12 november – 4 december 2016

Buenos Aires

Na een lange vlucht en een overstap in Sao Paulo komen we zaterdagavond laat aan op de internationale luchthaven Ezeiza bij Buenos Aires. Het duurt even voordat we de bagage hebben en daarna nemen we een taxi naar de stad. Dat is nog een half uurtje rijden en het is dan ook al half één ’s nachts als we inchecken bij ons hotel in het centrum van Buenos Aires. Moe van de reis gaan we meteen naar bed.

De volgende ochtend is het bewolkt en regenachtig. Nadat we hebben ontbeten lopen we toch maar naar buiten. Hoewel het niet heel hard regent, duiken we toch al snel bij café Los Angelitos naar binnen om koffie te drinken. Los Angelitos is een heel oud café, dat begin twintigste eeuw de thuishaven was voor schrijvers, muzikanten en criminelen. Het café verkeert nog helemaal in de stijl van die tijd. Buiten lijkt het ondertussen alleen maar harder te gaan regenen, dus we nemen de tijd. Na een tweede kop koffie lopen we weer verder, regelmatig schuilend onder afdakjes om niet al te doorweekt te raken. We komen langs het Palacio del Congreso, het parlementsgebouw, en het daar tegenover gelegen gebouw van de Senaat. Maar heel relaxt is het niet met dit weer, dus besluiten we om een metrostation in te duiken. We nemen de metro naar de wijk San Telmo, waar we door de regen naar Parilla Desnivel rennen. Dit steakrestaurant is populair bij zowel Porteños (zoals inwoners van Buenos Aires worden genoemd) als toeristen. Het is lunchtijd en dus tijd voor een lekkere Argentijnse biefstuk.

Als we na de lunch weer buiten komen, is het weer opgeklaard. De bewolking en de buien hebben plaatsgemaakt voor de zon. Op ons gemak wandelen we door de hoofdstraat van San Telmo, Defensa, en over het 18e eeuwse Plaza Dorrego, waar iedere zondagmiddag een markt wordt gehouden. San Telmo is heel anders dan de wijk Congreso, waar ons hotel is. Een gezellig, dorps aandoende wijk met oude koloniale gebouwen en keienstraatjes, tal van cafés en restaurants en vooral heel veel antiekwinkeltjes. Vanuit San Telmo lopen we verder naar het zuiden, naar de wijk La Boca. De zuidpunt van deze arbeiderswijk, bekend van voetbalclub Boca Juniors, is een toeristische trekpleister. De huizen met gevels van golfplaat, die je overal in deze wijk ziet, zijn hier in felle kleuren geschilderd. Het ziet er leuk uit, maar het is er erg druk en nogal toeristisch.

Buenos Aires is een grote, moderne en kosmopolitische stad (in de metropool Buenos Aires wonen zeventien miljoen mensen, een derde van de bevolking van heel Argentinië). Maar terwijl we door San Telmo en La Boca lopen, valt me op dat veel gebouwen in slechte staat zijn. Er staat veel leeg (soms staat alleen de gevel nog overeind) en er lijkt niet echt iets mee te worden gedaan. Ook rijden er veel oude auto’s rond (de Peugeot 504 uit de jaren zeventig is hier allesbehalve een zeldzaamheid), vaak in erbarmelijk slechte staat. Zoiets als een APK kennen ze hier blijkbaar niet; als het rijdt, mag het de weg op. Het is aan dit straatbeeld dat je kan zien dat het met de Argentijnse economie nog niet echt goed gaat. Al decennialang hobbelt Argentinië van de ene economische crisis naar de volgende. In 2002 ging het land zelfs failliet. Ook uit de inflatie van twintig procent per jaar blijkt dat het nog niet echt goed gaat. Met als belangrijkste oorzaak: slecht bestuur. Hoewel de militaire dictatuur tot het verleden behoort en Argentinië tegenwoordig een democratie is, kampt het land nog altijd met corruptie, politieke schandalen en scherpe politieke tegenstellingen.

Alles bij elkaar lopen we aardig wat kilometers door de stad. Terug in San Telmo is het tijd dan ook om te relaxen. We gaan bij café Britanico zitten voor een drankje en later verhuizen we naar café Plaza Dorrego. Als we aan het eind van de avond op de metro staan te wachten, blijkt die om onduidelijke redenen niet te rijden. We nemen daarom maar een taxi terug naar het hotel.

De volgende dag staat de zon weer hoog aan de hemel en lopen we weer uitgerust de stad in. Aan het eind van de straat waar ons hotel zit, is Plaza de la Républica, met een 67 meter hoge obelisk, die in 1936 is gebouwd ter gelegenheid van vierhonderd jaar onafhankelijkheid. De obelisk staat temidden van de Avenida de 9 Julio, de zéér brede weg (op veel plekken zes banen breed met vrije busbanen in het midden) die dwars door de stad van noord naar zuid loopt. Het centrum van het centrum van Buenos Aires wordt Microcentro genoemd. Hier vind je een mix van moderne hoogbouw en statige koloniale gebouwen. Dit deel van Buenos Aires, waar je ook de grote winkelstraten vind, heeft een veel modernere uitstraling en is beter onderhouden.

De centrale plek hier is Plaza de Mayo. Aan de oostkant van het plein staat het witte Cabildo, het voormalige stadhuis uit de achttiende eeuw. De andere kant van het plein wordt gedomineerd door de rood-roze geven van het Casa Rosada. Vanaf het balkon van dit gebouw hield Eva Duerte-Peron (beter bekend als Evita) haar beroemde toespraken voor de bevolking. Evita was de vrouw van president Juan Peron, die het land na de Tweede Wereldoorlog met harde hand regeerde. Tegenstanders van het regime werden gevangen gezet en kritische media werden verboden. Evita was minstens zo invloedrijk en mede door haar voerde Peron ook veel hervormingen door die de arme bevolking ten goede kwamen. Totdat het leger (met steun van de rijke elite en de Verenigde Staten) onder leiding van generaal Videla in 1976 een staatsgreep pleegde. Dit was het begin van de Guerra Sucia, de vuile oorlog. Tussen 1976 en 1983 tussen de 10.000 en 30.000 Argentijnen spoorloos verdwenen. De moeders van de vermisten hebben zich verenigd en deze ‘dwaze moeders’ komen nog steeds iedere donderdagmiddag bij elkaar op Plaza de Mayo om gerechtigheid te eisen. Het plein is sowieso de plek waar regelmatig demonstraties plaatsvinden.

Op Plaza de Mayo vind je ook een stuk met witte kruizen ter nagedachtenis aan de gevallenen tijdens de oorlog om de Malvinas (de Falklandeilanden) in 1982. Het valt me op dat er op meer plekken in de stad beelden en plaquettes te vinden zijn die daaraan herinneren. De strijd om de Malvinas zijn ze hier in Argentinië duidelijk nog niet vergeten. De eilanden zijn nog steeds in Britse handen, tot ongenoegen van de Argentijnen. De oorlog had wel één positieve bijkomstigheid: het betekende het einde van het militaire bewind.

In Casa Rosada is nog altijd het kantoor van de Argentijnse president gevestigd. Voorheen stond het gebouw aan het water van de Rio de la Plata, maar in de negentiende eeuw is door landwinning ten oosten van Microcentro een nieuw stadsdeel ontstaan: Puerto Madero. Aanvankelijk was dit een havengebied en de bakstenen pakhuizen en oude kranen aan de waterkant zijn daar de stille getuigen van. Tegenwoordig is het een hip stadsdeel met appartementen, kantoorgebouwen, restaurants en een jachthaven. Mede door de Puente de la Mujer (het kleine broertje van de Erasmusbrug) doet dit stuk van de stad een beetje aan Rotterdam denken. Via de Avenida Cordoba, met onder meer het uit 1889 daterende Galerías Pacifico, belanden we in de wijk Retiro. In deze duidelijk rijkere buurt staat, even voorbij het groene Plaza San Martin, het Retiro-station, zeg maar het centraal station van Buenos Aires. Met daarvoor de Torre Monumental, een soort Big Ben-lookalike, een cadeautje van de Britten in 1916.

Ook Recoleta is een rijke buurt en is vooral bekend vanwege de gelijknamige begraafplaats. Hier liggen de rijke en beroemde Argentijnen begraven. Of beter gezegd: boven de grond in mausoleums. Cementerio de la Recoleta is een soort ‘wijk’ met ‘straten’ waarlangs mausoleums staan, groot en klein, modern en klassiek, sommige nieuw en andere (heel) oud. Sommige van deze familiegraven zijn meer dan 150 jaar oud. Het bizarre is dat je bij veel ervan naar binnen kan kijken (ofwel omdat er een raam in zit, ofwel omdat het hek ervoor open staat) en je de kisten gewoon kan zien staan. Sommige staan er duidelijk nog niet zo lang, andere zitten onder een dikke laag stof of zijn al half vergaan. Ook het familiegraf van de familie Duerte, met de kist van Evita bevindt zich op Recoleta en is en één van de bekendste toeristische trekpleisters van de stad. We sluiten de dag af op een terras op Plaza Palermo Viejo, in de middenklassewijk Palermo. Tijd voor een biertje en empanadas.

Salta

Na twee dagen Buenos Aires vliegen we op dinsdag vanaf de luchthaven Aeroparque in twee uur naar Salta, in het noordwesten van Argentinië. Nadat we bij ons hotel hebben ingecheckt, lopen we dit in 1582 gestichte stadje in. Wat een verschil met Buenos Aires! Salta is een klein koloniaal stadje rondom een centraal plein, Plaza 9 de Julio, met palmbomen, restaurantje, musea en een enigszins kitscherige roze kathedraal. Het is prachtig zonnig weer en een aangename 28 graden. We maken er een relaxte middag van. Nadat we rondje hebben gelopen, gaan we zitten bij La Tacita, een klein, eenvoudig tentje waar je heerlijke vers gemaakte empanadas kan eten. Ook ’s avonds gaan we ons culinair te buiten bij café Del Tiempo, met biefstuk en een heerlijke fles Malbec.

Salta is voor ons de uitvalsbasis voor een dagtrip door het noordwesten van Argentinië. Dit gebied wordt de Puna de Atacama genoemd, een hoog gelegen semi-woestijn, tussen de uitlopers van het Andes-gebergte. Dit is een heel andere wereld dan Buenos Aires: droog, ruig, ver afgelegen en nauwelijks bewoond. De mensen hier hebben een veel donkerder huidskleur en lijken meer op Bolivianen dan op Argentijnen. Vanwege de mijnbouw werd in dit gebied ooit een treinverbinding aangelegd, die vanwege de hoge ligging de Trèn a las Nubesd (de trein naar de wolken) wordt genoemd. Maar er was te weinig geld en de mijnbouw is inmiddels verdwenen. We stoppen onderwge bij de Quebrada de Toro, die bezaaid is met grote kaktussen en lunchewn in San Antonio de los Cobres, een typisch Andes-dorpje met eenvoudige lage huisjes en stoffige straatjes.

Eén van de hoogtepunten van de Puna de Atacama zijn de Salinas Grandes, een 525 vierkante kilometer grote zoutvlakte, gelegen op 3.350 meter boven zeeniveau. In de regentijd is de zoutvlakte een ondiep meer en in de droge tijd bezinkt het zout. De Salinas Grandes zijn veel minder groot en ook minder wit dan de (zeer indrukwekkende) zoutvlaktes van Uyuni in het zuiden van Bolivia, maar niettemin fotogeniek en de moeite van het bezoeken waard.

Via de Cuesta de Lipan rijden we naar het hoogste punt van de dagtrip: 4.177 meter. Op deze hoogte kan je last krijgen van hoogteziekte, maar gelukkig kan je overal cocablaadjes kopen. Als je daarop kauwt, heb je er minder of geen last van. Gewoon veel water drinken helpt overigens ook en levert je in tegenstelling tot cocablaadjes geen verdoofde tong op. J Onze laatste stop is Purmamarca, ook weer een typisch Andes-dorpje, mooi gelegen tussen de rood-bruine bergen, die vanwege hun kleurschakeringen de Cerros de Siete Colores worden genoemd. Aan het eind van de middag is het nog tweeënhalf uur terugrijden naar Salta. Onderweg krijgt onze minibus problemen met de remmen. Het laatste stuk rijden we daarom mee met een andere bus van dezelfde tour operator (die vol zit met Vlamingen). We sluiten de dag af met een biertje en empanadas bij hetzelfde tentje als gisteren. Het is een prachtige dag geweest.

Valle Calchaquiés en Cafayate

De volgende ochtend halen we in het centrum van Salta onze huurauto op: de Chevrolet Classic is een tweede generatie Opel Corsa en één van de populairste auto’s in Argentinië. We verlaten Salta in zuidelijke richting en nemen Ruta 68 richting Cafayate. Het is druilerig weer en het eerste stuk van de route is vrij saai. Het is erg stil op de weg en het valt me op dat ook de dorpjes waar we doorheen komen vrijwel uitgestorven zijn. Waar is iedereen? Na anderhalf uur rijden we de Valle Calchaquiés in. Vanaf hier is het landschap werkelijk schitterend. De rood-bruine rotsen doen denken aan het zuidwesten van de Verenigde Staten. Het prachtige landschap en de schitterende vergezichten zijn aanleiding om vaak te stoppen en foto’s te maken. Onderweg kom je langs twee indrukwekkende kloven: de Garganta del Diablo en het Anfiteatro, maar de hele route is erg mooi en absoluut een aanrader.

Rond een uur of twee komen we aan in Cafayate. Dit stadje, en de regio er omheen, is bekend om zijn wijn: onder meer Malbec en Chardonnay, maar ook minder bekende druiven als Tannat en vooral de lokale favoriet Torrontes. Van de vele wijnhuizen bezoeken we Bodega El Esteco, waar we een rondleiding krijgen en een proeverij doen. Cafayate zelf is maar klein en niet heel bijzonder, zo ontdekken we nadat we bij ons hotel hebben ingecheckt. Maar je hebt er wel prima terrasjes waar je van een fles Torrontes en empanadas kan genieten. Of je gaat bij Parilla El Rancho biefstuk eten met een fles Tannat erbij. Of allebei.

De volgende dag is een lange reisdag: van Cafayate naar La Rioja, bijna 500 kilometer rijden. Lange, rechte stukken weg door een veelal droog en kaal landschap van steen en rots, met hier en daar meer begroeiing, waaronder metershoge kaktussen. De enige afwisseling zit hem in de bergen op de achtergrond die soms wat verder weg en soms wat dichterbij zijn. Er valt hier maar weinig regen en de meeste rivieren zijn dan ook drooggevallen. Dit is een groot en dunbevolkt gebied, waar je een goed gevoel krijgt voor de enorme uitgestrektheid van Argentinië. Van noord naar zuid meet Argentinië 3.500 kilometer en met een oppervlakte van 2,8 miljoen vierkante kilometer is het in grootte het achtste land ter wereld. Het is erg rustig op de weg, ook vandaag komen we maar weinig auto’s tegen en ook in de dorpjes is het vrij stil. In die dorpjes is het overigens niet altijd duidelijk waar je naartoe moet, omdat richtingborden ontbreken en ook straatnaamborden zeldzaam zijn.

We zijn om half negen ’s ochtends vertrokken en om half vijf ’s middags zijn we in ons hotel in La Rioja, een oninteressant stadje dat voor ons niet meer dan een tussenstop is.

Talampaya en Mendoza

De volgende dag staan we vroeg op en rijden we in ongeveer twee uur van La Rioja naar Parque Nacional Talampaya. Dit park kan je alleen onder begeleiding in een minibusje bezoeken. Over de drooggevallen bedding van de Talampaya-rivier rijd je een vier kilometer lange kloof in, tussen de rood-bruine rotsen door. Kloof is het resultaat van miljoenen jaren aan geologische processen, die geresulteerd hebben in 150 meter hoge rotswanden die verticaal de hoogte in steken. Aan het begin van de kloof kan je rotstekeningen vinden, afbeeldingen die naar schatting meer dan tweeduizend jaar oud zijn. Ook kom je hier en daar dieren tegen, waaronder mara’s, een soort kruising van een haas en een cavia. Aan het eind van de kloof kom je bij een weidse vallei met geërodeerde rosten. Een erg fotogenieke plek.

Na ons bezoek aan Talampaya volgt een lange rit naar Mendoza. Dit is nog ongeveer 5,5 uur rijden, wederom door droog, woestijnachtig landschap, met lange, rechte wegen. Om zes uur ’s avonds komen we aan in Mendoza, de eerste wat grotere stad sinds Buenos Aires. Nadat ik even heb gedoucht, lopen we de stad in om te gaan eten. De lange rit heeft hongerig gemaakt, het is tijd voor biefstuk en een fles Malbec, dé wijn waar de regio Mendoza bekend om staat.

De volgende ochtend verkennen we Mendoza. We lopen langs het in Andalusische stijl betegelde Plaza España en diens grote broer Plaza Independencia en drinken koffie op een terrasje aan de autovrije (maar stille, want zondag) winkelstraat. Net als in Cafayate willen we ook in Mendoza een wijnhuis bezoeken, maar omdat het zondag is, zijn de meeste gesloten. Daarom rijden we aan het begin van de middag naar Maipu, even buiten Mendoza, waar Bodega Carinae wel open is. We krijgen een korte rondleiding door dit kleine familiebedrijf (eigendom van een Frans echtpaar) en uitleg over de wijnen die het huis produceert. De wijnranken van Carinae zijn tot wel negentig jaar oud (hoe ouder de ranken, hoe beter over het algemeen de druiven) en dat proeven we even later tijdens de proeverij. Heerlijke wijnen.

Aan het eind van de middag leveren we de huurauto weer in en hebben we even tijd om te relaxen, voordat we ’s avonds gaan eten. Ik lig net even op bed als ik ineens iets voel trillen. Alsof er een zware vrachtauto voorbij rijdt. Maar het trillen houdt aan en wordt heviger en het hele gebouw begint te schudden. Ik realiseer me: dit is een aardbeving! Na ongeveer een minuut houdt het schudden even onverwacht op als dat het begonnen is. Later blijkt dat het epicentrum van de beving bij San Juan lag, 150 kilometer van Mendoza. De beving had een kracht van 6.3 op de schaal van Richter, maar zat zo diep in de grond van het effect aan de oppervlakte meeviel. Er is geen schade en al helemaal geen paniek, we hebben alleen even met z’n allen staan schudden. Een héél vreemde ervaring!

Peninsula Valdés

Maandag is een reisdag. Omdat de luchthaven van Mendoza drie maanden dicht is vanwege de aanleg van een nieuwe landingsbaan, worden we met een gratis bus in 3,5 uur naar de luchthaven van San Luis gebracht. Vanaf daar vliegen we, met een overstap in Buenos Aires, naar Trelew. Vanaf daar hebben we een transfer naar ons hostel in Puerto Madryn, aan de Atlantische kust. Deze hele reis duurt van zeven uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds, dus eenmaal in het hostel is het tijd om te gaan slapen.

De volgende ochtend worden we na het ontbijt opgehaald voor een dagtrip naar het Reserva Faunística Peninsula Valdés. Dit 3.600 vierkante kilometer grote schiereiland, dat op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat,  is vooral bekend vanwege zijn fauna: je vindt hier onder andere guanaco’s (familie van de lama), nandu’s (familie van de struisvogel) zeeleeuwen, zeeolifanten en pinguïns. Tussen juni en december kan je in de Golfo Nuevo, aan de zuidkant van het schiereiland, bovendien walvissen zien. Het is mooi, zonnig weer als we in Puerto Pirámides aan boord gaan (voorzien van een zwemvest) om de walvissen op te zoeken. We hebben geluk en zien er meerdere, volgens de gids vrouwtjes met jongen. De enorme dieren (ze kunnen tot vijftien meter lang worden) zwemmen met de boot mee en komen heel dichtbij. Mooi om te zien.

Vervolgens rijden we naar het noorden van Peninsula Valdés. Net als het noordwesten is ook dit schiereiland een droog deel van Argentinië: er valt jaarlijks maar vijftien millimeter regen, wat resulteert in een dor, semi-woestijnachtig landschap. Bij Punta Norte verblijven kolonies zeeleeuwen en zeeolifanten. Vanaf een afstandje kan je zien hoe ze (ogenschijnlijk tamelijk lui) aan de kant van het water liggen. Nadat we bij Estancia San Lorenzo hebben geluncht, volgt wat mij betreft het hoogtepunt van de dag: het bezoek aan een kolonie Magelhaen-pinguïns. Deze kleine pinguïnsoort heb ik ook in Zuid-Afrika gezien, maar daar kan je ze alleen vanachter een hek bekijken. Hier op Peninsula Valdés kan je veel dichterbij komen en er gewoon tussendoor lopen. De mannetjes zijn op zee om voedsel te verzamelen, dus de aanwezige pinguïns zijn allemaal vrouwtjes. Het is broedseizoen en veel vrouwtjes hebben net jongen gekregen. Piepkleine pinguïnkuikens, sommige al donzig, andere nog maar net uit hun ei gekropen. Heel schattig. En de mamapinguïns vinden het prima dat wij ze komen bekijken.

De volgende dag doen we rustig aan. We wandelen een rondje door Puerto Madryn, lopen de pier af en ’s middags ga ik in de tuin van het hostel een tijdje zitten lezen. Aan het begin van de avond vertrekken we naar het busstation. We reizen vannacht per nachtbus naar Bariloche (officieel San Carlos de Bariloche). In Argentinië wordt veel gebruik gemaakt van langeafstandsbussen: het is goedkoper dan vliegen en Argentinië heeft nauwelijks een spoornet. In vijftien uur rijden we van Puerto Madryn van oost naar west dwars door Argentinië naar Bariloche. De bus is erg comfortabel: we hebben de meest luxe stoelen geboekt (‘cama ejecutivo’), die bijna helemaal plat kunnen. Het eten aan boord is maar matig, maar de rit zelf valt me niet tegen. Het lukt me zowaar om een paar uur redelijk goed te slapen. Tegen de tijd dat ik weer wakker ben en naar buiten kijk, zie ik bergen: we zijn weer terug bij de Andes. De laatste drie uur rijden we door een prachtig landschap met groene valleien en bergen met sneeuw op de toppen en de zon hoog aan een strakblauwe lucht.

Bariloche

Rond het middaguur (een uur later dan gepland) komen we aan in Bariloche, een klein stadje, prachtig gelegen aan het Nahuel Huapi-meer. Bariloche ligt middenin het Parque Nacional Nahuel Huapi, omgeven door bergtoppen van zo’n 2.000 meter en vanaf de boulevard (of wat daarvoor moet doorgaan) heb je een weids uitzicht over het meer en de achterliggende bergen. Nadat we een rondje door het stadje hebben gelopen, ga ik met een boek op het grasveldje bij het centrale plein liggen.

De volgende ochtend is het een graad of 22, met een beetje bewolking en niet teveel wind: prima fietsweer dus. J Met stadsbus 20 rijden we tot aan kilometerpaaltje 18.5. Vanaf daar is het nog maar een klein stukje lopen naar Bike Corillera, waar we twee mountain bikes hebben gereserveerd. Daarmee gaan we vandaag het Circuito Chico fietsen, een mooie route door Parque Nacional Nahuel Huapi. De route is ongeveer dertig kilometer lang en als de omgeving vlak zou zijn, zou je dat dus in anderhalf uur kunnen fietsen. Maar de omgeving is hier allesbehalve vlak en met de nodige fotostops en relaxmomenten tussendoor doen we er bijna de hele dag over. De weg bevat een paar flinke klimmetjes, waarbij je flink moet terugschakelen, maar de prachtige omgeving is de inspanning zeker waard.

Onderweg kom je langs tal van mooie baaitjes, zoals bij het luxe Lao Lao hotel, en een eindje verder, waar je een wandeling van ongeveer twintig minuten door het bos kan maken, waar na je bij de rand van Lago Moreno komt met uitzicht op de bergen. Een heerlijk rustige plek met rustig kabbelend water en geen andere bezoekers. Bij Bahia López ga ik tegen een boomstam even heerlijk in de zon liggen. Even relaxen en vervolgens weer flink op de pedalen. Na een gemeen klimmetje zijn m’n benen zo moe dat ik de steilste stukjes niet meer omhoog kom. Gelukkig ben ik niet de enige die daar last van heeft. J Al met al is het een prachtige dag, die we afsluiten met verse forel, één van de regionale visspecialiteiten.

El Chaltén

Op zaterdag verlaten we Bariloche en vliegen we naar El Calafate, in het zuiden van Argentinië. Vanaf daar rijden we in vier uur met de bus naar El Chaltén. De rit voert grotendeels (wederom) door een droog en kaal semi-woestijnachtig landschap, totdat in de verte de bergen van het Fitz Roy-massief in zicht komen. We zitten voorin de bus en hebben dus eersterangs uitzicht op de besneeuwde bergtoppen en die steeds dichterbij komen. Indrukwekkend.

El Chaltén is een klein dorpje met maar 1.600 inwoners. Dit is onze uitvalsbasis voor het noordelijke deel van het Parque Nacional Los Glaciaros. Het dorpje bestaat nog maar sinds 1985 en ligt aan de voet van het Fitz Roy-massief. Voor de volgende dag hebben we dan ook een lange bergwandeling op de planning staan. Diverse wandelroutes lopen vanaf het dorp de bergen in. Je kan je echter ook met een minibusje naar een punt ten noorden van El Chaltén laten brengen, op ongeveer een half uur rijden via een onverharde weg. Vanaf daar loopt een pad langs de Rio Blanco de bergen in. Het is prachtig zonnig weer en zo’n 16 graden, heerlijk wandelweer dus. Op een gegeven moment verdwijnen de bergen een tijdje uit beeld en loop je een heel eind door het bos. Zo tussen de bomen lopend zou je bijna vergeten dat op een steenworp afstand gletsjers liggen. Maar tussen de bomen door kan je de eerste af en toe al zien liggen. De Glaciar Piedras Blancas laat zich een eindje verder helemaal zien. Prachtig! Een grote ijsmassa die als een dikke deken op de berghelling ligt. Beneden komt het smeltwater via een klein watervalletje in een lagune terecht. Heel mooi om te zien.

Het doel van deze wandeling is echter een nog veel mooiere gletsjer: de Glaciar Los Tres. Het grootste deel van de wandeling is goed te doen, tot de laatste kilometer. Nadat je een riviertje bent overgestoken, geeft een bord aan dat het laatste stuk naar de gletsjer (nog één kilometer dus) nog een uur in beslag neemt. Dat laatste stuk gaat namelijk steil omhoog, over rotsachtig terrein. Het is een zware klim en aan de andere wandelaars te merken, ben ik niet de enige die dat vindt. J Je moet voortdurend uitkijken dat je niet uitglijdt. De beloning aan het eind is de klim echter meer dan waard: eenmaal boven ontvouwt zich voor je een waanzinnig panorama: de Cerro Fitz Roy (3.400 meter), Poincenot (3.000 meter) en Saint Exupery (2.500 meter), de ‘drie’ in Los Tres, en de omliggende bergen vormen een enorm natuurlijk decor, met daarvoor twee enorme gletsjers en een al even groot gletsjermeer met helderblauw water. Wat een waanzinnig uitzicht! Hoewel je deze bergpieken overal in El Chaltén vanaf een afstand kan zien, zie je ze hier vlak voor je. Erg indrukwekkend.

Nadat ik uitgebreid van het uitzicht heb genoten (je kan eindeloos blijven kijken…) volgt de onvermijdelijke weg terug naar beneden. Naar beneden over die losliggende steentjes is nog meer uitkijken geblazen dan omhoog. Terug bij het vlakkere deel van de route, kan je een andere weg terug naar El Chaltén nemen. Deze loopt door de bossen en langs een weidse vallei. Onderweg steekt er een harde wind op en ervaar je hoe veranderlijk het weer hier kan zijn. Het eerste deel tot aan Los Tres was tien kilometer en de weg terug naar El Chaltén is dat ook. In totaal loop ik vandaag dus twintig kilometer. Ik heb niet zo heel veel ervaring met dergelijke afstanden en al helemaal niet in bergachtig terrein, maar de mooie omgeving helpt enorm. J Na zeven uur lopen kom ik bij het einde van de wandelroute. Vanaf daar loop ik terug naar het dorp, verlangend naar een verfrissende douche.

Nadat ik het stof en zweet heb afgespoeld, loop ik naar La Vineria, een leuk klein tentje met een hele wand vol met Argentijnse wijnen. Ik kies voor een overheerlijke Torrontes, die heb ik wel verdiend na deze intensieve, maar prachtige dag. Als je aan het (bijna) eind van de wereld zit, verwacht je geen culinaire hoogstandjes, maar de empanadas die ik bij de wijn bestel, zijn de lekkerste die ik de hele reis heb geproefd. Of zou de fysieke inspanning van vandaag mijn smaakpapillen wakker hebben gemaakt?

Na een dag fysieke inspanning staat de volgende dag een relaxte excursie naar de Glaciar Viedma op het programma. Deze veertig meter brede gletsjer mondt uit in Lago Viedma, een groot meer ten zuiden van El Chaltén. Met de bus is het twintig minuten rijden en vervolgens gaan we aan boord van een grote catamaran voor een 2,5 uur durende boottocht. Een heel relaxte excursie zal het echter niet worden: op het meer staat een ontzettend harde wind, die vanaf de bergen over de gletsjer waait. Hoe dichterbij de gletsjer we komen, des te harder de wind. De golfslag zorgt regelmatig voor een douche (zelfs op het bovendek) en je moet je aan de reling vasthouden om niet omver geblazen te worden. In de buurt van de gletsjers drijven overal ijsschotsen in het water. Grote witte brokken ijs, sommige helderblauw (zeker degene die zijn ‘omgekiept’ en waarvan de doorzichtige onderkant nu boven drijft). We varen tussen de ijsschotsen door op de gletsjer af, zo ver als we kunnen komen. Dat is voorzichtig navigeren voor de schipper, want je wilt niet als een soort Titanic eindigen. De gletsjer zelf is indrukwekkend, een brede muur van ijs die langs de bergwand omhoog loopt. En daarachter een dreigend donkere lucht.

Terug in El Chaltèn zijn de wijn en empanadas van La Vineria te lekker om niet nog een tweede avond van te genieten.

El Calafate

Het is alweer dinsdag als we El Chaltén verlaten en met de bus terug gaan naar El Calafate, aan de oever van het Lago Argentino, waar we om drie uur bij ons hostel aankomen. In El Calafate, dat de uitvalsbasis is voor het zuidelijke deel van het Parque Nacional Los Glaciares, draait alles om toerisme. De hoofdstraat Avenida Libertador is dan ook een aaneenschakeling van tour operators, restaurantjes en souvenirwinkeltjes. We lopen een rondje, halen lunch voor morgen en de avond breng ik met een boek in het hostel door.

Het hoogtepunt van het zuidelijke deel van het Parque Nacional Los Glaciares is de Glaciar Perito Moreno, op ongeveer een uur rijden ten westen van El Calafate. Deze enorme ijsmassa van zeventig meter hoog en zeventig kilometer lang is constant in beweging: iedere dag kruipt het ijs twee meter naar voren. Het is één van de weinige gletsjers in de wereld die (als gevolg van klimaatverandering) niet kleiner wordt. Op een aantal hoger gelegen uitkijkpunten kan je over de enorme ijsmassa kijken. Het ijs loopt door zo ver als je kan kijken. Op een boot vlak vóór de gletsjer ervaar je hoe imposant die zeventig meter hoge muur van ijs is. Af en toe vallen er grote en kleine stukken ijs van de voorkant van de gletsjer met veel lawaai in het water. Wat ik misschien nog wel het mooist vind, is het ongelooflijk heldere blauw in het ijs, dat ontstaat door het zonlicht en ook met de stand van de zon verandert. Het is bijna magisch en levert ontzettend mooie plaatjes op.

De derde manier om de Perito Moreno te ervaren is door een gletsjerwandeling te doen. Met crampons onder onze schoenen maken we een wandeling van anderhalf uur over het ijs. Ik heb nog niet eerder om een gletsjer gestaan, maar het is heel simpel. De crampons (metalen platen met scherpe punten die onder je schoenen worden gebonden) zorgen voor goede grip en de begeleiding is goed. Het is heel bijzonder om bovenop die witte massa te staan. De bovenkant van de gletsjer is heuvelachtig en oneffen, glooiend en met scherpe pieken, en overal zitten gaten en spleten en kleine poeltjes met smeltwater. Overal om je heen zie je niets anders dan ijs, en je medewandelaars, maar vooral ongelooflijk veel ijs. En je weet dat je maar een klein stukje ziet van een onmetelijk veel groter ijsveld. Indrukwekkend. Na afloop van de wandeling is het lunchtijd. We gaan op een rotspunt bij het water zitten met uitzicht op de gletsjer. Wat een lunchplek! J Samen met de Glaciar Los Tres is de Perito Moreno absoluut één van de hoogtepunten van deze reis.

De volgende dag gaan we mee met een dagtrip naar een ander deel van Los Glaciares: de Rios de Hielo, oftewel de rivieren van ijs. De enige manier om hier te komen is door samen met heel veel andere toeristen mee te gaan met een grote catamaran. De Brazo Norte, een aftakking van Lago Argentino, wordt Rio de Hielo genoemd vanwege de ijsschotsen die er drijven. Deze zijn afkomstig van de gletsjers die we vandaag bezoeken: de Glaciar Upsala en de Glaciar Spegazzini. Het is vandaag niet zo mooi weer: het is bewolkt, er valt af en toe regen en het waait hard. Ook hier weer veel drijvende ijsschotsen. Sommige zijn helderblauw, andere wit. De Glaciar Upsala zien we alleen vanaf grote afstand, want vanwege de ijsschotsen kunnen we niet dichterbij komen. De Glaciar Spegazzini is enorm groot. Ook hier een hoge muur van ijs met scherpe spitsen en daarachter een lange deken van ijs die hoog vanaf de bergen komt. Qua grootte is de Spegazzini net zo indrukwekkend als de Perito Moreno, al vond ik die laatste het mooiste. Vanaf de gletsjers is het ongeveer een uur terugvaren. Door de harde wind en de golven gaat de catamaran flink op en neer. In de loop van de middag zijn we terug in El Calafate en hebben we nog wat tijd om te relaxen.

Vrijdag is onze laatste dag in Argentinië. We gaan al vroeg naar de luchthaven van El Calafate (waar het op dat moment maar een paar graden boven nul is) voor de vlucht naar Buenos Aires (waar het op dat moment maar liefst dertig graden is). We zijn terug waar we deze reis zijn begonnen. We gaan nog een keer eten bij Nesnivel (het beste steakrestaurant van de reis) en daarna wandel ik nog een eindje door de stad: van San Telmo via Plaza de Mayo richting Retiro en daarna terug naar het hotel. Zaterdagochtend vertrekt onze vlucht terug naar Nederland, waar we op zondag zullen aankomen. Het is een prachtige reis geweest. We hebben hele veel gezien en gedaan: van wereldstad Buenos Aires tot de stoffige straatjes van Salta en Cafayate in het droge noordwesten, van de pinguïns en walvissen aan de Atlantische kust tot de bergen van de Andes bij Bariloche en uiteraard de waanzinnige gletsjers in het zuiden van Patagonië. Die opsomming laat meteen zien hoe ontzettend divers Argentinië is. Tel daar lekker eten en lekker wijnen bij op en je hebt een zeer geslaagde reis!