19 februari – 6 maart 2016

Luang Prabang

Het is vijf uur in de middag lokale tijd als ik incheck bij mijn guesthouse in het centrum van Luang Prabang, aan de oever van de Mekong-rivier. Ik ben bijna 24 uur onderweg geweest, waarvan de helft in de lucht. De andere helft is opgegaan aan paspoortcontroles, bagagechecks, een overstap in Bangkok, visum halen en wachten. Maar ik ben er! In de Democratische Volksrepubliek Laos, kortweg Laos.

Om te beginnen een paar weetjes: Laos ligt ingeklemd tussen Thailand in het westen en Vietnam in het oosten en telt zeven miljoen inwoners. Tot 1976 was het land een monarchie, sindsdien is het een communistische eenpartijstaat. Tot begin jaren negentig was Laos een gesloten land. Het land leunde sterk op steun vanuit de Sovjet-Unie, maar na de val van het communistische regime daar (in 1991) opende Laos zijn grenzen voor buitenlandse investeringen en bezoekers.

Wat cultuur betreft is het een zeer boeddhistisch land (veruit de meeste inwoners zijn boeddhist), maar er zijn ook naar believen gebruiken geleend uit het hindoeïsme en animisme. Laos is een land van minderheden. Behalve Lao vind je er ook etnische Chinezen, Thai en Vietnamezen en tal van etnische minderheden, die hun eigen culturen en tradities hebben. Nog een schokkend weetje: Tussen 1964 en 1973, ten tijde van wat wij de Vietnamoorlog noemen, wierpen de Verenigde Staten meer dan twee miljoen ton aan bommen op het land. Laos is daarmee het per hoofd van de bevolking meest gebombardeerde land ter wereld.

De volgende ochtend loop ik om acht uur de deur van het guesthouse uit. Het wordt hier vroeg licht en het leven op straat komt al vanaf een uur of zeven op gang. Veel mensen gaan dan naar de dagelijkse ochtendmarkten om boodschappen te doen. Er is er ook één in de straat achter mijn guesthouse en daar is het gezellig druk. Groenten, fruit, vlees, vis, kruiden, snacks, maar ook huishoudelijke artikelen, je kan er van alles kopen. Sommige verkoopsters (90% is vrouw) zitten op een zeil of kleed op de grond, anderen hebben met kratten een provisorisch stalletje gemaakt. Ik zie hele vissen (waaronder behoorlijk grote), vers gevangen in de Mekong, varkenspoten, kikkers in een netje, heel kleine vogeltjes in even kleine bamboekooitjes, koffie, iets waar ‘buffelhuid’ op staat, zeewiervellen en rijst natuurlijk, veel rijst. Vanaf de markt loop ik een stukje langs de Mekong en ga op een terrasje zitten om te ontbijten. Dankzij de jarenlange aanwezigheid van de Fransen kan je hier baguettes krijgen en op het Bolaven-plateau in zuid-Laos wordt uitstekende koffie geproduceerd. De dag is goed begonnen!

Luang Prabang staat sinds 1995 op de Werelderfgoedlijst van Unesco. De eerste Lao vestigden zich in de tiende eeuw in wat toen nog Xieng Dong Xieng Thong heette. In de veertiende eeuw werd de  stad onder de voet gelopen door de uit Cambodja afkomstige Khmer en een eeuw later door de Vietnamezen. De naam werd veranderd in Luang Prabang en onder de Vietnamese invloed kwam de stad tot bloei. Vanaf het begin van de achttiende eeuw was Luang Prabang lange tijd een zelfstandig koninkrijkje binnen het grotere rijk van Siam (nu Thailand), om vervolgens eind negentiende eeuw onder invloed van Frankrijk te komen als onderdeel van Frans Indochina. Hoewel Luang Prabang als ‘stad’ te boek staat, doet het in geen enkel opzicht aan een echte stad denken. Het is eerder een dorp en in de verste verten geen Bangkok of Ho Chi Minh City. Er heerst een uitermate ontspannen sfeer op straat.

Het stadje is bezaaid met boeddhistische tempels en kloosters en de Wat Xieng Tong is zonder twijfel de mooiste. De ‘gouden stad-tempel’ is in 1560 gebouwd en heeft alle invasies van Chinezen en Vietnamezen en de bombardementen door de Amerikanen overleefd. Het is een prachtig gebouw, met een laag overhangend dak en zowel van binnen als van buiten zijn de muren versierd met bladgoud en mozaïeken. Rondom het tempelgebouw (de ‘sim’) staan diverse stoepa’s en heiligdommen met boeddhabeelden, allemaal prachtig gedecoreerd. In dezelfde stijl gebouwd, maar daterend uit 1962, is het gebouw waarin een enorm grote gouden draagbaar staat, waarop het lichaam van koning Sisavang Vong tijdens zijn uitvaart is gedragen.

De zon staat hoog aan de hemel en de temperatuur is inmiddels opgelopen tot boven de dertig graden. Vanaf de Wat Xieng Tong loop ik naar de punt van het schiereiland waarop het oude centrum van Luang Prabang ligt, naar de bamboebrug die de Nam Khan-rivier overspant, en terug via de Sisavang Vong-straat. Aan deze straat liggen diverse tempelcomplexen. Ik hoef ze niet allemaal te zien en beperk me tot de mooisten. Zoals de Wat Sene. Ook hier vind je een fraaie, rijkelijk van goud voorzien tempelgebouw. En twee lange, smalle sloepen, die worden gebruikt bij de jaarlijkse wedstrijden. Iets verder staat de Wat Mai. De tempel zou eind 18e eeuw gebouwd zijn, maar de fraaie decoratie op de voorgevel is in de jaren zestig van de vorige eeuw aangebracht.

Nadat ik een terras heb opgezocht om te lunchen, ga ik naar het voormalige Koninklijk Paleis, waarin nu het nationaal museum is gehuisvest. Het paleis is een – vergeleken met de tempels – bescheiden vormgegeven gebouw aan het eind van een oprijlaan met palmbomen. Het is het voormalige paleis van koning Sisavang Vong, wiens slaapkamer je kan bekijken – en die van zijn vrouw, blijkbaar sliep het koninklijke echtpaar niet samen. Verder zijn er ontvangstzalen, tronen en allerlei koninklijke spulletjes te zien. Niet heel indrukwekkend, wat daarentegen wel geldt voor de Haw Pha Bang, het bijzonder mooie gebouw dat ook op het terrein van het koninklijk paleis staat en dat de bewaarplaats is van de Pha Bang, het heiligste boeddhabeeld van Laos. Het beeld is sinds 1867 in Luang Prabang  en de naam van de stad is een afgeleide van de naam van het beeld. Het gebouw is vrij nieuw (gebouwd in de jaren negentig van de vorige eeuw), maar in klassieke Lao-stijl. Een groot gebouw, zeker voor een klein beeldje: de Pha Bang is maar tachtig centimeter hoog. De Lao geloven dat dit beeldje hen beschermt en andersom schijnt het ook te werken: In het verleden is Laos twee keer door de Siamezen veroverd geweest, twee keer namen zij de Pha Bang mee, en beide keren gaven ze het na enige tijd weer terug omdat ze met tegenspoed werden geconfronteerd.

Tegenover het koninklijk paleis bevindt zich de toegang tot de Phousi-heuvel, een door de Lao als heilig beschouwde heuvel midden in de oude stad. Bovenop (de klim naar de top is niet al te zwaar), staat de gouden That Chomsi-stoepa. Maar de wandeling naar boven is vooral de moeite waard vanwege het prachtige uitzicht over de stad. Vanaf hier zie je mooi hoe Luang Prabang is gebouwd op de plek waar de Mekong en de Nam Khan samenkomen en wordt omringd door groen begroeide bergen. Ik neem hier even de tijd om van het uitzicht te genieten.

Terug beneden boek ik bij één van de vele tour operators in de Sisavang Vong-straat een boottrip voor morgen en koop ik alvast een buskaartje voor de dag daarna. Vervolgens loop ik naar de laatste tempel van vandaag, de Wat Pa Phai. Ook deze tempel heeft een fraaie gouden ‘sim’ en binnen vind je een hele horde boeddhabeelden. Het is vier uur ’s middags en blijkbaar is dat de tijd waarop een groep jonge monniken een drumceremonie ten gehore brengt. Na de Wat Pa Phai heb ik wel genoeg tempels gezien voor vandaag. Ik loop terug naar de Mekong, waar diverse restaurantjes zitten met terrassen met uitzicht over de rivier. Hoe kan je de dag beter afsluiten dan met een Beerlao (het lokale bier), heerlijk eten, een prachtige zonsondergang en het rustgevende gekabbel van de Mekong?

Omdat je in Laos vrijwel overal contant moet betalen (in de lokale valuta: de kip), ga ik de volgende ochtend op zoek naar een ATM. Dat is geen probleem, want er zijn er talloze; het probleem is er één te vinden die het doet. De meeste zijn ‘out of order’, zijn leeg of accepteren geen westerse bankpassen. Uiteindelijk vind ik er één die werkt. Als ik klaar ben, springt ook deze op ‘out of order’… Onderweg kom ik een rijtje monniken tegen die bezig zijn met Tak Bat, oftewel het inzamelen van aalmoezen. Iedere ochtend na zonsopkomst gaan monniken de straat op om rijst te verzamelen die ze krijgen aangeboden door inwoners die geknield langs de kant van de weg zitten. De rijst is bestemd voor de armen. Het geven van aalmoezen is onderdeel van wat ze hier Het Bun noemen, zeg maar het verzamelen van Boeddhistische bonuspunten door het doen van goede dingen. De meeste mannen in Laos brengen enige tijd als monnik in een boeddhistisch klooster door. Vaak maar een paar maanden, maar dit wordt wel gezien als essentieel onderdeel van het volwassen worden (een beetje zoals vroeger de militaire dienst in Nederland werd gezien dus).

Overal langs de oevers van de Mekong liggen zogeheten ‘slow boats’ waarmee je dagtripjes kan maken. Ik heb gisteren een tochtje van een halve dag geboekt naar de Pak Ou-grotten, zo’n dertig kilometer ten noorden van Luang Prabang. Terwijl het water van de Mekong langs de boot glijdt, geniet ik van het uitzicht. Vrijwel de hele omgeving is bebost, hier en daar staan wat huizen. Op het water alleen een paar ‘slow boats’ en af en toe een vissersbootje. Ook langs de oevers wordt hier en daar gevist. Wat een andere wereld. Alleen het ronkende geluid van de dieselmotor van de boot verstoort de rust. Onderweg naar de grotten meren we even aan bij een klein dorpje, dat een ware toeristenval is. Bewoners trachten bezoekers zijde en lokaal gebrouwen Láo láo aan te smeren. De Pak Ou-grotten worden al meer dan een eeuw gebruikt om oude en kapotte boeddhabeelden die niet meer worden gebruikt naartoe te brengen. Lokale bewoners maken één keer per jaar een bedevaart naar de twee grotten om de afgedankte boeddha’s hun eer te bewijzen. In de twee grotten vind je talloze beelden, van groot tot (héél) klein. Het bezoek aan de grot is aardig, maar zal niet het hoogtepunt van mijn reis worden. Vooral de boottocht is heerlijk relaxt.

Terug in Luang Prabang ga ik bij een restaurantje aan de rivier zitten om te lunchen en daarna wandel ik via de Wat Pha Phoutthabat (met aparte, naar binnen hellende muren en een deur met een afbeelding van mensen die Nederlandse handelaren moeten voorstellen), langs de Nam Khan-rivier om de Phousi-heuvel heen. Het is inmiddels 34 graden, dus het is een warme wandeling. De rest van de middag en avond is het tijd om te relaxen met een boek, een Beerlao en lekker eten.

Nong Khiaw

Het is dinsdagochtend als ik door een tuk-tuk van mijn guesthouse naar het busstation wordt gebracht. Vanaf hier vertrekken minibusjes naar het afgelegen noorden van Laos. Mijn bestemming is Nong Khiaw. Mijn bagage wordt, samen met die van de andere tien reizigers die in het busje worden gepropt, op het dak vastgebonden en daarna volgt een rit van vier uur, tijdens welke je niet veel meer kan doen dan muziek luisteren en naar buiten kijken. Om kwart voor twee komen we aan bij het busstation(netje) van Nong Khiaw. Vanaf hier is het nog ongeveer een kilometer lopen naar mijn guesthouse. Daar wordt ik vriendelijke welkom geheten. Ik heb een kamer op de eerste verdieping met weids uitzicht over de Nam Ou-rivier en de bergen aan  de andere kant. Perfect!

Nong Khiaw ligt midden tussen de kalkstenen bergen van noord-Laos, aan de Nam Ou-rivier, die vlakbij de grens met China begint en vlak boven Luang Prabang in de Mekong uitkomt. Dit deel van Laos is nog grotendeels onontwikkeld en dus een perfecte plek om de rust op te zoeken. Dit gaat overigens mogelijk veranderen, want China is bezig met een groot plan om een reeks stuwdammen in de Nam Ou te bouwen. De eerste is er al en heeft ervoor gezorgd dat je niet meer rechtstreeks met de boot van Luang Prabang naar Nong Khiaw kan varen. Ik heb vandaag niet veel meer gedaan dan in een minibusje zitten, maar niettemin ben ik bekaf. Nadat ik door het dorpje ben gelopen (Nong Khiaw is maar heel klein) en voor de volgende dag een dagtrip heb geboekt, doe ik dan ook niet veel meer dan relaxen, eten en op tijd gaan slapen.

’s Nachts regent het hard en als ik de volgende ochtend opsta is het bewolkt en fris buiten. Ik ontbijt met koffie en een broodje en daarna ben ik klaar voor de dagtrip naar Muang Ngoi. We zijn met vier reizigers plus een gids. We beginnen met een boottocht over de Nam Ou-rivier naar het noorden. Na ongeveer een uur varen komen we bij Muang Ngoi. Dit dorpje is nog kleiner dan Nong Khiaw en ligt midden tussen de bergen, volledig verlaten en alleen via de rivier bereikbaar. Het dorpje bestaat uit een onverharde straat met houten huisjes, en tegenwoordig ook wat restaurantjes en guesthouses voor bezoekers. De mensen hier leven vooral van landbouw (met name rijst) en veeteelt (wat koeien, varkens en kippen). Nadat we even hebben geschuild voor een korte bui, beklimmen we een nabijgelegen heuvel. Halverwege is de Tham Kang-grot, waar mensen tijdens de oorlog schuilden voor bombardementen. Tal van kleine boeddhabeeldjes in de grot herinneren daar nog aan. Afgezien van de grot is vooral de klim naar boven gedenkwaardig. Die is namelijk ontzettend steil! Je loopt, of beter gezegd: klautert, via een modderig pad naar boven, deels (maar dus niet overal) voorzien van keien die een soort treden vormen en deels (maar dus niet overal) voorzien van bamboe-stokken die als reling aan de bomen zijn vastgemaakt. Je kan je voeten soms amper ergens neerzetten en je glijdt makkelijk weg in de modder (die bamboerelingen zitten er niet voor niets). Een Nederlands meisje in de groep glijdt halverwege uit en alleen een boom zorgt ervoor dat ze niet verder valt. Ik val zelf als ik me aan een bamboereling vasthoud en deze spontaan afbreekt. Gelukkig is het niet warm, want van de klim krijg je het vanzelf warm. Bovenop de heuvel, na een half uur klimmen, wordt je wel beloond met een prachtig uitzicht over Muang Ngoi, de rivier en de bergen.

De afdaling is wat uitglijden betreft net zo verraderlijk. Weer beneden varen we een stukje de rivier af en vervolgens wandelen we in ongeveer een half uur naar de Ban Sopkong-waterval. De wandeling gaat langs lege velden (in het regenseizoen wordt hier rijst verbouwd) en vervolgens door het bos naar de waterval. Ook hier alleen een modderpad en gladde keien (gelukkig niet zo steil) en nadat we een paar keer een beekje zijn overgestoken, komen we bij de waterval. Het is een mooi plekje, midden in de jungle. Hierna gaan we weer met de boot terug naar Nong Khiaw, waar we eind van de middag aankomen. Tijd om te douchen en de modder van m’n schoenen te spoelen.

De volgende ochtend heb ik flink spierpijn van de klim van gisteren. Maar ik hoef me deze dag niet echt in te spannen. Nadat ik in het guesthouse heb ontbeten, word ik opgehaald en naar het busstation gebracht, waar een minibusje al klaar staat voor vertrek. Rond het middaguur ben ik terug in Luang Prabang. Ik maak er een relaxte middag van: lunchen aan de rivier, een beetje door het stadje wandelen, aan het eind van de middag even over de avondmarkt (waar het heerlijke ruikt naar curries en gebarbecued vlees), een beetje lezen en nog één keer eten met uitzicht op de Mekong.

Vientiane

Het is vrijdag en ik ben dus een week onderweg. Vandaag is een reisdag: ik verlaat Luang Prabang en vlieg naar Vientiane, de hoofdstad van Laos. Wel met enige vertraging, want de vlucht van één uur ’s middags vertrekt pas om half drie. Gelukkig is het maar een half uur vliegen en voor ik het weet zit ik in een taxi naar het centrum. Om vier uur meld ik me bij mijn guesthouse, in het hartje van Vientiane.

In 1560 verplaatste koning Setthathilat de hoofdstad van Laos van Luang Prabang naar Vientiane. De stad heet eigenlijk Wiangjan, maar iedereen kent het in de Franse vertaling. Net als Luang Prabang is ook Vientiane door Khmer en Vietnamezen bezet geweest en de stad was lange tijd verlaten, totdat de Fransen er in de negentiende eeuw arriveerden. Het oude deel van het huidige Vientiane is in die periode gebouwd. Het centrum van Vientiane is compact, maar het voelt toch meer aan als een stad dan het dorpse Luang Prabang. Net wat meer hoge gebouwen en net wat drukker verkeer. En een stuk warmer dan de afgelopen twee dagen.

Eind van de middag wandel ik naar het Chao Anouvang Park, een soort mix van park en plein, tussen twee doorgaande wegen in, op een stuk grond dat ongeveer tien jaar geleden is drooggelegd. Daarvoor stroomde hier de Mekong. Aan de andere kant van de rivier ligt Thailand. Aan de zuidkant van het park staat een groot beeld van een strijdlustige koning Anouvang, die tegen de Siamese overheersing vocht (hij kijkt niet voor niets uit over de rivier richting Thailand).

De volgende ochtend ben ik al vroeg wakker. Ik loop naar het Nam Phou-plein om te ontbijten met koffie en een broodje en daarna zoek ik een tuk-tuk-chauffeur op om me naar de That Luang te brengen. Dat is niet moeilijk, want op iedere straathoek vind je tuk-tuks. Na enig onderhandelen (nooit meteen de hoofdprijs betalen) stap ik in en rijden we naar misschien wel de bekendste bezienswaardigheid van Laos. De That Luang is een grote stoepa van bladgoud en het nationale symbool van Laos. De originele versie werd in de zestiende eeuw gebouwd, de huidige stoepa is een reconstructie die begin jaren dertig van de vorige eeuw is gebouwd, op basis van oude tekeningen van hoe de oorspronkelijke versie eruit gezien moet hebben. Reconstructie of niet, het is een indrukwekkend bouwwerk. De middelste spits is 45 meter hoog en daaromheen staan dertig kleinere spitsen. Het bladgoud schitter in de zon en de stoepa steekt mooi af tegen de blauwe lucht.

Ik laat me door de tuk-tuk afzetten bij Patouxai, aan het begin (of eind) van de Lane Xang Avenue. Deze brede boulevard is aangelegd met de Champs Elysées in het achterhoofd en Patouxai is een grote triomfboog die aan zijn Parijse evenknie doet denken. Maar dan versierd met afbeeldingen van hindoegoden. Vanaf Patouxai wandel ik de Lane Xang Avenue af, tot ik bij de Wat Sisaket kom. Dit is de oudste tempel van Vientiane, gebouwd in 1818, en de enige die de verwoesting van de stad door de Siamezen in 1828 heeft overleefd. De centrale ‘sim’ heeft oude (en versleten) muurschilderingen (die nu worden gerestaureerd) en tal van kleine nissen in de muren met daarin kleine boeddhabeeldjes. Ook in de galerij met boeddhabeelden die het tempelgebouw omringt vind je deze nisjes terug, het zijn er ontelbaar veel. Een erg mooi tempelcomplex.

Aan het eind van de Setthathilat-straat staat een tempel die veel door lokale bewoners wordt bezocht: de Wat Simuang. Deze tempel ziet er totaal anders uit: alles is in felle kleuren geschilderd en je vindt er zowel boeddhabeelden als hindoegoden. Nadat ik op een terrasje in de schaduw heb geluncht, bezoek ik het Lao National Museum. Het is een wat verouderd museum, waar de nadruk ligt op de geschiedenis van Laos in de twintigste eeuw. Verwacht hier geen objectief beeld van de geschiedenis, het is één en al “Franse kolonialisten”en “Amerikaanse imperialisten”, de grote roergangers Lenin en Mao komen aan de orde en natuurlijk de heldhaftige “kameraden” van het Lao-leger. Toch is het museum wel een bezoekje waard.

Na het museum loop ik langs de Haw Pha Kaew. Dit museum is oorspronkelijk gebouwd als persoonlijke tempel voor de koning, maar is nu gesloten voor renovatie en dus alleen van de buitenkant te bekijken. In het gebouw werd de Pha Kaew bewaard, de boeddha van smaragd. Dit beeldje wordt door de Lao als net zo heilig beschouwd als de Pha Bang in Luang Prabang, maar de Pha Kaew is in de achttiende eeuw door de Siamezen meegenomen en bevindt zich nog altijd in Bangkok.

Het is een drukte van belang in de straten om mijn guesthouse heen. Deze zijn afgesloten voor het verkeer en er staan allerlei kraampjes. Ook vinden er op vijf plekken kleinschalige muziek- en dansoptredens plaats. Daarvoor is een tijdschema gemaakt, maar Lao houden zich nooit aan tijdschema’s, dus je moet een beetje geluk hebben om op het goede moment op de goede plek te zijn. Ik zie in ieder geval een dansoptreden van in goudkleurige jurken geklede danseressen en nadat ik heb gegeten kom ik een soort optocht tegen van dansende en joelende mensen die twee metershoge ‘meedansende’ poppen meetillen. Het lijkt wel carnaval.

Zondag is mijn laatste dag in Laos. Ik doe voor de verandering eens een dag niks, beetje koffie drinken, beetje lezen, langs de Mekong wandelen en in de zon relaxen in het Chao Anuvong Park en natuurlijk uit eten. Over eten gesproken: Het eten in Laos is vaak erg spicy. De tranen springen regelmatig in m’n ogen. De Koreaanse keuken staat nog steeds op één wat spicy betreft, maar de Lao kunnen er ook wat van.

Siem Reap en de tempels van Angkor

Maandag is weer een reisdag. Met een overstap ik Pakse vlieg ik in ongeveer twee uur naar Siem Reap in Cambodja. Bij aankomst haal ik een visum, ik ben vervolgens snel door de paspoortcontrole en gelukkig is m’n bagage ook meegekomen. Ik vind het grappig om te zien dat de tuk-tuks hier weer anders zijn dan in Laos (in ieder Aziatisch land zijn ze weer anders). In Laos vormen de motorfiets en het zitgedeelte één geheel en zit je op twee banken aan de zijkant. In Cambodja hangt het zitgedeelte als een soort aanhanger achter de motorfiets en kijk je vooruit. Het zijn net een soort gemotoriseerde koetsjes.

Bij m’n guesthouse in het centrum van Siem Reap word ik vriendelijke ontvangen en ik regel meteen dat de jongen die me van de luchthaven is komen halen mij morgen ook rondrijdt als ik de tempels van Angkor ga bezoeken. Ook regel ik alvast een buskaartje voor donderdag en zoek ik een ATM om dollars op te nemen. Cambodja heeft wel een eigen valuta, de riel, maar je kan overal ook in Amerikaanse dollars betalen. Dat leidt er wel toe dat je soms met twee valuta door elkaar betaalt of in dollars betaalt en je wisselgeld in riel krijgt.

Cambodja heeft vijftien miljoen inwoners (waarvan 90% etnische Khmer) en heeft net als Laos een boeddhistische cultuur. Het is een grotendeels agrarisch land en na Nepal en Bangladesh het armste land van zuidoost-Azië. Vanaf het eind van de achtste eeuw was het gebied rondom wat nu Siem Reap is het Rijk van Angkor. Tot 1432, wanneer de Khmer door de Siamezen worden verslagen en de laatste koning van Angkor naar Phnom Penh vlucht. Ook in de eeuwen daarna wordt Cambodja voortdurend bedreigd en veroverd, eerst dus door de Siamezen, daarna door de Vietnamezen. In 1863 wordt Cambodja een protectoraat van Frankrijk en gaat het net als Laos deel uitmaken van Frans Indochina. In 1949 wordt Cambodja deels onafhankelijk, maar dit gaat koning Sihanouk niet ver genoeg. Hij pleegt een staatsgreep en omdat de Fransen in Vietnam aan de verliezende hand zijn, verlenen ze Cambodja in 1953 volledige onafhankelijkheid.

Terwijl de Amerikanen in de oorlog met Vietnam ook de grensgebieden van Cambodja bombarderen (waar leden van de Vietcong zich ophouden), vormt zich in het noorden van het land de Communistische Partij van Kampuchea, beter bekend als de ‘Rode Khmer’. Ondanks de Amerikaanse bombardementen veroveren zij grote delen van Cambodja en in april 1975 nemen zij Phnom Penh in. Onder leiding van ‘Broeder nummer 1’ Saloth Sar (beter bekend als Pol Pot) voert de Rode Khmer een waar schrikbewind. De Rode Khmer wil een pure communistische, agrarische samenleving vormen. Hiertoe wordt privébezit opgeheven en de bevolking verplicht tewerkgesteld. Families worden opgebroken, hoger opgeleiden worden opgepakt en geëxecuteerd en vele mensen komen om van honger en armoede. In ruim drie jaar tijd is het regime van de Rode Khmer verantwoordelijk voor de dood van tussen de twee en drie miljoen mensen.

In december 1978 valt Vietnam Cambodja binnen en maakt in enkele dagen een eind aan het bewind van de Rode Khmer. Pol Pot vlucht naar Thailand, van waaruit de Rode Khmer nog jarenlang guerrilla-acties in Cambodja blijft uitvoeren. Pas in de jaren negentig verandert de situatie langzaam: de Verenigde Naties gaan een rol spelen en er worden verkiezingen gehouden. Pas wanneer er binnen de Rode Khmer onenigheid ontstaat en Pol Pot door zijn eigen mensen wordt veroordeeld (en onder onduidelijke omstandigheden om het leven komt), komt er een einde aan de Rode Khmer en kan de wederopbouw van Cambodja echt beginnen. Tegenwoordig is Cambodja een constitutionele monarchie, maar de verschrikkingen van het regime van de Rode Khmer zijn nog lang niet vergeten en sommige voormalige kaderleden van de Rode Khmer bekleden ook nu nog belangrijke posities.

Siem Reap is vergeven van de toeristen. Eigenlijk draait de hele stad alleen maar om de toeristenindustrie. Siem Reap is dé uitvalsbasis voor Angkor, dus heel vreemd is dat niet, maar een stadscentrum met alleen maar guesthouses, restaurants en cafés (al dan niet westers – er is zelfs een ‘Pub Street’) is allesbehalve authentiek Cambodjaans. Als je goed kijkt, zie je de Frans-koloniale bouwstijl en op straat staan overal stalletjes waar je fruit shakes kan kopen, er zijn tuk-tuks en een markt en de geuren van de Khmer-keuken, maar dat alles wordt overspoeld door horden toeristen. Geen ontkomen aan, maar niet echt mijn ding. Eén voordeel: genoeg gelegenheden voor een drankje en lekker eten.

De volgende ochtend laat ik mij naar de wereldberoemde tempels van Angkor rijden. De ongeveer 24 tempels liggen verspreid over een gebied van 400 vierkante kilometer en zijn één van de bekendste bezienswaardigheden ter wereld. Dit was vanaf de achtste eeuw 600 jaar lang het hart van het Khmer-rijk, dat op zijn hoogtepunt ook delen van het huidige Vietnam, Myanmar en Laos omvatte. Elk tempelcomplex – iedere Khmer-koning bouwde zijn eigen nieuwe tempel – was ooit het centrum van een dorp of kleine stad, maar die zijn al lang verdwenen.

Als eerste bezoek ik de Angkor Thom, waarvan de Bayon de grootste en indrukwekkendste is van alle Angkor-tempels. Je benadert de Angkor Thom via een lange brug, met beelden aan weerszijden en een grote poort aan het eind. Binnen de Angkor Thom bevinden zich meerdere complexen. De Bayon is eind twaalfde, begin dertiende eeuw gebouwd in opdracht van koning Jayavarman VII en heeft 37 torens met grote uit steen gehakte gezichten die alle vier de windrichtingen opkijken. Het boeddhistische heiligdom wordt omgeven door drie stenen muren, die alle drie zijn voorzien van reliëfs met militairen, schepen, muzikanten, dieren en het dagelijks leven. De tweede en eerste omheining lopen in elkaar over en vormen samen een doolhof van smalle doorgangen en torens. De grote hoeveelheid bezoekers haalt wel wat van de magie af, maar de enorme omvang van het complex, de eindeloze reliëfs en de torens zijn erg indrukwekkend.

Vanaf de Bayon loop ik naar de Baphuon, die in de elfde eeuw is gebouwd in opdracht van koning Udayadityavarman II. Ook dit complex benader je over een lange brug. Dit heiligdom bestaat uit een steil oplopende centrale piramide met vijf niveaus. Mooi, maar na de Bayon wel wat minder indrukwekkend. Vervolgens loop ik langs het ‘Terras van de Olifanten’. Hier stond ooit een grote hal, nu is alleen het fundament er nog. De zijkant daarvan is een 300 meter lange muur met grote reliëfs van olifanten.

De Ta Prohm is eind twaalfde eeuw gebouwd en was oorspronkelijk een boeddhistisch klooster. Sommige van de oorspronkelijk 39 torens staan nog overeind, maar verder is de Ta Prohm meer een ruïne. Juist dat maakt hem aantrekkelijk, want de ruïne is overwoekerd door de jungle, die zijn plek op de door mensen gebouwde tempel heeft terugveroverd. De bomen en hun wortels groeien letterlijk over en om de muren en gebouwen heen. Een heel apart gezicht.

Na vijf uur lang tempels bekijken (in de warmte) vind ik het wel even genoeg, tijd om te lunchen en even te relaxen. Na de lunch bezoek ik de bekendste van de Angkor-tempels: de Angkor Wat (dat letterlijk Angkor-tempel betekent…). De bouw van de aan de hindoegod Vishnu geweide tempel duurde dertig jaar en was in 1150 klaar. Van alle Angkor-tempels is de Angkor Wat de enige die westwaarts is gericht en waarvan de reliëfs op de muren tegen de klok ingaan. Vandaar dat deze tempel met de dood wordt geassocieerd (de andere tempels zijn op het oosten gericht, waar de zon opkomt, het symbool voor het leven). Ook de Angkor Wat benader je over een lange brug, die de maar liefst 200 meter brede gracht overspant. Nadat je door een poort bent gekomen, volgt een tweede brug (deze keer 350 meter lang), met aan het eind de buitenste van drie muren die om het heiligdom heen zijn gebouwd. Ze zijn rondom voorzien van twee meter hoge reliëfs, waarop je legers ziet vechten, hindoelegendes ziet afgebeeld en beelden van hemel en hel. Tussen de tweede en derde muur bevindt zich een kruisvormige ruimte met vier (nu droge) baden. De binnenste muur is wederom voorzien van reliëfs (deze keer met mythische dansers) en tot slot kom je bij het centrale heiligdom met de vijf kenmerkende torens (die ook de Cambodjaanse vlag sieren). De Bayon was vooral indrukwekkend door zijn omvang, maar de Angkor Wat is ook erg mooi, vooral vanwege de eindeloze reliëfs, de symmetrie van het complex en de vijf bekende torens.

Na de Angkor Wat heb ik genoeg tempels gezien. Ik hoef ze ook echt niet allemaal te zien. Het is bovendien bloedheet en ik ben moe, dus tijd om terug te gaan naar Siem Reap. Het is een prachtige, indrukwekkende dag geweest.

Voor de volgende dag heb ik een tripje van een halve dag geboekt naar het Tongle Sap-meer, waar we het dorp Kompong Pluk bezoeken. In het regenseizoen ligt dit meer dertig kilometer ten zuidoosten van Siem Reap, in het droge seizoen is het vijf kilometer verder rijden, zoveel krimpt het meer in het droge seizoen. In het natte seizoen is het meer twaalf meter diep, in het droge seizoen slechts één meter. Daar hebben de mensen die rondom het meer wonen twee dingen op gevonden. Ten eerste huizen op palen. Tien meter hoge palen om precies te zijn. In het droge seizoen is dat een heel apart gezicht: houten huizen die tien meter boven de grond staan, op stukken drooggevallen grond aan de rand van Tongle Sap. In het regenseizoen ziet het er hier heel anders uit: het water komt dan tot net onder de vloer van de huizen. De tweede oplossing zijn drijvende huizen. Deze van hout of riet gemaakte huizen vind je wat verderop in het meer. Van de vijftien miljoen Cambodjanen wonen er ongeveer anderhalf miljoen rondom Tongle Sap. Ze leven voornamelijk van de visvangst. Aan de bossen takken die in het meer drijven zitten visnetten. Een bijzondere plek om te bezoeken, zeker die bizarre huizen op palen.

De rest van de middag doe ik rustig aan. Ik wandel wat door Siem Reap, haal een grote, koude, verse mango shake, ga een tijdje bij de rivier zitten en geniet ’s avonds weer van de Khmer-keuken.

Phnom Penh

Donderdag is weer een reisdag. In zeven uur reis ik per bus (een luxe, er is zelfs wifi aan boord) van Siem Reap naar de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh. Nadat de Siamezen het Rijk van Angkor hadden verslagen, vluchtte koning Ponhea Yat naar Phnom Penh en maakte deze stad tot nieuwe hoofdstad. Een eeuw later was de koning alweer vertrokken en was Phnom Penh lange tijd niet veel meer dan een handelsstadje. De Vietnamezen maken van Phnom Penh in 1812 weer de hoofdstad. De stad komt tot bloei en groeit vooral onder de Franse invloed, totdat de Rode Khmer de stad in 1975 innemen. Zij verplichten de bevolking de stad te verlaten en in de daarop volgende drieënhalf jaar is Phnom Penh een spookstad. Nadat de Vietnamezen de stad in 1979 hebben veroverd, komt Phnom Penh weer tot leven en vandaag de dag is Phnom Penh een levendige stad, waar volop wordt gebouwd en geïnvesteerd. Je merkt er weinig van, maar de massa-deportatie waarbij de bevolking alles kwijtraakte, is nog maar veertig jaar geleden.

Na de reisdag is het op vrijdag weer tijd voor een actieve dag. Na het ontbijt begeef ik mij naar het Koninklijk Paleis. Op een groot ommuurd terrein in het centrum van de stad vind je niet alleen het huidige paleis van de koning, maar ook diverse historische gebouwen die er – ik kan niet anders zeggen – erg mooi uitzien. De indrukwekkendste is de Troonhal, die in 1919 door koning Bat Sisowath in gebruik is genomen en gebruikt wordt voor kroningen en officiële ceremonies. Het imposante gebouw heeft een dak met zeven lagen in de kleuren oranje, saffier en groen, die staan voor welvaart, natuur en vrijheid. In het midden bevindt zich een toren met vier gezichten en rondom bevindt zich een zuilengalerij, met bovenaan de zuilen garuda’s die het dak dragen. Binnen bevinden zich beschilderde muren en plafonds (maar daar mag je niet fotograferen) en aan het eind van een lange hal staan twee gouden tronen.

Rechts van de Troonhal staat het Maanlichtpaviljoen, dat wordt gebruikt voor muziek- en dansoptredens en voor koninklijke banketten. Via een doorgang aan de zuidkant van het terrein kom je bij de Zilveren Pagode. Deze is in 1962 gebouwd in opdracht van koning Sihanouk, ter vervanging van de oude houten pagode die hier eerst stond. De Zilveren Pagode is niet van zilver. Het is een tempelgebouw met binnen een boeddha van smaragd op een hoge gouden troon (ook hier niet fotograferen) met daar omheen tal van andere boeddhabeelden. Het wordt Zilveren Pagode genoemd vanwege de ruim 5.000 zilveren vloertegels. In de binnentuin bevinden zich diverse monumenten.

Na het Koninklijk Paleis loop ik langs de rivier (Phnom Penh ligt op het punt waar de Mekong en de Tongle Sap-rivier samenkomen) naar de Wat Ounalom. Dit is één van de oudste pagodes in Phnom Penh. Er is hier al een boeddhistisch klooster sinds de vijftiende eeuw, het huidige exemplaar, dat onderdak biedt aan een grote bronzen boeddha, is in 1952 gebouwd. Ik loop verder langs de Sisowatkade, de boulevard langs de rivier, en stel vast dat Phnom Pen een veel prettigere stad is dan Siem Reap. Het is wel erg warm, ruim boven de dertig graden. Na een eindje wandelen kom ik bij de Wat Phnom. Dit boeddhistische heiligdom wordt nog veel door inwoners van de stad bezocht. Bovenop een heuvel staat een opvallende witte chedi met daarachter een klein tempelgebouw. Vervolgens wandel ik een stukje terug naar de Psar Thmei, oftewel de centrale markt. Dit markante gebouw is in 1937 gebouwd en heeft de vorm van een kruis met in het midden een grote koepel. Er is van alles te koop, van groenten, vlees en vis tot sieraden en souvenirs.

Ik lunch op een terrasje aan de Sisowatkade en neem daarna een tuk-tuk naar het Toul Sleng Genocide Museum. Deze voormalige middelbare school was van 1975 tot en met 1979 de beruchte gevangenis S-21, waar in totaal tussen de 13.000 en 20.000 mensen gevangen hebben gezeten – op enkele uitzonderingen na allemaal voorafgaand aan hun executie. Vooral hoger opgeleiden zaten hier gevangen, artsen, leraren, ambtenaren. De gevangenis bood ruimte aan 1.500 gevangenen, die vastzaten in cellen van één bij twee meter, die provisorisch in de voormalige leslokalen waren gebouwd. Dit moet echt een hel zijn geweest. De gevangenis is nu een museum, waar je de cellenblokken kan bezoeken en verhalen kan lezen van slachtoffers over dwangarbeid, martelingen en de dood van geliefden. Ook zijn er lange rijen met foto’s van de gevangenen te zien en nogal gruwelijke tekeningen van de martelingen die er plaatsvonden.

Op de terugweg loop ik langs de Wat Lanka, één van de vijf tempels die in 1442 bij de stichting van de stad in opdracht van koning Ponhea Yat zijn gebouwd. Iets verder, in het midden van de Sihanouk-boulevard, staat het Onafhankelijkheidsmonument, ter herinnering aan de onafhankelijkheid van de Fransen in 1953. De laatste tempel waar ik deze reis langs ga, is de Wat Botum (ook één van de vijf oorspronkelijke tempels). Bij deze tempel ligt ook het Wat Botumpark, waar het Cambodjaans-Vietnamese Vriendschapsmonument staat, ter herinnering aan de bevrijding van Cambodja van de Rode Khmer door de Vietnamezen.

Op mijn laatste dag in Cambodja bezoek ik Choeung Ek, op ruim een half uur met de tuk-tuk van het centrum van Phnom Penh. Hier werden de gevangenen vanuit de Toul Sleng-gevangenis naartoe gebracht om te worden geëxecuteerd. Vandaar de benaming Killing Fields. In 1980 zijn hier massagraven gevonden met de resten van bijna 9.000 mensen. In de regentijd worden soms nog steeds resten gevonden. Midden tussen de massagraven staat een stoepa, waarin de schedels en beenderen van de opgegraven slachtoffers worden bewaard. Het is een macabere herinnering aan de wandaden van een verschrikkelijk regime.

’s Middags bezoek ik ook nog kort het Nationaal Museum, waar je vooral heel veel beelden kan bekijken, handig gesorteerd op pre-Angkor, Angkor en post-Angkor. Ik heb het hier snel gezien. Het is bloedheet, zo’n 35 graden, en de rest van de middag lig ik in het Wat Botumpark te relaxen.

De dag erna is het alweer tijd om naar huis te gaan. Laos en Cambodja zijn allebei zeer de moeite waard gebleken. Prachtige bezienswaardigheden, heerlijk eten en vriendelijke mensen. Het was helemaal top!