24 maart – 12 april 2015

Rio de Janeiro

Na een lange reisdag kom ik rond kwart voor tien ’s avonds  lokale tijd aan op Galeão International Airport, de internationale luchthaven van Rio de Janeiro. De douaneformaliteiten nemen maar weinig tijd in beslag en ondanks de krappe overstap in Lissabon (waarbij tijdens mijn sprintje van de ene naar de andere gate de “final call” voor mijn vlucht werd omgeroepen) is ook mijn bagage meegekomen. Omdat het ’s avonds laat is en ik nog geen Braziliaanse reals heb, regel ik in de hal van de luchthaven een zogeheten ‘radio taxi’. Deze taxi’s, waarbij je vooraf een vastgestelde prijs betaalt, schijnen betrouwbaarder te zijn dan ‘gewone’ taxi’s. En je kan er met je credit card betalen, wel zo handig. De taxichauffeur rijdt met een flinke snelheid de stad in en twintig minuten later sta ik voor mijn hostel in de wijk Botafogo.

De volgende ochtend ben ik, fris gedouchd en na het voor een hostel prima ontbijt, klaar voor mijn eerste dag in Brazilië. Brazilië is het op vier na grootste land ter wereld en beslaat bijna de helft van het oppervlak van heel Zuid-Amerika. Driekwart van de bevolking woont aan de Atlantische kust in het oosten en zuidoosten van het land. Het land heeft 201 miljoen inwoners, waarvan ongeveer de helft blank is, bijna veertig procent gemengd en de overige tien procent zwart. Driekwart van de bevolking is katholiek. Brazilië is begin zestiende eeuw door Portugal gekoloniseerd (vandaar dat men hier nog steeds Portugees spreekt), maar ook Nederland heeft dit geprobeerd. In 1621 vestigden Nederlanders van de West-Indische Compagnie zich in het noordoosten van wat nu Brazilië is. Na een oorlog met Portugal gaven de Nederlanders zich in 1654 echter gewonnen en kwam er een einde aan de Nederlandse aanwezigheid. In 1822 werd Brazilië onafhankelijk, eerst als keizerrijk en vanaf 1889 als republiek. Er zouden nog enkele revoluties en staatsgrepen volgen en pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw werd Brazilië een democratie. Het land wordt gekenmerkt door een multiculturele mix van zowel Europese, Afrikaanse en indiaanse invloeden. Sinds de millenniumwisseling heeft Brazilië een sterke economische groei doorgemaakt en inmiddels is het de zevende economie ter wereld. In 2014 mocht het land het Wereldkampioenschap voetbal organiseren en in 2016 volgen de Olympische Spelen, reden om veel achterstallig onderhoud uit te voeren, bezienswaardigheden op te knappen en de infrastructuur te verbeteren.

Rio de Janeiro, de bekendste stad van het land, ligt aan de oostkant van de Guanabara-baai, waarvan de Portugezen, die hier begin zestiende eeuw als eerste Europeanen arriveerden, dachten dat het een rivier was (rio in het Portugees), vandaar de naam Rio de Janeiro. In 1807 besloot de koning van Portugal dat Rio de hoofdstad van de kolonie moest worden en verhuisde ook meteen zijn hele hof er naartoe. Het Portugees-Braziliaanse koninkrijk werd daarmee het enige wereldrijk in de geschiedenis dat vanuit een kolonie werd bestuurd. Tot eind negentiende eeuw was Rio ‘slechts’ de derde stad van Brazilië, maar sindsdien is de omvang van de stad enorm toegenomen. In de twintigste eeuw kwamen de resorts langs de stranden en werd Rio de Janeiro de stad van ‘glitter and glamour’. Maar de groei bracht ook sociale problemen met zich mee: armoede, criminaliteit, geweld, corruptie en steeds verder uitdijende favela’s (sloppenwijken). In het eerste decennium van de 21e eeuw heeft de regering van Brazilië wel geprobeerd om hier wat aan te doen en is de situatie in de favela’s wel wat verbeterd, maar de criminaliteits- en geweldscijfers zijn nog steeds hoog.

Rio ligt ingeklemd tussen de oceaan en weelderig begroeide bergen. Die ligging heeft Rio zijn bijnaam opgeleverd: Cidade Maravilhosa (letterlijk: prachtige stad), en de beste manier om daar een goed beeld van te krijgen, is door de stad van bovenaf te bekijken. Ik loop daarom van mijn hostel naar de kabelbaan die je via de 220 meter hoge Morro da Urca naar de 396 meter hoge Pão de Açucar (Suikerbroodberg) brengt. De Pão de Açucar is een wat vreemd gevormde berg aan de Guanabara-baai.  Eenmaal boven heb je een fantastisch uitzicht over de stad. Rechts, richting het noorden,  liggen de baai, de hoogbouw van Centro en de wijken Lapa, Santa Teresa en Flamengo, recht voor je ligt Botafogo met daarachter de berg Corcovado, met bovenop het overbekende standbeeld van Jezus, en links, richting het zuiden, het strand van Copacabana. Het is een waanzinnig uitzicht, waarbij je bijna de hele stad kan zien liggen.

Hoewel het beeld van Jezus bovenop de Corcovado nog deels in de wolken is gehuld, is het zonnig en met dertig graden behoorlijk warm. De 710 meter hoge Corcovado, die midden in het Parque Nacional da Tijuca ligt, is toegankelijk vanuit de wijk Cosmo Velho, waar ik me door een taxi laat afzetten. Eerst loop ik langs Largo do Boticário, een klein plein met kleurig beschilderde gebouwen die dateren uit de negentiende eeuw. Eén van de gevels blijkt te zijn voorzien van Delftsblauwe tegeltjes met oer-Hollandse molens. J Hoewel ik als niet-christen niets met Jezusbeelden heb, is Cristo Redentor (Christus de Verlosser) zó’n iconisch beeld, dat je die tijdens een bezoek aan Rio de Janeiro niet mag missen. Een tandradtreintje brengt je in twintig minuten omhoog. Tijuca bestaat grotendeels uit regenwoud, wat een scherp contrast vormt met de grote, drukke stad beneden. Onderweg naar boven heb je geen idee dat je je middenin een stad met 6,3 miljoen inwoners bevindt. Dat wordt je je pas weer bewust als je boven bent en (na het beklimmen van de nodige trappen naar het immense beeld) over de stad uitkijkt. Ook hier is het uitzicht waanzinnig. Vanaf hier kan je het enorme Rodrigo de Freitas-meer en de wereldberoemde stranden van Copacabana en Ipanema goed zien liggen. Enige nadeel: iederéén die Rio bezoekt, gaat naar de Corcovado, dus het is er ontzettend druk.

De volgende dag neem ik de metro naar Centro, het zakendistrict van Rio. Dit deel van de stad ziet eruit zoals zoveel grote steden: veel hoogbouw, veel verkeer, maar ook oude kerken, kleine achterafstraatjes met keien, zoals de Travessa do Comércio, met oude panden uit de koloniale tijd. En pleinen met historische gebouwen, zoals het Paço Imperial aan het Praça XV Novembro (vernoemd naar de dag van de onafhankelijkheid: 15 november 1822). Het Paço Imperial is het gebouw waar de Portugese koning zijn intrek nam toen hij hier naartoe verhuisde. En het Praça Floriano met aan de noordzijde het Theatro Municipal uit 1905, gebouwd in de stijl van de Parijse Opéra.

Van Centro loop ik naar de wijk Lapa. Hier zitten veel restaurants, cafés en samba clubs en vooral ’s avonds en in het weekend is het een levendige wijk waar overal muziek klinkt. Ik kom langs de opvallende Arcos da Lapa, een aquaduct uit het midden van de achttiende eeuw, bestaande uit 42 bogen en in totaal 64 meter hoog. Het adquaduct was ooit voor de watervoorziening in de stad, later is er een tramlijn bovenop aangelegd, die nu echter niet meer worden gebruikt. Een stukje verderop in de wijk bevindt zich de Escaldera Selarón. Lapa is op heuvels gebouwd en daarom lopen er soms trappen van de ene naar de andere straat. Eén zo’n trap is door de Chileense kunstenaar Jorge Selarón voorzien van tegeltjes in allerlei kleuren. Op de 215 treden kom je bovendien tegeltjes van over de hele wereld tegen, ook Nederlandse, onder andere met Vermeer’s Meisje met de Parel en natuurlijk de onvermijdelijke molens.

Net als Lapa is ook de wijk Santa Teresa op heuvels gebouwd. Keienstraatjes lopen omhoog door de wijk die een dorpse sfeer uitstraalt. Heel anders dan de hoogbouw en het drukke verkeer van Centro. Rio blijkt een stad met verschillende gezichten. Nadat ik ’s avonds buiten op het terras van Santa Scenarium in een autovrije straat in Lapa heb gegeten, ga ik in de Rua Mem de Sá nog wat drinken. Dit deel van Lapa is het hart van het uitgaansleven, overal klinkt muziek uit de open cafés en het is er gezellig druk. Ik drink tot laat in de avond caiperinhas met een Argentijnse die ook in haar eentje in Rio is.

Zeg je Rio de Janeiro, dan zeg je natuurlijk Copacabana. En Ipanema. Dit zijn de twee wijken aan de zuidkant van Rio met de wereldberoemde stranden. Op mijn derde dag in Rio neem ik de metro naar Ipanema, de wijk die ligt op een smalle strook land tussen de oceaan en het Rodrigo de Freitas-meer. Ik slenter door de lange winkelstraat en loop vervolgens richting het strand. Langs het lange, licht gebogen strand loopt een boulevard met om de paar meter een kiosk waar je wat kan drinken. Een perfecte plek om met een ‘coco’ (een groene kokosnoot met een rietje) te relaxen en van het uitzicht te genieten. Daarna loop ik verder langs de boulevard. Aan het eind bevindt zich de Arpoador, een rots die het strand van Ipanema scheidt van dat van Copacabana. Vanaf de Arpoador kan je het hele strand van Ipanema overzien. Na de lunch loop ik naar de Avenida Atlantica, de boulevard die langs het 4,5 kilometer lange strand van Copacabana loopt. Ook hier kiosks waar je onder de palmbomen wat kan drinken, art deco hotels langs de boulevard en op straat en op het strand een mix van toeristen en Carioca’s, zoals de inwoners van Rio worden genoemd. En voortdurend zit dat liedje in mijn hoofd: “Aan de Copa, Copa-ca-bá-náá…”

Paraty

Na drie dagen Rio de Janeiro neem ik op zaterdagochtend een taxi naar Rodoviária Novo Rio, het busstation in het noorden van de stad. Het busstation staat in een grauwe omgeving, vlak naast een verkeersknooppunt. Het is er druk met mensen en hun bagage, taxi’s en bussen rijden af en aan. Ik heb nog even tijd om koffie en een broodje te halen voordat een bus van CostaVerde mij om negen uur naar Paraty zal brengen. De rit duurt 4,5 uur. De kuststrook ten zuiden van Rio is bergachtig. De weelderig begroeide bergen eindigen tamelijk abrupt in zee. De weg slingert grotendeels langs de kust en voor het eerst sinds ik in Brazilië ben is het bewolkt en grijs.

Even voor half twee komt de bus aan in Paraty en een half uurtje later ben ik ingecheckt in mijn hostel, op de beste locatie die je maar kan bedenken: direct aan Praia do Pontal, een klein strandje aan de Bahía de Paraty. Het hostel heeft een beach bar op het strand (waar ’s ochtends ook het ontbijt wordt geserveerd) en ik neem me voor om daar de rest van de middag te relaxen met een boek en een drankje. Van lezen zal het echter niet komen, in plaats daarvan drink ik caiperinhas met een Russische die ook alleen in Paraty is.

De volgende dag, na het ontbijt op het strand en nog wat suf van de caiperinhas, lopen we het oude centrum van Paraty in. Het hele centrum van Paraty is historisch erfgoed en bestaat uit oude wit geschilderde huisjes met fel gekleurde ramen en deuren, gelegen aan hobbelige keienstraatjes. Erg fotogeniek. Je hebt maar een paar uur nodig om het hele stadje te bekijken. Daarna haal ik bij het busstation alvast een kaartje voor het vervolg van mijn reis, morgenochtend. Terug bij Praia do Pontal betrekt de lucht en even later valt de regen met bakken uit de lucht. We hebben geluk gehad dat het vanochtend, toen we door het historische centrum liepen, wel mooi weer was. Ik doe de rest van de middag wat ik gisteren van plan was: met een boek aan het strand. De beach bar moet even tot vanavond wachten.

Sao Paulo

Na nog één keer ontbijten op het strand vertrek ik richting het bus station voor de zes uur durende rit van Paraty naar Sao Paulo. De bus stopt onderweg een paar keer en verder is het steeds hetzelfde beeld: groen begroeide bergen rechts, baaien en stranden links. Tegen vier uur ’s middags komen we aan op het busstation in Sao Paulo. Vanaf daar neem ik de metro de stad in. Mijn hotel is vlakbij het Praça da República in het centrum van de stad. Het is een beetje deprimerend hotel; hier geen strand en geen caiperinhas.

Sao Paulo is een enorme stad, de totale metropool telt 19 miljoen inwoners, veel groter dus dan Rio de Janeiro. Ik heb begrepen dat Sao Paulo vooral bekend staat vanwege cultuur, uitgaansleven en restaurants, in ieder geval vind ik het geen mooie stad: veel grauwe hoogbouw, druk, veel daklozen op straat. Ik ben er maar kort (ik ga de volgende ochtend meteen door naar Iguaçu) en loop voordat het donker wordt een uurtje door het centrum. Vanaf het Praça da República, een plein dat is ingericht als park loop ik langs het Patéo do Colégio, de plek waar Sao Paulo in is gesticht en waar een replica staat van het klooster dat er destijds stond. Ook het  Praça da Sé, is een groen plein en aan het eind van een soort galerij van palmbomen staat de kathedraal waaraan het plein zijn naam dankt (se betekent kathedraal). Grappig detail: de voetgangerslichten rondom Praça da Sé hebben de vorm van de torens van de kathedraal. Op de terugweg kom ik nog langs het Theatro Municipal, dat net als die in Rio in de stijl van de Parijse Opéra is gebouwd.

Iguaçu

Sao Paulo is voor mij niet meer dan een tussenstop op weg naar Iguaçu. De volgende ochtend neem ik dan ook de metro en vervolgens een bus naar Congonhas Airport, de luchthaven voor de binnenlandse vluchten van en naar Sao Paulo. Congonhas ligt echt midden in de stad, geheel omgeven door huizen andere gebouwen waar het volgens mij niet echt prettig toeven is, zo dichtbij de luchthaven. Het is anderhalf uur vliegen naar de luchthaven van Iguaçu, waar de eigenaar van het hostel waar ik overnacht me komt ophalen. Eenmaal ingecheckt laat ik me door het meisje achter de balie alles vertellen over de mogelijkheden om de watervallen van Iguaçu te bezoeken en daarna ga ik met een drankje en een boek buiten zitten.

De volgende ochtend staat de zon hoog aan de hemel, het is een aangename 25 graden, en toch zal ik het vandaag niet droog houden. Een bezoek aan de watervallen van Iguaçu betekent namelijk gegarandeerd nat worden. Maar wat zijn ze indrukwekkend! De Iguaçu-rivier vormt de grens tussen Brazilië en Argentinië. De indianenstam die hier vroeger woonde, noemde de rivier ‘y guaçu’, wat grote rivier of groot water betekent. De watervallen zijn al 150 miljoen jaar oud en ze worden vaak in één adem genoemd met de Victoria-watervallen in Afrika en de Niagara-watervallen in Noord-Amerika. De Iguaçu-watervallen, sinds 1986 opgenomen op de Unesco Werelderfgoedlijst, bestaan uit maar liefst 275 grote en kleine watervallen van gemiddeld tachtig meter hoog en beslaan samen een gebied van drie kilometer breed. Gemiddeld valt er ruim 1.400 kubieke meter water per seconde (!) naar beneden. Ik vind zoiets nauwelijks te bevatten.

Je kan de watervallen zowel aan de Braziliaanse kant van de grens, als aan de Argentijnse kant bezoeken en het is absoluut de moeite waard om beide kanten te doen. De Braziliaanse kant bezoek ik op eigen gelegenheid. Dat betekent met een rammelende lokale bus in ongeveer een uur  naar de ingang van het Parque Nacional do Iguaçu. Nadat je een kaartje hebt gekocht, wordt je door een bus afgezet bij het begin van de Trilha das Cataratas (letterlijk: watervalpad). Dit anderhalve kilometer lange pad volgt de rivier, waarbij je steeds een ander uitzicht op de watervallen hebt. Eerst zijn ze nog relatief ver weg, maar je komt er steeds dichterbij. Onderweg kom je overal coati’s tegen, rode neusberen in het Nederlands, kleine wasbeerachtige dieren met een lange neus en staart, die erg nieuwsgierig aangelegd zijn. Het pad eindigt bij Garganta do Diablo (letterlijk: duivelskeel), waar een houten pad tot het midden van de rivier loopt. Hier sta je midden tussen de watervallen: voor je, naast je, ónder je… Midden tussen het lawaai van de enorme hoeveelheden water dat naar beneden stort. Een enorme waternevel zorgt ervoor dat je van alle kanten nat wordt. Door de combinatie van zon en water zijn er overal prachtige regenbogen te zien. Erg indrukwekkend.

Ik kan me bijna niet voorstellen dat de Argentijnse kant van de watervallen nog mooier is, maar aangezien iedereen die ik spreek aanraadt om ook die kant te bezoeken, ga ik de volgende dag daar naartoe. Deze keer niet met een lokale bus, maar samen met drie anderen met een chauffeur die is geregeld door het hostel. De chauffeur handelt de douaneformaliteiten aan de grens af en vervolgens rijden we over de Ponte Presidente Tancredo Neves naar de andere kant van de Iguaçu-rivier, die aan Argentijnse zijde Iguazú heet. Vanaf de ingang van het Parque Nacional del Iguazú gaat een treintje naar Garganta del Diablo, dezelfde plek als waar ik gisteren aan de Braziliaanse kant was (zij het ook weer net anders gespeld). Aan de Braziliaanse kant sta je daar onderaan de watervallen, aan de Argentijnse kant sta je juist bovenaan. Een ruim één kilometer lang pad over de Iguazu-rivier brengt je tot precies bovenaan de rand van de watervallen. Ook hier sta je ontzettend dicht bij het donderende water. Zo dicht dat je ook hier gegarandeerd nat wordt, geen ontkomen aan.

Nadat ik heb gelunched, loop ik nog twee routes door het park: de Paseo Inferior loopt door de jungle onderlangs enkele van de watervallen en de Paseo Superior loopt bovenlangs een aantal watervallen. Vooral de eerste is de moeite waard, waarbij je prachtige uitzichten hebt en ook weer heel dicht bij een aantal watervallen komt. Ook van deze kant zijn door de waternevel regenbogen zichtbaar. De route bovenlangs vind ik iets minder; ik vind watervallen indrukwekkender van onderaf. Maar het is waar wat ze zeggen: bezoek beide kanten, het is echt de moeite waard!

Pantanal

De volgende ochtend (het is alweer vrijdag) zie ik voor de verandering niet de zon, maar de maan als ik in een taxi naar de luchthaven zit. Het is half zes ’s ochtends en om zeven uur vertrekt mijn vlucht. Op de geplande vertrektijd sta ik echter nog met een aantal anderen in de rij bij de bagage drop-off. De vlucht is een half uur vertraagd. Brazilië is zo groot dat twee van mijn vier binnenlandse vluchten een tussenstop hebben. Ik ben op weg van Iguaçu naar Campo Grande, maar moet daarvoor overstappen in Brasiliá, de hoofdstad van Brazilië. Om kwart voor twaalf lokale tijd (er zit een uur tijdsverschil tussen het westen en oosten van Brazilië) kom ik aan in Campo Grande. Ik word van de luchthaven opgehaald door een chauffeur van de tour operator bij wie ik een tour naar de Pantanal heb geboekt. Hij zal mij naar de boerderij brengen waar ik de komende nachten zal verblijven. Daarvoor moeten we nog wel 5,5 uur rijden…

De rit is lang en saai. De omgeving is uitgestrekt, gras, bomen en hier een wat koeien, veel meer is er niet te zien. Halverwege stoppen we om te lunchen. Ik bestel een açai (vruchtensap gemaakt van een bes uit het Amazonegebied) en iets wat het midden houdt tussen een hamburger en een tosti. Er loopt maar één doorgaande weg door de Pantanal en deze weg gaat eindeloos door, uur na uur, er lijkt geen einde aan te komen. Na vier uur houdt het asfalt op en gaan we over een onverharde weg verder. Na veertien kilometer hobbelen slaat de chauffeur rechtsaf. Hier wordt de weg een zandpad met diepe sporen en waterpoelen. Het pad wordt smaller en de poelen verraderlijker en op een gegeven moment houdt ook het pad op. Net als ik me begin af te vragen of dit wel de goede weg is, doemt daar eindelijk Poudada Xaraés op. Eindelijk!

De Pantanal is het grootste moerasgebied ter wereld, een soort Everglades maar dan twintig keer zo groot. Het is een enorm gebied van ongeveer 210.000 vierkante kilometer, waar maar weinig mensen wonen en dat de helft van het jaar (tijdens het regenseizoen) grotendeels onder water staat. De Pantanal wordt omringd door bergen. Het water dat daar vanaf stroomt, vult de rivieren in de Pantanal. In het regenseizoen treden die buiten hun oevers. Daardoor is de grond in het gebied erg vruchtbaar en leven er veel wilde dieren. Een 4×4 is hier dan ook onontbeerlijk en in het regenseizoen zijn grote delen alleen per boot of vliegtuigje bereikbaar.  Je zit hier dus echt in de middle of nowhere. (Maar er is wel wifi J) Ik ben gelukkig niet de enige gast (het is nog vroeg in het seizoen), wat wel zo gezellig is tijdens het eten en de excursies. Na het eten geeft de gids uitleg over de Pantanal, de dieren die hier voorkomen en de pousada, die, zo zien we op luchtfoto’s, in het regenseizoen inderdaad vrijwel geheel door water wordt omringd.

De volgende ochtend zit ik al om half acht in een bootje op de Abobral-rivier. Wilde dieren zijn immers het actiefst in de vroege ochtend en de late middag, omdat het midden op de dag te warm is (tijdens mijn verblijf wordt het overdag zo’n 35 graden). We maken een tocht van twee uur en onderweg zien we capibara’s (een soort kruising tussen een hond en een cavia), kaaimannen die op de wal in de zon liggen en diverse vogels. Hier en daar zit een aap hoog in de bomen. Het is een leuk, relaxed boottochtje. Na een paar uurtjes relaxen in een hangmat op de veranda en de lunch, vertrekken we in de loop van de middag voor een drie uur durende jeepsafari. Eén van de vogels die we onderweg tegenkomen, is een enorme Jabiru (of Tuiuiú). Volwassen Jabiru’s, witte vogels met een zwarte kop en rode nek, worden anderhalve meter hoog en dat is dit exemplaar zeker. Ook zien we hyacintara’s, een knalblauwe papegaaiensoort en vossen. Nadat we een stuk door de jungle hebben gewandeld en het langzaam maar zeker donker wordt, gaan we verder met een groot zoeklicht. We hopen eigenlijk een jaguar te zien, maar dat geluk hebben we helaas niet. Niettemin is het een leuke excursie en zien we toch best veel dieren.

Ook de volgende ochtend vertrekken we weer vroeg voor een boottocht, deze keer op een ander stuk van de rivier. In 3,5 uur zien we capibara’s, kaaimannen en veel vogels, waaronder veel ijsvogels en prachtige rode ara’s. Tijdens een junglewandeling ontdekt onze gids wel pootafdrukken van een jaguar, maar het beest zelf laat zich niet zien. De muggen daarentegen wel… De middag breng ik weer relaxend en lezend in een hangmat door. Er valt af en toe een bui, maar bij deze temperatuur en onder het dak van de veranda heb je daar geen last van.

Belo Horizonte en Ouro Preto

Ik zou aanvankelijk van Campo Grande via Brasiliá naar Belo Horizonte vliegen en dan meteen met de bus door naar het koloniale stadje Ouro Preto. In plaats daarvan besluit ik in Belo Horizonte te overnachten en van Ouro Preto een dagtrip te maken. De reis vanuit de Pantanal naar Belo Horizonte is al lang genoeg. Hoe dan ook sta ik maandagochtend al om vijf uur ’s ochtends klaar voor de lange rit van pousada Xaraés naar de luchthaven van Campo Grande. Als ik op de luchthaven aankom, blijkt dat de vlucht naar Brasiliá vertraagd is, waardoor ik mijn aansluitende vlucht mis. Dat probleem wordt slagvaardig opgelost: ik wordt op de eerstvolgende vlucht geboekt en zal  dan twee uur later aankomen dan gepland. Maar goed dat ik eerder mijn plan heb gewijzigd! En voor die twee uur vertraging krijg ik ook nog een voucher voor gratis eten. Vanaf de luchthaven van Belo Horizonte is het nog vijftig minuten met de bus naar het busstation in het centrum van de stad. Daar haal ik meteen buskaartjes voor de dagtrip naar Ouro Preto. Daarna is het nog maar 500 meter lopen naar mijn hotel. Het is een lange reisdag geweest.

De volgende ochtend loop ik na het ontbijtbuffet naar het busstation om met PassaroVerde naar Ouro Preto te gaan, een ruim twee uur durende rit. Het is 25 graden, maar wel bewolkt. Ouro Preto is een oud, koloniaal stadje in een bergachtig gebied met de naam Serra do Espinhago. Het centrum van het stadje bestaat vrijwel volledig uit huizen en gebouwen uit de achttiende en negentiende eeuw. Plus maar liefst dertien kerken. Deze zijn gebouwd aan hobbelige keienstraatjes, rondom het centrale plein Praça Tiradentes. De straten zijn soms zo steil dat de stoep uit traptreden bestaat. Op de hoger gelegen plekken heb je een prachtig uitzicht over de daken en de heuvels daarachter. In het midden van de achttiende eeuw was Ouro Preto met 110.000 inwoners een relatief grote stad; Rio de Janeiro telde toen nog maar 20.000 inwoners en New York 50.000. Dat had een reden: in 1711 werd in de omgeving van Ouro Preto goud gevonden en al snel bleek het om de grootste goudvoorraad ter wereld te gaan. Vandaag de dag staat heel Ouro Preto op de Unesco Werelderfgoedlijst. Het is een fotogeniek stadje, hoewel het verkeer en de vele (toeristische) winkels een beetje afdoen aan de charme, maar het is leuk om een paar uur door de straatjes te lopen.

Salvador

Het is woensdagochtend als ik de bus naar de luchthaven neem en vervolgens in een kleine twee uur van Belo Horizonte naar Salvador vlieg. Salvador (officieel heet de stad São Salvador da Bahia de Todos os Santos) is mijn laatste stop op deze reis. Ook hier moet je een bus nemen om van de luchthaven in de stad te komen en in dit geval doet die er nog eens anderhalf uur over. In de loop van de middag kom ik aan bij mijn hostel. Ik logeer in het hart van het historisch centrum van Salvador, de wijk Pelourinho, aan misschien wel het mooiste plein van de hele stad: het Largo do Pelourinho.

De volgende twee ochtenden verlopen identiek: ik zit aan mijn ontbijt met koffie en vers fruit, terwijl drie meter verder de regen met bakken uit de hemel valt. Al dat water gaat gepaard met flinke klappen onweer. Als het hier in Brazilië regent, regent het ook meteen goed hard. Het voordeel van zulke tropische buien is dat ze nooit de hele dag duren (en de temperatuur is er niet minder aangenaam door); in de loop van de ochtend wordt het droog.

Salvador was tot 1763 de hoofdstad van het koloniale Brazilië. Het is nu de hoofdstad van de deelstaat Bahia en telt 2,7 miljoen inwoners. De stad is in 1549 door de Portugezen gesticht op de plek waar nu de wijk Barra ligt, op een klif met strategisch uitzicht op zee en de Bahía de Todos os Santos. Als gevolg van de grote hoeveelheid slaven die hier in de zestiende eeuw naartoe werden gebracht, kent de Portugese/Latijns-Amerikaanse cultuur in Salvador sterke Afrikaanse invloeden. Die invloeden vind je overal terug: in de mensen, de muziek, het eten, de religie. Zo is Salvador het centrum van Capoeira, een eeuwenoude Afrikaans-Braziliaanse dans- en gevechtsvorm.

Het historische centrum van Salvador is zoals gezegd de wijk Pelourinho, dat op de Unseco Werelderfgoedlijst staat en vol staat met zeventiende- en achttiende-eeuwse gebouwen waarvan de gevels in allerlei kleuren zijn geschilderd. Zoals dus aan het Largo do Pelourinho, een driehoekig plein dat vrij steil afloopt en dat ooit de plek was waar de slaven werden verhandeld. Het oude centrum heeft nog drie pleinen: het Tercero de Jesus, waar vroeger religieuze evenementen plaatsvonden, het Largo do Cruzeiro do São Francisco, vernoemd naar het grote kruid in het midden van het plein, en het Praça Municipal. Hier bevindt zich de Elevador Lacerda, een in art deco-stijl gebouwde lift die in de jaren twintig van de vorige eeuw is gebouwd en die passagiers in dertig seconden naar het 72 meter lager gelegen Cidade Baixa (letterlijk: benedenstad) brengt. Van bovenaf heb je een fraai uitzicht over de baai en de haven. Beneden in de Cidade Baixa staat de Mercado Modelo. Ooit was dit het douanekantoor waar de slaven uit Afrika aan land werden gebracht. Nu is er een toeristenmarkt in gevestigd.

Het zal de laatste twee dagen in Salvador wisselvallig weer blijven. Geregeld vallen er buien en tussendoor is het dan weer een tijdlang droog. Als het mooi weer was geweest, zou ik nog naar het strand van Barra zijn gegaan, maar het is niet echt strandweer. In plaats daarvan blijf ik in Pelourinho. Een beetje rondkijken, koffie drinken, lezen, uitgebreid lunchen en natuurlijk caiperinha’s drinken.

Het oude centrum van Salvador is ronduit prachtig en zeer fotogeniek. Tegelijkertijd heb je ook hier wat je overal in Brazilië (en Zuid-Amerika) ziet: om de mooie plekjes heen is veel lelijks, grauwe hoogbouw, slecht onderhouden huizen en wegen, vervallen panden waar niemand naar omkijkt, andere panden die nooit afgebouwd zijn. Dat is toch het verschil met West-Europa, waar alles ‘af’ en netjes aangeharkt is. Ook het verschil tussen rijk en arm is duidelijk zichtbaar. Op een steenworp afstand van de moderne winkelcentra en de splinternieuwe voetbalstadions bevinden zich wijken met opeengepakte huisjes waar ik niet graag zou komen. Ondanks de economische groei en de ontwikkeling die Brazilië dankzij die groei heeft doorgemaakt, kampt het land nog altijd met sociale problemen zoals armoede, corrupte en criminaliteit. Dat gezegd hebbende vind ik een bezoek aan Brazilië zeker de moeite waard.

Tot slot: overal in Salvador zitten drumscholen waar les wordt gegeven in het voor deze stad zo kenmerkende ritmische slagwerk. Die muziek klinkt overal uit de openstaande ramen en met enige regelmaat oefenen groepjes op straat (wat dan een combinatie is van oefenen en optreden, er wordt in ieder geval een fooienmandje neergezet J). Zo ook op mijn laatste middag in Brazilië: zittend in het open raam van mijn hostel kan ik genieten van een soort openluchtconcert op het Largo do Pelourinho. Het is een swingende muzikale afsluiting van mijn reis door Brazilië.