24 juni – 10 juli 2016

Rocky Mountain National Park

Er is geen enkele reden waarom je Estes Park zou moeten bezoeken, behalve dat het aan de rand van het Rocky Mountain National Park ligt. Het is een echt toeristendorpje, met souvenirwinkeltjes, wat restaurantjes en ik tel zeker vijf winkeltjes die kerstspullen verkopen (en die het hele jaar open zijn). Estes Park is mijn eerste overnachtingsplaats op deze reis, die me in twee weken door vijf staten zal voeren: Colorado (een klein stukje) Utah, Idaho, Montana en Wyoming. Dit zijn de ‘mountain states’, zo genoemd vanwege de Rocky Mountains, de enorme bergketen die over een afstand van 3.200 kilometer van noord naar zuid over het Amerikaanse continent loopt. De Rocky Mountains zijn ongeveer 65 miljoen jaar oud en gevormd door gletsjers die tijdens de laatste ijstijd diepe valleien uitsleten en bergmeren achterlieten. (65 miljoen jaar schijnt relatief ‘jong’ te zijn, de Blue Mountains aan de oostkust van de VS zijn 200 miljoen jaar oud.)

Ik ben om half zes ’s middags plaatselijke tijd geland op Denver International Airport. Nadat ik de douane ben gepasseerd en mijn bagage heb opgehaald, haal ik mijn huurauto en rijd vervolgens via de interstates 70 en 25 en highway 34 naar Estes Park. Het laatste stuk is een onverlichte slingerweg door een vallei en het is al donker, ik zie nog net de contouren van de bergen. Overdag is het hier vast heel mooi, maar ik concentreer me nu vooral op de weg. Om tien uur ’s avonds kom ik aan bij de lodge waar ik de eerste twee nachten verblijf. Het is een lange reisdag geweest, dus ik duik meteen m’n bed in. De volgende ochtend sta ik vroeg op en om acht uur meld ik me bij de ingang van Rocky Mountain National Park. Hier schaf ik meteen een National Park Service Annual Pass aan – ik ga deze reis meerdere nationale parken bezoeken en zo’n pas is voordeliger dan ieder nationaal park apart betalen. Het is prachtig weer, de zon staat aan een strakblauwe lucht.

Sinds 1915 is dit deel van de Rocky Mountains een nationaal park. Het park beslaat ongeveer 1.100 vierkante kilometer en dat is – anders dan de naam van het park doet vermoeden – maar een heel klein deel de Rocky Mountains (ter vergelijking: Yellowstone National Park is tien keer zo groot…). Van oost naar west, over de continental divide en op een gemiddelde hoogte van ruim 3.000 meter, loopt de Trail Ridge Road. Deze 72 kilometer lange weg is de hoogstgelegen verharde weg in de Verenigde Staten. Je doet er goed aan om ’s ochtends al vroeg op pad te gaan, om rustig van de omgeving te genieten, voordat het vanaf een uur of tien echt druk wordt.

Vanaf de Fall River-ingang van het park loopt de weg snel omhoog, slingerend langs de berghellingen. Je begint op ongeveer 2.400 meter en het hoogste punt van de Trail Ridge Road is ruim 3.700 meter. Rocky Mountain National Park heeft drie klimaatzones: bergklimaat tot 2.700 meter, waar veel naaldbomen groeien en bevers, eekhoorns en elanden leven; sub-alpine tussen de 2.700 en 4.500 meter, waar op veel plekken nog sneeuw ligt en smeltwater tussen de bomen door de hellingen afstroomt; en alpine boven de 4.500 meter. Dit deel, de toendra, dat een derde van het park beslaat, ligt boven de boomgrens. De bergpieken reiken hier tot een hoogte van tussen de 39.00 en 4.200 meter. Onderweg krijg je het ene na het andere adembenemende uitzicht aangereikt. Op veel plekken langs de Trail Ridge Road zijn stopplekken gemaakt, met namen als Horseshoe Park, Many Parks Curve en Forest Canyon. Weidse uitzichten, indrukwekkende, deels nog met sneeuw bedekte bergtoppen en diepe, groen begroeide valleien. Naarmate je hoger komt, wordt het kouder en waait het harder. Toch loop ik in een t-shirt en op slippers. Ik rijd tot aan Milner Pass. Hier, op een hoogte van 3.280 meter, loopt de Continental Divide. Het water ten westen van dit punt stroomt richting de Grote Oceaan, het water ten oosten ervan naar de Atlantische Oceaan.

De volgende dag bezoek ik de Bear Lake Area, het drukst bezochte stukje van Rocky Mountain National Park. Ik sta dus weer vroeg op, maar ook als je er om acht uur bent, ben je niet de eerste. Sterker: tientallen anderen zijn je al voorgegaan. Maar ja, wat wil je ook: het is prachtig weer en de omgeving is schitterend. Bear Lake is een klein meer, omringd door naaldbomen en bergtoppen. Zeer fotogeniek. Vanaf Bear Lake is het ongeveer twee kilometer lopen naar Dream Lake, dat zo mogelijk nog schilderachtiger is. Een pad loopt om Dream Lake heen omhoog en vanaf daar heb je een prachtig panoramisch uitzicht over de bergen, de bossen en Dream Lake beneden. Een schitterende plek, waar veel mensen dan ook even op de rotsen gaan zitten om van het uitzicht te genieten.

Na mijn bezoek aan de Bear Lake Area is het alweer tijd om het Rocky Mountain National Park te verlaten. Via de highway 36 rijd ik terug naar Denver en lever de huurauto weer in. Nadat ik mijn bagage naar m’n hostel heb gebracht, loop ik de stad in. Het is zonnig en met 33 graden bloedheet. De hoofdstad van Colorado wordt ook wel de ‘mile high city’ genoemd, omdat de stad één mijl boven zeeniveau ligt. Het is geen mooie stad en eigenlijk kan ik ook geen goede reden bedenken waarom je hier per se naartoe zou moeten komen. Het centrum bestaat uit veel hoogbouw, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw in de plaats is gekomen van de oude gebouwen uit de tijd dat Denver nog een ‘frontier’-stadje was. Het State Capitol is één van de weinige oude en markante gebouwen. Vanaf de trappen van het gebouw doemen in de verte de Rocky Mountains op. 16th Avenue is voetgangersgebied, waar op deze zondagmiddag het publiek langs stalletjes flaneert en op terrasjes zit. En goed voorbeeld doet goed volgen.

De California Zephyr

Het is zeven uur ’s ochtends als ik de volgende ochtend op een terrasje bij Union Station aan m’n ontbijt zit, bestaande uit koffie en bagels. Ik heb de gratis shuttle bus genomen die het Civic Center met Union Station verbindt, dat is dan wel weer een pluspuntje aan Denver. Union Station is gebouwd in 1881 en heeft een fraaie, monumentale centrale hal, die de grandeur uitstraalt uit de hoogtijdagen van het treinverkeer. Hier vandaan vertrekt om acht uur de California Zephyr.  Deze beroemde trein rijdt in vijf dagen van Chicago in Illinois naar San Francisco in Californië. Ik zal alleen het stuk tussen Denver en Salt Lake City meerijden, een rit van vijftien uur, dwars door de Rocky Mountains.

Nadat ik mijn bagage heb ingecheckt (net als wanneer je gaat vliegen) sluit ik me aan in de rij op perron 4. Om kwart voor acht komt de Zephyr langzaam achteruit het station binnengereden. Hoge, tweelaagse treinstellen van zilverkleurige staal van de nationale treinmaatschappij Amtrak met vooraan twee zware diesellocomotieven. Van binnen zien de treinen er wat verouderd uit, maar de coupés zijn zeer ruim opgezet en de stoelen comfortabel en – niet onbelangrijk – je hebt goed uitzicht naar buiten. Nadat we de buitenwijken van Denver achter ons hebben gelaten, rijden we op een rustig tempo de uitlopers van de Rocky Mountains in. De machinist vertelt onderweg met enige regelmaat waar we zijn en wat er buiten te zien is (iedere aankondiguing beginnend met een opgewekt “All rightie folks!” J). Ook vertelt hij dat de Zephyr in de komende uren van ongeveer 1.500 meter naar 2.700 meter zal klimmen en dat we in het zogeheten Tunnel District in een half uur tijd door maar liefst 27 tunnels zullen rijden.’ Eén van die tunnels heeft een lengte van maar liefst 9,6 kilometer en is in de jaren twintig van de vorige eeuw gebouwd. Ze begonnen aan beide kanten van de berg te graven en toen ze elkaar in het midden troffen, lagen de twee tunnelbuizen slechts 7 centimeter uit elkaar.

We rijden al gauw de bergen in, tussen de naaldbomen door, langs rotspartijen en beekjes en riviertjes, door weidse valleien en smalle kloven. De bergen variëren van bruin tot dieprood en geel. Het is echt een prachtige treinrit. Op de mooie stukken geniet ik van het uitzicht, op de minder interessante stukken lees ik in m’n boek over – toepasselijk – de Zephyr.  Halverwege de rit passeren we de Zephyr die het traject in oostelijke richting aflegt (de ‘6’, de ‘5’ rijdt westwaarts), op weg naar Chicago. Onderweg stoppen we in Fraser, Grandby, Glenwood Springs, Grand Junction, Great River en Helper, stuk voor stuk kleine gehuchten. Na Glenwood Springs worden de bergen lager en de valleien weidser en vlak voor Grand Junction zie ik zowaar een aantal wijngaarden. Het hele stuk daarvoor zag je wel af en toe een boerderij of een weg, maar als we de grens met Utah naderen, zitten we duidelijk weer in de bewoonde wereld. Op de grens van Colorado en Utah worden we getrakteerd op de spectaculaire rode kliffen van de Ruby Valley en even later… staan we stil. Midden in de woestijn van noord-Utah. Wat blijkt: voor ons staat een vrachttrein met pech. We lagen al achter op schema, maar door dit oponthoud zijn we een uur extra kwijt. De zon gaat al onder als we weer verder rijden. Pas om één uur ’s nachts komen we aan op het station van Salt Lake City, twee uur later dan gepland. Ik neem een taxi naar m’n hostel, waar alles en iedereen al slaapt.

Sawtooth Range

Na slechts een paar uurtjes slaap, word ik al om zes uur wakker. Ik ga douchen, pak m’n spullen en haal bij Starbucks koffie en bagels als ontbijt. Daarna kan ik m’n huurauto halen. Ik blijf niet in Salt Lake City, maar vertrek vanochtend meteen in noordelijke richting, op weg naar de ten noorden van Utah gelegen staat Idaho. Interstate 84 loopt grotendeels door oninteressant landschap, dus: airco, cruise control en radio aan en rijden maar. J Na drie uur rijden stop ik bij Shoshone Falls Park. De watervallen stellen niet zoveel voor, maar het ernaast gelegen park is een prima plek om te lunchen. Na nog een stuk nietszeggend landschap doemen recht voor me de bergen van de Sawtooth Range op, een bergketen die deel uitmaakt van de Rocky Mountains. Het is een voorbode van de prachtige omgeving in centraal Idaho.

Idaho is een wat minder bekende staat en er zijn dus weinig toeristen. Ten onrechte, want het is er werkelijk prachtig. Torenhoge granieten bergpieken, uitgestrekte naaldbossen, snelstromende riviertjes, meertjes en valleien. O ja, en af en toe een overstekend hert. J Verbazingwekkend dat Idaho één van de weinige staten is zonder nationaal park (je hebt er wel andere natuurgebieden, luisterend naar de naam ‘national wilderness’ of ‘national recreation area’). Highway 75 loopt als ‘scenic byway’ dwars door de Sawtooth Range en ‘scenic’ is hij zeker! Vooral het gebied rond de Galena Summit, met 2.650 meter de hoogste berg in de Sawtooth Range, is adembenemend mooi. Op de bergtoppen ligt nog sneeuw, terwijl het is de uitbundige groen begroeide valleien 38 graden is. Aan het begin van de avond kom ik aan in Stanley, een klein dorp, bestaande uit wat houten huizen, een tweetal ‘country stores’, wat motels en restaurants en een heuse saloon. Je snapt het: Stanley heeft de uitstraling van een ouderwets wild west-stadje. Ik slaap vannacht in een houten blokhut, eten die ik op de veranda van één van de restaurants, aan de Salmon River en met uitzicht op de Sawtooth Range.

Het koelt ’s nachts flink af in de bergen en het is dan ook fris als ik de volgende ochtend opsta. Om half negen vervolg ik mijn weg langs highway 75, die hier Salmon River Scenic Byway heet. Ondanks de benaming ‘highway’ betreft het hier een niet al te brede tweebaans weg, die zich tussen de bergen door slingert en daarbij voortdurend de Salmon River volgt. Het is een prachtige route. Na ieder bocht krijg je weer een nieuw uitzicht voorgeschoteld. De ‘byways’ in de Verenigde Staten zijn meestal niet de snelste routes van a naar b, maar vaak wel de mooiste. Vanaf Challis loopt de weg door de Round Valley, waar de bergen wat lager en afgeronder en kaler zijn, maar de grond vruchtbaarder. Er staan wat boerderijen en ranches en af en toe kom ik door een klein gehucht, maar erg dichtbevolkt is het hier niet. Op een gegeven moment begint de weg te stijgen en passeer ik de Lost Trail Pass, op de grens van Idaho en Montana. Aan de andere kant van de pas duikt highway 193 de Bitterroot Valley in, met aan de linkerkant de Bitterroot Mountains. Ik rijd door oude frontier-stadjes als Darby en Hamilton en in de loop van de middag kom ik aan in Missoula. Missoula is een leuk universiteitsstadje met nog aardig wat oude gebouwen en een relaxte sfeer. Het is bloedheet (bijna 35 graden), maar ik loop toch even het stadje door, waarna ik de verkoeling van één van de hippe koffiebarretjes opzoek. Even relaxen na een lange rit.

De volgende dag hoef ik niet zo ver te rijden en ik heb dus alle tijd. Tijdens mijn ontbijt (ja, weer koffie en bagels) lees ik op het nieuws dat gisteren bij Glacier National Park een fietser door een grizzlybeer is gedood. Daar ga ik dus morgen naartoe… Nadat ik naar de lokale vestiging van boekhandel Barnes & Noble ben geweest, neem ik highway 93 naar het noorden. In de landbouwomgeving van de Mission Valley ligt de National Bison Range. Hier leven ongeveer vijfhonderd bizons – je zou dus verwachten dat je er veel bizons te zien krijgt. Maar dat valt tegen. Ik zie een stuk of drie lui in het gras liggende bizons van wat dichterbij en een grazende kudde die zo ver weg is dat het ook koeien zouden kunnen zijn. Ik zie wel herten en bighorn sheep. Ik vervolg m’n weg naar het noorden, om Flathead Lake heen, het grootste zoetwatermeer ten westen van de Mississippi en populair bij watersporters. Mijn bestemming vandaag is Kalispell, mijn uitvalsbasis voor Glacier National Park, morgen.

Glacier National Park

Vrijdag alweer. Vandaag staat het hoogtepunt van deze reis op het programma – letterlijk: Logan Pass ligt op ruim 2.000 meter. Het gebied dat sinds 1910 Glacier National Park is, is miljoenen jaren geleden door enorme gletsjers gevormd. Het resultaat zijn granieten bergpieken, u-vormige valleien, beekjes, rivieren, meren en watervallen. Het gebied is pas toegankelijk sinds de aanleg van de Going to the Sun Road, die in 1923 werd voltooid. Zeker voor die tijd is de weg een knap staaltje werk. In dat jaar werd Glacier National Park ook samengevoegd met Waterton, aan de Canadese kant van de grens en sinds 1995 is het park een World Heritage Site.

De Going to the Sun Road is één van de meest spectaculaire wegen op aarde en loopt dwars door Glacier National Park, van west naar oost, 95 kilometer lang en doorgaans open van medio juni tot begin oktober. De rest van het jaar is de weg door sneeuw onbegaanbaar. Het is een prachtige route om te rijden, iedere bocht levert weer nieuwe panorama’s op. Het eerste stuk slingert de weg langs Lake McDonald tussen de bomen door, langs McDonald Creek, waarna de weg begint te stijgen. Daar waar de weg een haarspeldbocht naar rechts maakt, The Loop genaamd, is het uitzicht geweldig. De weg slingert verder langs de rotswand, waar smeltwater naar beneden stroomt. Op veel plekken ligt nog sneeuw op de berghellingen, hoewel al veel sneeuw is gesmolten als gevolg van de hoge temperatuur van de afgelopen dagen.

Het toppunt van de Going to the Sun Road is Logan Pass, die precies op de Continental Divide ligt. Dit is ook het beginpunt van de Hidden Lake Trail, een wandeling van in totaal vijf kilometer, heen en terug. Hoewel die afstand niet lang is, stijg je ondertussen wel van 2.025 meter naar 2.175 meter en bovendien is een groot deel van de trail nog besneeuwd. Dat maakt het een prachtige, maar ook gladde wandeling. De zon staat hoog aan de hemel en ondanks de sneeuw is het dus behoorlijk warm. De omgeving is werkelijk prachtig, omringd door de bergtoppen van onder andere Clemens Mountain (ruim 2.650 meter) en Reynolds Mountain (2.775 meter). Na bijna een uur lopen, gaat het pad iets naar beneden en kom je bij een klein meertje. Een adembenemend mooi plekje. Vervolgens moet je als een soort berggeit om een klif heen klimmen, waarna je bij de Hidden Lake Lookout komt, het eindpunt van de trail. Hier heb je een fantastisch uitzicht over het lager gelegen meer met de Gunsight Mountain op de achtergrond. Schitterend.

Op een gegeven moment ontstaat er enige opwinding onder de bezoekers: een eindje verderop worden twee berggeiten achterna gezeten door een beer. Het is een heel eind weg, dus de beer is maar een stipje, maar toch leuk. In totaal ben ik twee uur bezig met de trail. Het is glibberig en je moet dus voortdurend uitkijken dat je niet onderuit gaat. Bij het Visitors Center hangen de vlaggen halfstok, naar aanleiding van de dood van de fietser twee dagen geleden. Het gebeurt bijna nooit, maar het onderstreept wel waarvoor je hier overal wordt gewaarschuwd: this is bear country.

Vanaf Logan Pass is het nog ongeveer 29 kilometer naar St. Mary. Het eerste stuk wordt je nog getrakteerd op prachtige uitzichten, onder meer op de Jackson-gletsjer (die in de loop van de tijd helaas steeds verder wegsmelt). Daarna daalt de weg weer en eindigt hij zoals hij begon: langs een meer: Lake St. Mary. Ik ben vroeg begonnen (om de ergste drukte te vermijden, de Going to the Sun Road is erg populair) en dus ook vrij vroeg klaar. De rest van de middag zit ik op het balkon van de lodge in St. Mary, met een boek en een lokaal – toepasselijk genaamd – Going to the Sun-biertje.

De volgende ochtend (ik ben alweer halverwege de reis) bezoek ik een ander deel van Glacier National Park: het iets noordelijker gelegen Many Glacier Area. Ondanks de naam hoef je ook hier geen enorme gletsjers te verwachten, want die zijn in de loop van de tijd grotendeels weggesmolten.. Zodra je het park binnenrijdt, word je ook hier getrakteerd op prachtige uitzichten. Net nadat ik even ben gestopt om foto’s te maken, zie ik een beer langs de kant van de weg lopen. Hij loopt bij me vandaan (dus op de foto staat hij alleen van de achterkant), maar toch is het best indrukwekkend om zo’n groot wild beest op pak ‘m beet vijftien meter afstand te zien. Hij wandelt op z’n gemak langs de weg, maar duikt (vanwege de belangstellend stoppende bezoekers?) snel de struiken in.

De Swift Current Trail is ongeveer vijf kilometer lang (voor mij een prima afstand J). De trail loopt om Swift Current Lake heen, met prachtig uitzicht op de granieten bergen Grinnell Point en Wilbur Mountain. Na deze wandeling verlaat ik eind van de ochtend Glacier National Park. Via highway 89 rijd ik – voor het eerst deze reis – naar het zuiden. De weg word door mij ‘de weg met de duizend bochten’ gedoopt en loopt door heuvellandschap, de uitlopers van de Rocky Mountains, die nooit uit zicht zijn. Hier en daar staat een boerderij, verder zie ik vooral veel grasland.

Helena

Het is een flink stuk rijden naar Helena, de hoofdstad van Montana. Nadat ik bij m’n motel ben ingecheckt, rijd ik de stad in en parkeer in een woonwijk, in de verwachting dat het centrum of vol of betaald parkeren zal zijn. Dat laatste klopt, maar in het centrum van Helena is het op deze zaterdagmiddag zo rustig als Staphorst op zondagmorgen. Waarschijnlijk omdat het leven in de Verenigde Staten zich al lang niet meer in de (oude) stadscentra afspeelt. De hoofdstraat in Helena is de autovrije Last Chance Gulch. Die naam komt van drie mannen uit Georgia die in 1863 een laatste poging deden om hier, in een drooggevallen beek, goud te vinden. Bij deze laatste kans vonden ze goud en zo ontstond het stadje Helena. Aan de zuidkant van de Last Chance Gulch staat nog een oude blokhut uit 1864, dus uit de tijd van die eerste goudzoekers. Langs Reeder’s Alley staan nog diverse stenen mijnwerkershuisjes uit de jaren zestig tot tachtig van de negentiende eeuw. En een stukje verder staat een houten ‘fire tower’ uit 1876, één van de vijf die er nog in de VS zijn. Het zijn deze herinneringen aan de pioniersgeschiedenis die je overal in Montana end e andere mountain states tegenkomt. In kleine ‘one horse towns’ met een oude country store en saloon, in namen van motels, restaurants en winkels en op de talloze ‘historic sites’ die langs de weg staan en stukjes van die pioniersgeschiedenis vertellen. Er is veel veranderd sinds dit deel van de Verenigde Staten het ‘wilde westen’ was, maar het draagt wel nog steeds bij aan het karakter en de sfeer in de mountain states.

Cody

Op zondag heb ik een lange rit op het programma staan: van Helena, Montana naar Cody, Wyoming. De rit brengt me naar de vijfde staat die ik deze reis aandoe. Over de rit kan ik niks niets interessants vertellen, anders dan dat hij vijf uur duurt en dat ik tegen het middaguur in Cody aankom. Cody is om twee redenen bekend: om het typisch Amerikaanse fenomeen rodeo (Cody noemt zichzelf onbescheiden ‘rodeo capitol of the world’) en om z’n beroemdste inwoner en naamgever: William F. Cody, beter bekend als Buffalo Bill. Buffalo Bill was achtereen volgens veedrijver, rijder op de Pony Express (die post bezorgde in het gebied tussen de Mississippi en California), bisonjager en militair. Hij genoot grote bekendheid (deels feit, deels fictie) en was misschien wel de eerste ‘celebrity’. Zijn bekendheid en zijn liefde voor het ‘wilde westen’ brachten hem ertoe ‘wild west shows’ te beginnen en daarmee had hij groot succes, ook in Europa. Zijn legende wordt levend gehouden in het Buffalo Bill Center of the West in Cody, waar ik een uurtje rondkijk.

Maandag is het Fourth of July, oftewel Independence Day en die nationale feestdag gaat in heel de VS gepaard met parades en vuurwerk. In het centrum van Cody hebben mensen overal langs Sheridan Avenue al stoeltjes neergezet om een goed plekje te claimen (een beetje zoals mensen in Amsterdam doen aan de vooravond van de Vrijmarkt J). Verder doet Cody nog maar weinig herinneren aan het oude ‘wilde westen’; het is nu vooral een toeristenstadje en uitvalsbasis voor Yellowstone National Park.

Ik rijd naar Wapiti, tussen Cody en Yellowstone, waar ik de komende nacht slaap, en fris me daar even op om vervolgens weer terug te rijden. Ik heb namelijk een kaartje voor de jaarlijkse Cody Stampede Rodeo. Drie avonden lang verzamelen enkele duizenden rodeoliefhebbers zich in een soort arena aan de rand van Cody om naar hun rodeohelden te kijken. Het is voor het eerst dat ik een rodeo in het echt meemaak en ik moet toegeven: het is wel een spektakel. De sfeer is heel bijzonder: de avond wordt geopend met het binnendragen van een enorme Amerikaanse vlag en het zingen van het volkslied. Daarna gaat de presentator van de avond voor in gebed. Vervolgens volgt een uitgebreid en zeer patriottistisch eerbetoon aan de Amerikaanse troepen, waarbij de aanwezige veteranen op de tribune en enkele oude veteranen die de arena zijn ingereden, een werkelijk ovationeel applaus krijgen. Het is tegelijk een kippenvelmoment en een wat bevreemdende ervaring, omdat wij (nuchtere Nederlanders) dit soort eerbetoon niet gewend zijn. Er is hier een breed gedragen, diepgaande dankbaarheid en groot respect voor veteranen, net als voor God, vlag en vaderland. Het is vreemd om daar tussen te staan. Ook aan de rodeo zelf houd ik een dubbel gevoel over. Het is knap wat die cowboys en cowgirls doen, maar het dierenleedaspect vind ik toch minder (ik kan me niet voorstellen dat een kalfje het fijn vind als er een cowboy op zijn nek springt…).

Yellowstone National Park

De weg van Wapiti naar Yellowstone National Park loopt door de mooie Wapiti Valley en brengt me naar de oostelijke ingang van het oudste nationale park in de Verenigde Staten. In 1872 werd Yellowstone het eerste nationaal park en met ongeveer tachtig bij 95 kilometer is het tevens het grootste nationale park in de ‘lower 48’. Meer dan drie miljoen mensen brengen ieder jaar een bezoek aan dit park voor prachtige berglandschappen, wilde dieren, geisers en heetwaterbronnen. Yellowstone ligt op een plateau dat het resultaat is van een grote vulkanische uitbarsting die ongeveer 600.000 jaar geleden plaatsvond. De Yellowstone Caldera die daardoor ontstond, meet ongeveer 45 bij 75 kilometer en daarbinnen bevindt zich de grootste concentratie geisers en heetwaterbronnen ter wereld. Ook vindt je er ‘mud pots’, heetwaterbronnen die zo giftig zijn dat ze het gesteente voortdurend veranderen in borrelende modder.

Yellowstone National Park is enorm groot, maar dankzij de 8-vormige ringweg is alles makkelijk te bereiken. Ik kom Yellowstone vanaf de oostkant binnen, rijd langs Yellowstone Lake en vervolgens noordwaarts, door de Hayden Valley, waar de Yellowstone River doorheen stroomt. Het is een wijde, groene vallei, waar hier en daar bizons rondlopen (in een uur tijd zie ik hier al meer bizons dan in de hele National Bison Range…). Hier vind je ook Mud Volcano (zo’n ‘mud pot’), waar het sterk naar zwavel ruikt, en Sulphur Couldron, eveneens een zeer giftige, borrelende poel. Een eindje verder loopt de Yellowstone River door een 450 tot 1.200 meter brede en op diepste punt 356 meter diepe kloof van gele, oranje en rode kliffen: de Grand Canyon of the Yellowstone. Bij Artist’s Point heb je een fantastisch uitzicht over de kloof, de rivier beneden en een prachtige waterval (de Lower Falls). Hier kan iedereen zelfs zonder fotografie-ervaring het perfecte plaatje schieten. J Ook bij Grand View aan de noordkant van de kloof heb je prachtig uitzicht. Ik vervolg m’n weg naar het noorden, langs de Tower Fall en de Calcite Springs naar Mammoth Hot Springs. Hier komt vloeibare travertin aan de oppervlakte die vervolgens afkoelt en hard wordt en zo bizarre steenformaties creëert. Overal borrelende poelen en groen en bruin gekleurde stroompjes.

Na een nacht ‘car camping’ op Canyon Campground ga ik op m’n tweede dag in Yellowstone National Park het westelijke deel van het park bekijken. Ik ben al vroeg wakker (om half zes is het licht), dus ik ben al vóór de hordes toeristen bij Old Faithful. Deze geiser spuit met een interval van een half uur tot twee uur kokend heet water dertig tot vijftig meter de lucht in. Old Faithful blaast permanent stoom uit en na een half uurtje wachten begint hij te borrelen en even later spuit de geiser een enorme hoeveelheid water en stoom de lucht in. Erg cool. De uitbarsting duurt nog geen minuut en daarna keert de geiser weer terug in z’n ‘slaapstand’.

In dit deel van Yellowstone zijn overal geisers en heetwaterbronnen. Waar je ook rijd, je ziet bijna overal wel ergens stoom opstijgen, een teken dat er geothermische activiteit in de buurt plaatsvindt. Zo bevindt zich iets ten noorden van Old Faithful Black Sand Basin en de werkelijk prachtige  Sapphire Pool, die zijn naam eer aandoet en diepblauw/saffierkleurig is. Op sommige plaatsen zijn concentraties geisers en bronnen, maar dat is alleen maar wat je aan de oppervlakte kan zien. Onder de aardkorst, die hier relatief dun is, moet een enorme hoeveelheid kokend water zitten. Dat water zoekt een uitweg en zo ontstaan de geisers en bronnen. De verwachting is echter dat de onderaardse druk nog eens tot een grote uitbarsting zal leiden, waarvan de gevolgen van tevoren niet kunnen worden ingeschat.

Het landschap rond de geisers ziet er op veel plekken buitenaards uit. Er groeit nauwelijks iets, als gevolg van de hoge concentraties zwavel, alleen algen gedijen goed in de heetwaterbronnen en geven deze bronnen hun groene, blauwe, bruine en soms zelfs gele en rode kleur. Overal zie je borrelende gaten in de grond en ruik je de zwavel. Soms loop je zelfs door hele naar zwavel ruikende stoomwolken heen – na een dagje geisers kijken, ruik je zelf ook naar zwavel .J Ook het Midway Geiser Basin is zo’n buitenaards ogende plek. De ster is hier de Grand Prismatic Spring, die zo heet vanwege zijn felle kleuren, van geel en oranje tot blauw. Helaas is het hoger gelegen uitkijkpunt, vanwaar je de Grand Prismatic Spring van bovenaf kan zien, afgesloten. Ik rijd verder nog langs de Firehole Lake Drive, waar ook diverse borrelende geisers en bronnen zijn en ga vervolgens naar het Norris Geiser Basin, ook een groot, giftig gebied met tal van dode bomen tussen de geisers met namen als Emerald Spring en Steamboat Geyser. Tot slot rijd ik nog langs Gibbon Falls om daarna mijn rondje weer te eindigen in Canyon Village.

Grand Teton National Park

Na nog een tweede nacht ‘car camping’ bezoek ik West Thumb Geyser Basin, niet de indrukwekkendste, maar wel mooi gelegen aan de rand van Yellowstone Lake, en daarmee zit mijn verblijf in Yellowstone National Park erop. Ik verlaat het park aan de zuidkant en rijd kort daarna het laatste nationale park binnen dat ik deze reis bezoek: Grand Teton National Park. De naam van dit park is afgeleid van het Franse ‘grandes tétons’, wat (excusez le mot) ‘grote tieten’ betekent, de naam die Franstalige pelsjagers uit Canada gaven aan de bergen die je hier vindt. De Teton Range, zoals deze bergen nu officieel heten, is een bergketen die zo’n tachtig kilometer van noord naar zuid loopt en maakt onderdeel uit van de Rocky Mountains. Het is eigenlijk één lange rij bergen, met twaalf pieken, waarvan de hoogste, Grand Teton, 4.260 meter hoog is. Andere pieken, zoals Middle Teton (4.000 meter), Nez Perce (3.650 meter) en Mount Owen (4.000 meter) doen daar overigens niet veel voor onder.

Aan de oostkant van deze bergketen ligt een weidse vallei en aan de voet van de bergen ligt een reeks grote en kleine meren. Overal zijn uitkijkpunten, zoals Jackson Lake Overlook en Willow Flats Overlook, vanwaar je een geweldig uitzicht hebt op de imposante bergen. Machtige granieten bergen die steil omhoog lopen en hoog boven de vlakke vallei uittorenen.  Oxbow Bend biedt uitzicht op een deel van de vallei en de Snake River. En ook vanaf Signal Mountain heb je een weids uitzicht over de uitgestrekte vallei. Ik rijd de ‘scenic drive’ om Jenny Lake heen (de Hidden Falls Trail is helaas afgesloten voor onderhoud), Mount Moran Turnout, Mountain View Turnout en Cathedral Group Turnout. Bij iedere stop heb je weer een nieuw parnorame uit een andere hoek, waarbij de bergen steeds weer nog groter en imposanter lijken. Glacier View is misschien wel mijn favoriete punt, met 180 graden uitzicht over de vallei, met de rij hoogste pieken, met sneeuw op de toppen, recht voor je. Een schitterend uitzicht.

Nadat ik de nacht heb doorgebracht in een blokhut op Headwaters Campground, is het tijd om te beginnen aan de rit terug naar Denver, waar ik deze reis ben begonnen. Van de donderdag maak ik een reisdag: ik rijd in één keer van Grand Teton National Park naar Fort Collins, een stadje dat op een half uur rijden ten noorden van Denver ligt. Highway 198/191 loopt door een weinig spannend heuvellandschap, in mijn achteruitkijkspiegel verdwijnt de Teton Range langzaam uit beeld). Ik maak een tussenstop in Rock Springs (een oord van niks) en rijd daarna via interstate 89 verder naar Fort Collins. De vrijdag breng ik in Fort Collins door. Ik ga koffie drinken op het Old Town Square en shoppen in de lokale ‘mall’ en een tijdje zitten lezen in het parkje bij de bibliotheek. Fort Collins blijkt een heel aardig universiteitsstadje te zijn. In tegenstelling tot veel andere plaatsen in de VS (zie mijn opmerking over Helena eerder in dit verslag) heeft Fort Collins een leuk centrum, waar oude gebouwen uit eind negentiende, begin twintigste eeuw zijn opgeknapt en waar je café, restaurants en kleine winkeltjes vindt. Na een relaxte dag in Fort Collins is het op zaterdag tijd om terug te rijden naar de luchthaven van Denver. Waarmee er een eind komt aan een prachtige reis door een erg mooi deel van de Verenigde Staten.