsgevoel en via wat omwegen kom ik uiteindelijk op de goede weg terecht. Sowieso is het best een eind rijden naar de White Mountains – je verkijkt je makkelijk op de grote afstanden hier. De White Mountains liggen in het noorden van New Hampshire en zijn de hoogste bergen in New England. Dwars door het gebied loopt de NH112, bijnaam de Kancamagus Highway, een zogeheten ‘scenic route’ van Conway naar Lincoln. De weg voert over de Kancamagus pas, vernoemd naar een zeventiende-eeuwse Indiaanse stamleider. Het White Mountain National Forest is het op één na best bezochte park in de Verenigde Staten (op de Great Smokey Mountains na). Ook als ik er ben, is het druk in de White Mountains, ook omdat het maandag Columbus Day is en veel Amerikanen daarom een lang weekend vrij hebben. Dat verklaart overigens nog niet waarom het hier wemelt van de Aziaten…

De nazomer, als het relatief warm en zonnig weer is, maar de blaadjes aan de bomen al wel hun herfstkleuren aannemen, wordt hier in de Verenigde Staten (en ook in Canada) Indian Summer genoemd. Met name New England staat erom bekend vanwege zijn mooie Indian Summer – niet zo gek, want er zijn hier heel veel bossen. Indian Summer is een soort overtreffende trap van herfst. Ik ben de afgelopen dagen onderweg al veel herfstkleuren tegengekomen, maar hier in de White Mountains lijkt het alsof er een soort kleurenexplosie heeft plaatsgevonden. Vanwege de hoge ligging zijn de nachten hier momenteel koud en dat bevordert het verkleuren van de bomen. De bomen langs de weg en de hellingen van de bergen zijn groen, goudgeel, oker, rood, bruin en alles ertussenin. Het is een prachtig gezicht, zeker als de zon erop schijnt.

Ik overnacht in Jefferson, waar ik m’n motel aanvankelijk niet kan vinden, maar wat blijkt: de huisnummers langs Route 2 lopen weliswaar af als je naar het oosten rijdt, maar als je maar lang genoeg doorrijdt lopen ze daarna weer op…(?) De volgende dag rijd ik verder, de rustige tweebaansweg slingert mijl na mijl door het heuvelachtige landschap, langs bossen, boerderijen en door kleine dorpjes. De borden langs de weg waarschuwen voor overstekende herten en rendieren, maar het enige dat oversteekt is een eekhoorn. Ik rijd de zesde staat van New England (en de zevende deze reis) binnen: Vermont, en slag bij de hoofdstad Montpelier af naar de VT 12 naar Northfield Falls. Hier liggen drie overdekte bruggen uit 1812, geheel van hout, over drie kleine riviertjes. Overdekte bruggen schijnen overal ter wereld voor te komen, maar ik had er voor zo ver ik me kan herinneren nog nooit één gezien. De bruggen, vaak uit de achttiende of negentiende eeuw, werden overdekt om de brug te beschermen tegen weersinvloeden (houten bruggen zonder overdekking gaan maar kort mee). Heel apart om te zien.

Zoals de White Mountains niet wit waren, zijn de Green Mountains niet groen: ook hier domineren de herfstkleuren. Ik rijd via de VT 100 en VT73 door de Mad River Valley, een ‘scenic route’ door een vallei met ook hier begroeide hellingen in herfstkleuren. ‘Landelijk’ is waarschijnlijk de beste term om de Green Mountain-regio te omschrijven. Boerderijen en kleine dorpjes met ‘country stores’ en ’barn sales’. Het is een schitterende dag en al die geel-, rood- en bruintinten tegen een strakblauwe lucht maken het heel bijzonder. Het mooiste stuk is misschien wel de VT 73. Bij het plaatsje Windsor, waar de Connecticut River de grens vormt tussen Vermont en New Hampshire, ligt ook een overdekte brug: de Cornish-Windsor Bridge. Dit is de langste houten brug in de Verenigde Staten en de langste overdekte brug met twee overspanningen ter wereld. Hij is gebouwd in 1866 en het bijzondere bouwwerk staat er nog steeds (en wordt ook nog steeds gebuikt).

In het zuiden van Vermont ligt Grafton (een ‘must see’ volgens Lonely Planet), een pittoresk plaatsje met houten huisjes, een ‘town store’ en dat is het wel. Wat zuidelijker, ik ben dan inmiddels weer in Massachusetts, ligt Deerfield. Dit plaatsje ziet eruit alsof het nog steeds de achttiende eeuw is (afgezien van de auto’s dan). Het stadje heeft één straat, The Street geheten, en diverse huizen aan deze straat stammen nog uit de achttiende eeuw, andere uit de negentiende eeuw. Beide plaatsjes zijn leuk om een uurtje rond te wandelen. Vervolgens rijd ik via de MA2, bijnaam The Mohawk Trail, naar het westen. Ook dit is een mooie route om van de uitbundige kleuren van de Indian Summer te genieten.

Mijn motel in Williamstown heeft uitzicht op Mount Greylock, maar als ik de volgende dag de berg oprijdt is het bewolkt en dus is het zicht bovenop de berg zo’n beetje nul meter. Ik stop vervolgens in Northampto, een wat groter stadje met een leuk centrum rond Main Street en Pleasant Street (bijna overal waar ik ben geweest is wel een Pleasant Street…) en een ruim aanbod aan winkels en restaurantjes. Ik loop wat rond, drink koffie, bezoek wat winkeltjes en ga daarna door naar Hadley, waar ik overnacht. In de Mall bij Hadley loop ik een Barnes & Noble binnen en kom een tijdje later naar buiten met een hele stapel boeken.  Net als op Mount Greylock is het de volgende dag in Skinner State Park bewolkt en bovenop Mount Holyoke helemaal. Nou oké, je kan nog net een stukje van de Connecticut River zien. Het zal de hele dag somber en grijs blijven.

De Indian Summer is blijkbaar overgegaan in een gewone herfst en daardoor zijn de Litchfield Hills niet alleen heel kleurrijk, maar ook nat. De Litchfield Hills liggen in het westen van de staat Connecticut, een gebied met glooiend landschap, bossen en meren. Het centrum is het plaatsje Litchfield, gesticht aan het begin van de achttiende eeuw en sindsdien eigenlijk weinig veranderd. Litchfield lag destijds op een handelsroute en dat zorgde ervoor dat het een welvarend stadje werd. Dat zie je terug in de fraaie houten huizen, omgeven door grote gazons en grote, kleurrijke bomen. Als je van landelijk wonen houdt, is Litchfield een aanrader!

Daarmee zit mijn reis er bijna op. De volgende dag rijd ik terug naar JFK International Airport voor de vlucht terug naar huis. Het is een mooie reis geweest, met als hoogtepunten natuurlijk New York City, maar ook de walvissen bij Cape Cod, de historische plekken in en rond Boston , Acadia National Park en de prachtige kleuren van de Indian Summer.