28 augustus – 18 september 2015

De meest gehoorde reactie op mijn voornemen om naar Indonesië te gaan was: “Ben je daar nog niet geweest dan?” Nee dus. J Ik ben al in veel landen geweest, maar in Indonesië was ik nog niet geweest. Tot nu dan. Want na veertien uur vliegen landen we op zaterdagochtend 29 augustus op de luchthaven van Jakarta, om vanaf daar meteen door te vliegen naar Yogyakarta. Eind van de middag zijn we in ons hotel en is het tijd voor een verfrissende duik in het zwembad.

Indonesië bestaat uit ruim 17.000 (!) eilanden en daarvan zullen we er een bescheiden aantal van vier bezoeken: Java, Bali, Lombok en Gili Meno. Gemeten naar bevolkingsomvang is Indonesië het op drie na grootste land ter wereld: op dit moment staat de teller op ruim 250 miljoen inwoners. Van die 250 miljoen woont zestig procent op Java – terwijl Java maar zes procent van de oppervlakte van Indonesië beslaat. In politiek en economisch opzicht is Java dan ook het belangrijkste eiland en de meeste Indonesiërs hebben de Javaanse etniciteit. In Indonesië worden naar schatting driehonderd talen en dialecten gesproken, maar ook al is het vaak niet hun moedertaal, Bahasa Indonesia spreekt iedereen. Het land heeft de grootste moslimbevolking ter wereld: 86% van de Indonesiërs is moslim. Daarnaast hebben animisme, hindoeïsme en boeddhisme een belangrijk stempel gedrukt op de cultuur van het eilandenrijk. De eerste contacten van de van oorsprong animistische Indonesiërs (nog vóór onze jaartelling) waren met handelaren uit het huidige India, waardoor ze in contact kwamen het hindoeïsme. De handel met de Chinezen bracht vanaf de vierde eeuw boeddhistische invloeden naar de eilanden en vanaf de zevende eeuw arriveerden handelaren uit de Arabische wereld, die de islam meebrachten. In de achtste en negende eeuw waren hindoeïsme en boeddhisme nog dominant en uit deze tijd stammen ook bekende bezienswaardigheden zoals de Borobudur, maar de islam verspreidde zich snel over de eilanden en handelsplaatsen groeiden uit tot sultanaten (een soort koninkrijkjes met absolute heersers).

Eind zestiende eeuw komt de eerste Nederlandse expeditie aan op Java. In 1602 wordt de VOC opgericht en in de jaren daarna gaan de Nederlanders de handel op de eilanden steeds meer domineren. Nederland wil de handel van en naar Indonesië monopoliseren, als het moet met geweld. En dat lukt voor een belangrijk deel: rond 1800 domineert de VOC de handel in peper, thee, rubber, suiker, koffie en andere handelswaar. Vanaf het begin van de twintigste eeuw groeit het nationale bewustzijn van de Indonesiërs en na de Japanse bezetting in de Tweede Wereldoorlog roepen Indonesische nationalisten op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uit. Nederland reageert door militairen naar Indonesië te sturen. Wat in Nederland nog altijd eufemistisch ‘politionele acties’ worden genoemd, is in feite een onafhankelijkheidsoorlog. Internationaal krijgt Nederland weinig steun en na veel bloedvergieten draagt Nederland op 27 december 1945 gedwongen de macht over en wordt Indonesië een soeverein land. Onder leiding van president Soekarno ontwikkelt Indonesië zich tot een autocratie met steun van het leger. In 1966 neemt generaal Soeharto de macht over en wat volgt is dertig jaar militaire dictatuur. Het leger heeft alle macht in het land, inclusief de leiding over honderden bedrijven. Er is veel corruptie en de rijkdom vloeit naar een kleine kring van machtige families. De Aziatische valutacrisis in 1997 betekent het einde van Soeharto’s bewind en vanaf dat moment ontwikkelt Indonesië zich tot de vrij stabiele democratie die het tegenwoordig is.

Yogyakarta en de Candi Borobudur

Goed, we zijn dus als eerste op Java. De eerste volle dag in Indonesië gaan we Yogyakarta verkennen. Dat doen we per fietstaxi (ook wel riksja of becak). Als de hoofdstad Jakarta het politieke en economische hart van Indonesië is, dan is Yogyakarta het culturele centrum. De stad ligt op centraal-Java en telt een kleine 400.000 inwoners. De stad kent alleen laagbouw en zit vol restaurants, cafés en hotels. Het verkeer op straat is druk en wordt gedomineerd door scooters, brommers en fietstaxi’s. Scooters en brommers zijn tegenwoordig hèt vervoermiddel in Indonesië. Van jong tot oud gebruikt ze (sommige kinderen op scooters zijn zo jong dat ze net hun driewieler lijken te zijn ontgroeid), van gesluierde meisjes tot hele gezinnen (met papa voorop, mama achterop en hun kind er tussenin). Ook voor het vervoer van grote bossen suikerriet, stapels hout of andere omvangrijke hoeveelheden worden scooters en brommers veel gebruikt. Regelmatig komt er een ‘rijdende bos takken’ voorbij. In Yogyakarta valt meteen op dat Indonesië een islamitisch land is. Vijf keer per dag klinkt overal de oproep tot gebed en ook tijdens de rest van de reis zullen we zien dat ieder dorp minimaal één moskee heeft. Indonesiërs gaan wel op een tamelijk losse manier met hun geloof om. Zo zie je wel veel meisjes met een hoofddoek, maar ook veel zonder en veel Indonesiërs combineren hun islamitische geloof met traditionele animistische gewoonten. Zo geloven veel mensen hier in geesten en in de werking van traditionele medicijnen.

Yogyakarta is gesticht in 1775 en uit dat jaar stamt ook de Kraton, het paleis van de sultan van Yogyakarta. De Kraton is een ommuurd complex met binnentuinen, verblijven en open paviljoenen waar muziek- en dansvoorstellen plaatsvinden.  Centraal in het complex bevindt zich de Bangsal Kencana oftewel het ‘gouden paviljoen’, die als ontvangsthal fungeert. Op diverse plekken in de Kraton zijn spullen tentoongesteld, van muziekinstrumenten tot foto’s van voormalige sultans, maar de Kraton is niet alleen een museum; Yogyakarta wordt ook vandaag de dag nog steeds door een sultan geregeerd en ook de huidige sultan woont in de Kraton. Verder wordt er geregeld gamelan-muziek gespeeld, traditionele Javaanse muziek met voornamelijk percussie zoals trommels, xylofoons en gongs. Ook als wij de Kraton bezoeken, vindt een optreden plaats. Na de Kraton bezoeken we Taman Sari, het ‘waterpaleis’ van de sultan. Het is een soort openluchtzwembad, dat halverwege de achttiende eeuw is gebouwd. Het waterpaleis is lang vervallen geweest, maar inmiddels weer helemaal opgeknapt, hoewel het water van het zwembad er niet heel uitnodigend uitziet.

Na de gamelan-muziek in de Kraton maken we deze dag nog kennis met twee andere Javaanse artistieke tradities. De eerste is een werkplaats waar wajangpoppen worden gemaakt. Er zijn twee soorten wajangpoppen: wajang kulit zijn uit leer gesneden tweedimensionale poppen die worden gebruikt voor voorstellingen achter een scherm, wajang golek zijn driedimensionale houten poppen.  Na een korte wajang kulit-voorstelling (waarvan het verhaal eerlijk gezegd niet echt tot me doordringt) bezoeken we een Batikwerkplaats. Batik is een manier om stof van kleur en patronen te voorzien. Delen van de stof worden met was bewerkt, waarna de overige delen met kleurstof worden geverfd, waarna de gekleurde delen met was worden bewerkt en weer ander delen van de stof worden gekleurd. Zo ontstaan er patronen en figuren en dit alles gebeurt met de hand (al kan je overal ook goedkope fabrieksbatik kopen).

Aan het begin van de middag zijn we terug in ons hotel. We lunchen bij een eettentje met de naam ‘Tante Lies’, waar een heerlijke Indoneschische maaltijd slechts 16.00 rupiah, omgerekend één euro kost. Daarna duiken we bij het hotel het zwembad in. ’s Avonds gaan we eten bij een restaurant dat Javaans gerechten serveert. Erg lekker en erg gezellig. Tot slot doen we nog een drankje in een bar vlakbij het hotel.

Op onze tweede dag in Yogyakarta bezoeken we de bekendste bezienswaardigheid van Indonesië: de Candi Borobudur. Deze boeddhistische tempel is gebouwd tussen 750 en 850, te midden van de vruchtbare landbouwgronden van centraal-Java. Die grond is zo vruchtbaar vanwege de vulkanische activiteit (er zijn 34 vulkanen op Java, 179 in heel Indonesië) en die vulkanen hebben ook het steen geleverd waarmee de Borobudur is gebouwd. De hoeveelheid mensen valt me mee, ik had verwacht dat het drukker zou zijn bij zo’n bekende attractie. De Borobudur is geen ‘normale’ tempel in de zin dat je er naar binnen kan, maar meer een soort enorm grote stoepa. Het complex meet aan de basis 118 bij 118 meter en bestaat uit zes vierkante terrassen en daar bovenop drie ronde. Aan de vier zijden lopen trappen omhoog en op ieder terras kan je een vierkantje lopen, met de klok mee, zoals dat hoort bij een boeddhistisch heiligdom. De zes vierkante terrassen zijn gedecoreerd met een enorme hoeveelheid uit steen gehouwen reliëfs met verhalen en beeltenissen van het Javaanse leven van zo’n 1.200 jaar geleden. Ook zijn er talloze boeddhabeelden, die over de omgeving uitkijken (als ze nog een hoofd hebben, want veel beelden missen lichaamsdelen…). Op de bovenste drie ronde terrassen staan in totaal 72 ronde stoepa’s. Deze stoepa’s zijn met ruitvormen opengewerkt en binnenin iedere stoepa zit (of zat) een boeddhabeeld. Het geheel is erg indrukwekkend, vooral vanwege de omvang, de grote hoeveelheid boeddhabeelden en al die gedetailleerde reliëfs. Al die twee miljoen stenen waarmee de Borobudur is opgebouwd en die perfect in elkaar passen. Erg mooi.

Na de Borobudur bezoeken we Candirejo, een ‘typisch Javaans dorpje’ dat dankzij het modewoord ‘ecotoerisme’ buitenlandse bezoekers weet te trekken. In de omgeving van het dorp wordt van alles verbouwd, onder andere bananen, casave, papaya, jackfruit en snake fruit of salak. Bij een familie thuis zien we hoe van casave kroepoek wordt gemaakt voor de lokale markt. Die smaakt toch heel anders dan de casavekroepoek van Conimex.

Via de Candi Prambanan en Solo naar Tanwangmangu

Na twee dagen vertrekken we uit Yogyakarta en rijden we in een uur naar de Candi Prambanan. De Prambanan is het grootste en belangrijkste tempelcomplex uit de tijd dat Java nog voornamelijk hindoeïstisch was. Het complex is gebouwd tussen de achtste en tiende eeuw, maar een groot deel werd in de zestiende eeuw tijdens een grote aardbeving verwoest. Mensen uit de omgeving hebben toen veel stenen weggehaald en gebruikt als bouwmateriaal, maar een aantal tempels is opnieuw opgebouwd. Door een zware aardbeving in 2006 is er opnieuw veel beschadigd en nu wordt er hard gewerkt om de tempels te restaureren. Daardoor heeft het complex wel wat weg van een bouwplaats. Maar de Prambanan is niettemin erg mooi. Centraal staan acht grote en acht iets kleinere tempelgebouwen, onder andere ter ere van de drie belangrijkste hindoegoden: Shiva, Brahma en Vishnu. Daar omheen liggen de resten van naar verluidt nog 244 andere tempels; Prambanan moet ooit dus een enorm groot complex zijn geweest. De hoogste tempel (die ter ere van Shiva) is 47 meter hoog en alle gebouwen zijn rijk gedecoreerd met uit steen gehouwen reliëfs. Binnenin de tempels staan beelden van de goden ter ere waarvan ze zijn gebouwd. Het is allemaal erg indrukwekkend.

In Solo stoppen we even om benen te strekken en een kijkje te nemen op de lokale markt. Je kan hier van alles krijgen, van groenten en fruit tot kruiden en allerlei kroepoekvariaties. Altijd leuk om ergens over een lokale markt te lopen. Onderweg stoppen we ook nog bij de Candi Sukuh, die bekend staat als ‘erotische tempel’. Deze valt tegen; het is een kleine tempel, die echter wordt gerestaureerd en dus onder steigers verscholen gaat. Hadden we wat mij betreft kunnen overslaan.

Vervolgens rijden we bergopwaarts, de hellingen van de Gunung Lawu op, richting Tawangmangu. Te midden van de landbouwgronden, waar rijst, bananen, pepers, tomaten, avocado’s en nog veel meer worden verbouwd, maken we een mooie wandeling van bijna 2,5 uur. Het contrast met de drukte van Yogyakarta is groot. Ik loop samen met Mireille voor de rest van de groep uit, wat erg gezellig is. Af en toe komen we langs wat huizen, waar kinderen uit de buurt ons steevast enthousiast begroeten. Lokale bewoners stoppen graag om voor foto’s te poseren. Het is een erg mooie wandeling, die soms erg steil omhoog en omlaag gaat; gelukkig is het hier op 1.100 meter wat koeler. Niettemin kom ik nat van het zweet bij het eindpunt aan.

Via Malang naar Bromo

Woensdag is een lange reisdag: van Tawangmangu naar Malang op oost-Java. We rijden door eindeloze rijstvelden, suikerrietplantages en velden waar groente en fruit wordt verbouwd. Op veel plekken zijn mensen op het land aan het werk en het valt me op dat álles hier met de hand gebeurt. Nergens een landbouwmachine te bekennen. Oost-Java is ook beduidend minder dichtbevolkt dan west- en centraal-Java; bergen, kleine dorpjes en landbouw domineren hier. ’s Avonds bezoeken we nog een avondmarktje, maar die valt een beetje tegen. Helaas hebben we maar weinig tijd in Malang, want de volgende ochtend vertrekken we alweer. Na anderhalf uur rijden stappen we over in terreinauto’s waar we staand in de achterbak mee verder gaan. Onderweg lopen we vertraging op omdat we in een klein dorpje onverwachts midden in een soort carnavalsoptocht belanden. Het hele dorp is uitgelopen en aan de hoeveelheid mensen te zien de wijde omgeving ook. Er zijn pick-ups met grote luidsprekerboxen waar harde muziek uit klinkt, traditioneel geklede danseressen, groepjes verklede kinderen en een aantal Javanen draagt een groot carnavalesk beeld met zich mee. Dit is een puur lokaal feest (als in: niet toeristische) en we hebben geluk dat we hier zo middenin vallen. En de lokale bewoners vinden het net zo leuk om ons hier te zien. Ze poseren gewillig voor foto’s en anderen willen met ons op de foto.

Nadat de hele stoet voorbij is getrokken, kunnen we weer verder. Achterop de terreinauto zien we het landschap van oost-Java voorbij komen. We rijden grotendeels bergopwaarts, het Nationaal Park Bromo Tengger Semeru in. Naarmate we hoger komen, wordt het ook kouder, de bananenbomen hebben plaatsgemaakt voor naaldbomen. In de dorpjes waar we doorheen rijden, worden we weer enthousiast toegezwaaid. Op het hoogste punt ontvouwt zich voor ons een prachtig panorama. Beneden ligt het kale landschap van de Tengger-krater, voor ons de konische top van de Tengger-vulkaan en daarachter stijgt de rook uit de Bromo-vulkaan op. Het is een prachtig uitzicht. Vervolgens rijden we naar beneden en vanaf daar gaan we lopen, dwars door de Tengger-krater, door het grijze zand en de vulkaanas. Het is ongeveer een uur lopen door deze ruige omgeving naar de voet van de Bromo-vulkaan. Net als in Tawangmangu loop ik ook hier samen met Mireille voor de rest van de groep uit. Het klikt goed tussen ons en we hebben leuke en goede gesprekken. Aan de voet van de Bromo gaat het omhoog (best een pittige wandeling) en vervolgens kom je bij de eerste van 255 treden die je naar de rand van de krater van de Bromo-vulkaan brengen. Dit is waar je ontdekt dat het met je conditie belabberd is gesteld. Maar het is de moeite waard. Bovenaan kijk je de enorme krater in. Vanuit de diepte stijgt een dikke rookwolk op die een penetrante zwavelgeur verspreidt. In de diepte klinkt een onheilspellend gegrom. Erg indrukwekkend. Ik vind het bezoek aan de Bromo-vulkaan het hoogtepunt van de reis tot nu toe.

De Tengger-krater heeft een doorsnede van tien kilometer en daarbinnen liggen drie vulkanen: de Gunung Bromo (bijna 2.400 meter hoog), de Gunung Kursi (bijna 2.600 meter) en de Gunung Batok (ruim 2.400 meter). Van die drie is de Bromo dus de minst hoge, maar wel de enige actieve vulkaan. De laatste eruptie heeft in 2010 plaatsgevonden. Van bovenaan de kraterrand van de Bromo heb je een weids uitzicht over de Tengger-krater. Het is net een maanlandschap. Nadat we weer zijn afgedaald, lopen we dwars door dit landschap naar de andere kant, waar ons hotel staat, pal aan de kraterrand. Hoog tijd om al het stof van ons af te spoelen. Na alle inspanning hebben we wel een koude Bintang verdiend.

Van Bromo via Kalibaru naar Ketapang

Vanaf een uur of drie ’s ochtends verschijnen er in de Tengger-krater tientallen lichtjes. Het zijn de lampen van de terreinauto’s die in het donker op weg zijn naar het hoogste punt van de kraterrand. Ze brengen enkele honderden bezoekers naar een uitkijkpunt waar je het vanaf ongeveer vier uur langzaam aan licht kan zien worden en de zon kan zien opkomen. Bij het uitkijkpunt is het ontzettend druk, ondanks het vroege tijdstip. Er zijn koffie- en eettentjes en souvenirverkopers en vooral veel bezoekers, die, net als wij, al om half drie zijn opgestaan. Maar dat is het waard; langzaam kleurt de lucht van donkerblauw via rood en oranje naar lichtblauw en vervolgens verschijnt de zon als een rode bal boven de horizon. Beneden liggen bergtoppen met daartussen een deken van wolken en mist. Ondanks de mensenmassa is de zonsopkomst hier erg mooi om te zien. Nadat de zon is opgekomen, baadt de Bromo-vulkaan in het prachtige ochtendlicht, met de perfect konische top Semeru-vulkaan op de achtergrond, een fantastisch uitzicht.

We reizen vandaag (vrijdag) verder naar Kalibaru, een klein dorpje op oost-Java. Hier blijven we één nacht en kunnen we een beetje relaxen, voordat we de volgende dag doorrijden naar Ketapang, op ongeveer twee uur rijden van Kalibaru op het uiterste oostpuntje van Java. Vanaf hier vertrekken de veerboten naar Bali. Maar eerst staat er nog een bezoek aan een andere vulkaan op het programma: de Gunung Iljen. Deze bijna 2.400 meter hoge vulkaan ligt samen met de Merapi (2.800 meter) en de Raung (ruim 3.300 meter) op het Iljen-plateau. Op en in de vulkaan werken zo’n driehonderd mannen. De Iljen-vulkaan produceert namelijk zwavel. De mannen hakken de stukken zwavel met de hand uit, veelal met niet meer dan een sjaal voor hun gezicht, en vervolgens sjouwen ze de zwavel in draagmanden omhoog de krater uit en daarna naar beneden, zo’n zestig tot tachtig kilo per keer.

Ook voor deze vulkaan moeten we vroeg opstaan: om vier uur gaat de wekker en nadat we met terreinauto’s naar het startpunt zijn gebracht, beginnen we om zes uur aan de beklimming. De afstand naar de top is ongeveer drie kilometer, wat niet veel lijkt, maar onderweg loop je wel van 1.400 naar 2.400 meter hoogte. En dat is best steil. Het pad bestaat uit zand en stenen en door een combinatie van de ijle lucht en het opwaaiende stof raak je snel buiten adem. We lopen in ons eigen tempo naar boven, af en toe stoppen we om op adem te komen. Eenmaal boven gekomen worden we beloond met een geweldig uitzicht over de weidse krater en het grijs-groene kratermeer beneden. Terwijl we onderweg de hele tijd tussen de begroeiing hebben gelopen, bestaat de top van de Iljen uitsluitend uit kale rotsen. Er staat een stevige wind en ik zit van top tot teen onder het zand en stof. Maar het is zeer de moeite waard, het tweede hoogtepunt deze reis (letterlijk en figuurlijk).

De afdaling gaat een stuk sneller dan de wandeling omhoog, maar het is wel voortdurend oppassen dat je niet onderuit gaat op de losliggende steentjes van het pad. Omdat we zo vroeg zijn vertrokken, is het pas kwart over negen als we weer bij het startpunt terug zijn. Terug in het hotel duik ik het zwembad in. Na de lunch vertrekken we richting de veerboot. We verlaten Java en steken over naar Bali. Daar aangekomen is het nog twee uur rijden naar Lovina, een klein dorpje aan de noordkust van Bali, gelegen aan een strand dat uit zwart vulkaanzand bestaat.

Van Lovina naar Ubud

We zijn één dag in Lovina en na alle inspanningen van de afgelopen dagen doe ik die ene dag helemaal niets, behalve eten, lezen, zwemmen en relaxen. De volgende dag (dinsdag) rijden we in zuidelijke richting met als bestemming Ubud. Op Bali hebben de moskeeën plaatsgemaakt voor tempels. Negentig procent van de bevolking van Bali is hindoeïstisch. Net als de Javanen combineren de Balinezen hun hindoeïstische geloof wel met oude animistische tradities; zo worden er dagelijks offers gebracht om de geesten gunstig te stemmen. Onderweg stoppen we bij de Gitgit-waterval en bij een lokale (maar erg op toeristen gerichte) markt. Ook bezoeken we de Pura Ulun Danu, een belangrijke hindoeïstische tempel uit de zeventiende eeuw. De tempel is gebouwd ter ere van de hindoegod van het water (Dewi Danu) en is prachtig gelegen op een eiland in het Bratan-meer.

In de loop van de middag komen we aan in Ubud. Het stadje zelf is erg toeristisch. Veel winkeltjes die Balinese kunst en souvenirs verkopen, veel restaurantjes en cafés ook. Eind van de middag neem ik een kijkje bij het paleis van Ubud, waar de lokale koninklijke familie woonde, en op de toeristische markt die er tegenover ligt. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is Bali een toeristische bestemming. Na de bomaanslagen in Kuta in 2002 nam het aantal bezoekers sterk af, maar inmiddels is het toerisme weer op het oude niveau. Door het toerisme is Bali een welvarend eiland en zijn zaken als infrastructuur en gezondheidszorg sterk verbeterd. Tegelijkertijd heeft het eiland zijn traditionele karakter behouden. De sterke dorpsgemeenschappen, de oude tradities en de rijstteeltcultuur zijn al eeuwen onveranderd.

De volgende dag trek ik er alleen op uit. Daartoe huur ik een auto met chauffeur om een aantal bezienswaardigheden in de omgeving te bezoeken. We rijden eerst naar een dorpje ten noordoosten van Ubud: Tampaksiring. Hier bevindt zich de Gunung Kawi, één van de oudste tempels van Bali, vermoedelijk gebouwd in de elfde eeuw. Via een aantal trappen loop je tussen de rijstvelden door naar beneden, waar een rivier door een weelderig begroeide kloof stroomt. Aan weerszijden van de rivier zijn tien ‘candi’ (een soort stoepa’s) uit de rotsen gehakt, elk acht meter hoog. Er is verder niemand en er heerst dus een serene rust, je hoort alleen het stromen van de rivier. Je hebt hier het gevoel ver terug in de tijd te zijn. Het is een prachtige plek.

Na de Gunung Kawi rijden we naar de Pura Taman Ayun, een groot tempelcomplex ten zuidwesten van Ubud. Als niet-hindoe mag je de tempel niet in, maar je kan er wel omheen lopen en over de niet al te hoge muur heen het complex bekijken. Binnen de muur van de in 1634 gebouwde tempel staan zeker tien  ‘meru’ of pagodes van verschillende hoogten. Deze tempel is weer heel anders dan de tempels die ik eerder  op Java en Bali heb gezien en ook deze is weer erg mooi. Als derde bezienswaardigheid bezoek ik vandaag Jatiluwih. Op de hellingen van de Gunung Batukan liggen eeuwenoude rijstterrassen. Ze vormen een onderdeel van de Balinese rijstteeltcultuur die door Unesco tot immaterieel werelderfgoed is verklaard. Van bovenaf heb je een prachtig panoramisch uitzicht over de rijstterrassen. Groene rijstvelden zo ver je maar kan kijken, allemaal geïrrigeerd door een ingenieus systeem van smalle kanalen die tussen de rijstvelden door lopen. Via een pad kan je naar beneden lopen, langs en door de rijstvelden, een mooie wandeling (maar ook erg warm, in de volle zon).

De volgende dag rijden we vanuit Ubud in noordoostelijke richting, naar het Batur-meer. Dit meer vult een grote vulkaankrater die tussen de Gunung Batur (ruim 1.700 meter) en de Gunung Abang (ruim 2.100 meter) ligt. Vroeger was dit één grote vulkaan, maar sinds een grote uitbarsting zijn de twee toppen gescheiden door het kratermeer. Op de Batur kan je de zwarte lavastromen nog duidelijk zien. Nadat we een koffieplantage hebben bezocht, stappen we op mountainbikes om een tocht van 25 kilometer te gaan fietsen. Vanuit het bergachtige gebied van centraal-Bali gaat de route grotendeels omlaag (waardoor je vrijwel de hele tijd aan het afremmen bent, want anders ga je te hard naar beneden), door dorpjes en langs rijstvelden waar Balinezen aan het werk zijn. Het is een erg leuke fietstocht, die je de gelegenheid biedt om het lokale leven op Bali van dichtbij te zien. De rest van de middag hebben we tijd om te relaxen.

Van Ubud naar Senggigi

Op vrijdag zijn we alweer op twee derde van deze reis door Indonesië. We verlaten Ubud en rijden naar Padangbai, waar de veerboot naar Lombok vertrekt. Het is ongeveer anderhalf uur varen, in een niet al te groot bootje dat op de golven op en neer stuitert (niet fijn voor mensen die snel zeeziek zijn). Onderweg zien we links de drie Gili-eilanden (Gili Trawangan, Gili Meno en Gili Air) liggen. Gili Meno is onze laatste bestemming van deze reis. Bij Lombok aangekomen, leggen we aan bij een drijvende steiger en vanaf daar is het nog een half uurtje rijden naar Senggigi. Het islamitische Lombok, het meest westelijke eiland van de regio Nusa Tenggara, is minder toeristisch dan Bali, maar wel een eiland dat in opkomst is. Ook hier vind je mooie stranden, gelegen aan baaien met palmbomen en een azuurblauwe zee, rijstvelden, bossen de op één  na hoogste vulkaan van Indonesië: de Rinjani. Ons hotel voor de komende nachten heeft huisjes die tegen een helling zijn aangebouwd. Het is even klimmen om bij mijn kamer te komen, maar vanaf daar heb ik een prachtig uitzicht over de baai en de Bali-zee. ’s Middags duik ik het zwembad van het hotel in en ga ik op een bedje aan het zwembad een paar uurtjes relaxen.

De volgende ochtend neem ik een stevig ontbijt, want vandaag gaan we een fietstocht van 35 kilometer maken. Ondanks dat het bloedheet is, is deze fietstocht net als die op Bali erg mooi. Af en toe gaat de route licht bergopwaarts, in tegenstelling tot de fietstocht op Bali moeten we ons hier dus wel inspannen. Op mountainbikes rijden we langs rijstvelden, pindaplantages en door kleine dorpjes waar we enthousiast worden toegezwaaid. Veel mensen wonen in erg primitieve huisjes en ieder dorpje waar we doorheen komen heeft minstens één moskee. Overal zijn mensen op het land aan het werk. We bezoeken een lokale markt en aan het eind van de fietstocht bezoeken we de Taman Pura Lingsar, een bijzondere tempel, omdat deze door zowel hindoes, boeddhisten als moslims wordt gebruikt. Het is een prachtige fietstocht, zeer de moeite waard.

Nadat we ’s avonds op het strand van Senggigi van de zonsondergang hebben genoten, rijden we op zondagochtend van Senggigi naar Tetebatu. In dit (héél) kleine dorpje op de flank van de Gunung Rinjani, is niets te zien of te doen. Maar uitgerekend als wij er zijn is er een lokaal festival aan de gang, waar traditionele stokgevechten plaatsvinden. In een weiland aan de rand van het dorpje zijn mensen (vooral mannen) uit de wijde omgeving bij elkaar gekomen om naar de gevechten te kijken. De gevechten zijn man tegen man en worden begeleid door opzwepende muziek. Er vallen rake klappen, maar er zit ook een deel show in. Het publiek reageert enthousiast. Het is erg leuk om dit mee te maken, vooral omdat het een lokale gebeurtenis is, waar slechts een handjevol toeristen bij aanwezig is.

Gili Meno

Omdat ik inmiddels wel genoeg rijstvelden en dorpjes heb gezien, doe ik de volgende ochtend rustig aan. Daarna rijden we van Tetebatu terug naar Senggigi, vanwaar we met een bootje naar Gili Meno varen, in een smal bootje dat op de golven heen en weer schommelt. Op Gili Meno is geen aanlegsteiger, dus terwijl een paar mannen de boot min of meer stilhouden, stappen we uit de boot in het water en zo het strand op. Gili Meno één van de drie eilandjes voor de kust van Lombok. Hier zullen we de laatste twee dagen van deze reis doorbrengen. We slapen in huisjes vlak aan het strand. Na een korte, maar verfrissende duik in het azuurblauwe water, is het tijd voor een Bintang en een hapje eten, aan het strand, met uitzicht op zee, Gili Air en daarachter de bergen van Lombok. Niet verkeerd en weer een erg leuke avond.

De volgende ochtend worden we om acht uur opgehaald voor een snorkeltour. In een halve dag varen we langs de mooiste snorkelplekken rondom de Gili-eilanden. Zodra je overboord springt, zwem je tussen de vissen, van heel klein tot best wel groot en met prachtige kleuren. Je hoeft je hoofd maar onder water te doen en je bent in een andere wereld. Op veel plekken is de bodem bedekt met koraal. Het koraal heeft hier minder kleur dan bij het Great Barrier Reef, maar hier hebben ze weer iets dat ik daar niet heb gezien: zeeschildpadden. We zien er meerdere en één zwemt een heel stuk rustig met ons mee, blijkbaar gewend aan het feit dat er mensen om hem heen snorkelen. Echt prachtig om deze dieren in hun natuurlijke omgeving te zien. Nadat we op vijf verschillende plekken hebben gesnorkeld, gaan we terug naar Gili Meno. De rest van deze laatste twee dagen brengen we door op en aan het strand. Het is prachtig weer en dat is het de hele reis geweest. Meestal zo rond de dertig graden, soms iets warmer, soms iets minder warm. Een beetje lezen, een beetje muziek luisteren, wat eten, genieten van het uitzicht over een azuurblauwe zee, het is een relaxte afsluiting van de reis.

De terugreis…

Op donderdagochtend varen we van Gili Meno terug naar Lombok. Daarna rijden we naar de luchthaven voor onze vlucht naar Jakarta, waar we zullen overstappen op onze vlucht naar Amsterdam. Maar de terugreis verloopt heel anders dan gepland. We zijn nog geen kwartier onderweg vanaf Lombok of het vliegtuig draait om. Er is een probleem met de flappen van de vleugels. Even later staan we dus weer op de luchthaven van Lombok. Eerst wordt de vlucht uitgesteld. Daarna wordt hij geannuleerd. En daarmee hebben we dus een probleem. Eerst krijgen we te horen dat we naar de incheckbalie moeten, om vervolgens te worden doorverwezen naar het kantoortje van Garuda. Daar verzamelen inmiddels meer mensen die hun vlucht moeten laten omboeken. Wat volgt is een goede test voor ons geduld, tolerantie en relativeringsvermogen. Iemand van Garuda zet onze namen op een lijst voor de volgende vlucht en vervolgens moeten we wachten op bevestiging. Dat duurt een hele tijd en vervolgens worden we weer naar de balie gestuurd. Na weer een tijd wachten (terwijl drie mensen van Garuda achter de balie druk zijn met van alles en nog wat, maar wij niks te horen krijgen) blijkt dat we niet op de passagierslijst van de volgende vlucht staan, maar op de stand by-lijst. Geen zekerheid dus dat we met die vlucht meekunnen. Opnieuw gaat er tijd voorbij – wij maar vragen, aandringen, vriendelijk blijven, geduldig afwachten – en ondertussen komen links en rechts Indonesiërs langs die ons negeren, iets tegen de mensen van Garuda zeggen, met een credit card wapperden en daarna met een instapkaart weer vertrekken. Het lijkt er dus verdacht veel op dat Garuda stoelen aan het weggeven is aan Indonesiërs en wij het nakijken hebben. Uiteindelijk (meer dan twee uur later) krijgen we te horen dat er nog vijf stoelen beschikbaar zijn. We worden snel ingecheckt, want de vlucht staat op het punt van vertrekken, en rennen naar de gate.

Het volgende probleem is echter onze aansluiting in Jakarta. Volgens het oorspronkelijke vluchtschema hadden we een overstaptijd van maar liefst zes uur, dus we hadden wel enige speling. Maar door alle perikelen op Lombok zijn die zes uur volledig verdampt. Onze alternatieve vlucht komt in Jakarta aan op het moment dat onze aansluiting vertrekt. De mensen van Garuda geven aan dat ze proberen het vliegtuig te laten wachten totdat wij er zijn, maar ze kunnen niets garanderen. We kunnen dus ook nog in Jakarta stranden… De purser aan boord weet van ons overstapprobleem en halverwege de vlucht komt hij vertellen dat de vlucht naar Amsterdam op ons wacht. Jay! J Op de luchthaven van Jakarta mogen we als eerste het vliegtuig uit (wat tot verbaasde blikken bij de rest van de passagiers leidt) en worden we opgewacht door iemand van Garuda, die ons begeleidt en de instapkaarten voor ons ophaalt. We worden langs de security checks en wachtrijen geleid en keurig bij de gate afgeleverd. Daar zien we dat onze vlucht naar Amsterdam inderdaad op ‘delayed’ is gezet en met een uur vertraging zal vertrekken. Zo chaotisch als het was op de luchthaven van Lombok, toen onze omboeking geregeld moest worden en alles zo lang onduidelijk bleef, zo goed is het allemaal geregeld als we eenmaal onderweg zijn. En zo kan het dat we de volgende ochtend, weliswaar met een uurtje vertraging, maar toch redelijk volgens planning op Schiphol aankomen. Vanaf het vertrek van Gili Meno tot het moment dat ik thuis aankom, ben ik 32 uur onderweg geweest…