20 – 27 mei 2017

Catania en Taormina

Buona sera! Het is elf uur ’s avonds op zaterdagavond als in incheck bij mijn hotel in het centrum van Catania, aan de oostkust van Sicilië. Omdat ik zelf Sicilië en Sardinië nog wel eens door elkaar haal: Sicilië is het eiland dat ten zuiden van de ‘Italiaanse laars’ ligt. J Het is 26.000 vierkante kilometer groot en telt vijf miljoen inwoners. Sicilië kent een traditionele samenleving, vooral buiten de steden: zeer katholiek, patriarchaal en het familieleven staat centraal. Loyaliteit aan de familie gaat hier boven alles en Sicilianen zijn in de eerste plaats dat en daarna pas Italiaan. Het eiland kampt ook met een aantal hardnekkige problemen: de verwevenheid tussen politiek en georganiseerde misdaad als gevolg van de nog altijd zeer aanwezige maffia, een hoge werkloosheid en – een recenter probleem – de toevloed van asielzoeker die met bootjes de Middellandse zeer oversteken en op Sicilië terechtkomen.

Mijn eerste dag op Sicilië breng ik niet in Catania door, maar in Taormina. Dat zou ik eerst later deze week doen, maar komende vrijdag vindt in Taormina de G7-top plaats en daarom wordt het hele stadje vanaf maandag van de buitenwereld afgesloten. En dus wandel ik zondagochtend naar het busstation om naar Taormina te gaan. Dit oude stadje ligt op een uur rijden ten noorden van Catania, tegen een berghelling, met uitzicht over de Ionische zee. Hoewel Taormina vandaag nog toegankelijk is, zijn er al ontzettend veel militairen en politieagenten op straat. Letterlijk iedere straat, ieder plein en elke steeg wordt door zwaar bewapende militairen bewaakt. Terwijl de G7-top pas op vrijdag is…

Ik bezoek eerst het Teatro Greco, zoals de naam al aangeeft een oude Grieks theater, gebouwd in de derde eeuw van onze jaartelling. Op het theater in Syracuse na is het het grootste Griekse theater in Italië. Van het oude theater is niet zoveel meer over, alleen een deel van de tribune en een deel van de muur die het decor vormt. Hoewel het echte decor zich daarachter bevindt: het theater is namelijk gebouwd op een prachtige plek aan de kust, met uitzicht over zee en de vulkaan Etna. Die prachtige ligging trekt veel bezoekers naar Taormina, dat erg toeristisch is, een soort Volendam zonder de klederdracht. In een paar uur heb je de belangrijkste bezienswaardigheden van het stadje wel gezien: Corso Umberto I, de hoofstraat met vooral (soevenir)winkels en restaurantjes, Piazza IX Aprile, met weids uitzicht over zee, de klokkentoren uit eind twaalfde eeuw en Piazza del Duomo, met een bescheiden kathedraal uit de dertiende eeuw en een fontein die vier eeuwen later is gebouwd.

Ik neem de bus terug naar Catania en loop vanaf het busstation naar het oude centrum. Catania is ruim 2.700 jaar geleden gesticht en heette toen Katáne. Als gevolg van een uitbarsting van de vulkaan Etna werd de stad in 1669 verwoest en in 1693 volgde een zware aardbeving. Daarna is Catania opnieuw opgebouwd en de historische gebouwen die je nu in het centrum van Catania aantreft, dateren dus uit eind zeventiende eeuw. Ik ga lunchen op het terras van een restaurantje in de Via Coppola en bestel de lokale specialiteit: Pasta alla Norma. Vervolgens loop ik via de Via Etna, de belangrijkste winkelstraat van Catania, naar de Giardino Bellini. In dit park ben je even weg van het drukke verkeer en kan je heerlijk relaxen. Eind van de middag zoek ik een plekje op het terras van wijnbar Razmataz, onder de bomen op kruipafstand van mijn hotel, een perfecte plek om een paar uur door te brengen met een boek en een goed glas wijn. Of twee…

De volgende ochtend breng ik nog in Catania door. Ik wandel door de Via Crociferi, een rustige straat vol stadspaleizen en kerken, via de Arco de San Benedetto naar de Piazza dell’Universita, een plein met aan weerszijden monumentale stadspaleizen: Palazzo dell’Universita en Palazzo Sangiulano. Catania is een drukke, levendige stad. Op veel plekken word je omgeven door toeterende auto’s, scooters die zich door de smalle straatjes begeven en het lawaai van bouwwerkzaamheden. Het is dan ook fijn om af en toe even een rustig zijstraatje in te lopen.

Het bekendste en drukst bezochte plein van Catania is Piazza del Duomo, dat op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat. De kathedraal aan de ene kant, stadspaleizen aan de andere drie zijden en de Fontana dell’Elefanti (een achttiende eeuwse fontein met het beeld van een olifant met een obelisk op zijn rug) in het midden. Via een hoek van het plein kom je bij La Pescheria, waar iedere doordeweekse ochtend een vismarkt plaatsvindt. Als je op de geur afgaat, kan je de markt niet missen. Tot slot loop ik nog langs het Castello Ursino. De vesting werd in de dertiende eeuw aan de kust gebouwd om Sicilië te beschermen voor aanvallen vanaf zee, maar door de lavastromen die Catania bedolven na een uitbarsting van de Etna wordt Castello Ursino nu door land omgeven.

Syracuse

Na een pizza als lunch neem ik om twee uur ’s middags de bus naar Syracuse, waar ik om iets voor vier uur aankom. Syracuse bestaat uit twee delen: het nieuwe deel van de stad op het ‘vasteland’ (een beetje rare aanduiding aangezien Sicilië een eiland is…) en Ortyga, de oude stad, dat op een schiereiland ligt. Ik ga morgen Ortyga bekijken, maar ik wandel aan het eind van de middag wel even over de brug naar het noordelijke deel van de oude stad om op een terras een wijntje te drinken.

De Grieken vestigden zich in Ortyga rond 700 voor onze jaartelling, maar het huidige Ortyga dateert uit de Middeleeuwen. Het is een wirwar van smalle straatjes met oude gevels met balkonnetjes en stadspaleizen en pleinen met terrasjes. Ik wandel langs de boulevard aan de westkant van het schiereiland, met uitzicht op de Ionische zee, en waar het ’s ochtends nog heerlijk rustig is. Hier bevindt zich ook de Fontana Aretusa, die al in de oudheid een bron van water voor de stad was. Op de zuidpunt van Ortyga staat Castello Maniace, een verdedigingswerk uit de dertiende eeuw. Ik loop door de verlaten gewelven en over de metersdikke vestingmuren.

Via smalle straatjes kom ik bij Piazza del Duomo, het centrale plein van Syracuse. Het is een fraai, langwerpig plein, omringd door grote stadspaleizen en natuurlijk de kathedraal. Op deze plek bevond zich in de oudheid een Griekse acropolis en de kathedraal is gebouwd op de overblijfselen van een oude Griekse tempel. Het enige dat daar nog aan herinnert zijn een aantal oude Dorische zuilen die nu zijn verwerkt in de zijgevel van de kathedraal. Ik loop verder door de Via Cavour, een levendige straat met veel winkels en restaurants, langs Piazza Archimede, met de Fontana di Artemide, en de Via della Maestranza naar de oostkant van Ortyga. Het water is hier nooit ver weg – altijd fijn. Hoewel Syracuse ook wel toeristisch is, vind ik het een mooiere en relaxtere stad dan Catania.

Na de lunch, op de binnenplaats van een van de vele restaurantjes, zoek ik aan de boulevard waar ik vanochtend overheen ben gewandeld een bankje onder de bomen op. Hier ga ik een tijdje relaxen, met een boek en de loungemuziek van de naastgelegen bar op de achtergrond. Eind van de middag haal ik de huurauto op die ik voor de komende drie dagen heb gehuurd. De kleinste huurauto die ik ooit heb gehad: een Smart.

Etna en Stromboli

In die Smart rijd ik de volgende ochtend over de autostrada naar het noorden. De maximumsnelheid is hier 130 km/u, wat ik vrij hard vind voor een tweebaans snelweg in niet al te beste staat. Bij Catania verlaat ik de snelweg en rijd ik – geholpen door de navigatie op mijn smartphone, anders zou ik onherroepelijk verdwalen – door kleine dorpjes met smalle straatjes naar de vulkaan Etna. In die dorpjes ben ik blij dat mijn huurauto zo klein is… De laatste twaalf kilometer zijn er geen dorpjes en vrijwel geen verkeer meer, alleen de helling van de vulkaan, met zijn door de lava zwartgekleurde grond. Ik zigzag naar boven en kom om precies negen uur aan bij de kabelbaan, waarmee je het eerste deel van de Etna op kan.

De Etna is 3.329 meter hoog en daarmee is het de grootste actieve vulkaan van Europa. De vulkaan barst met enige regelmaat uit – een paar maanden geleden voor het laatst. De kabelbaan begint op 1.923 meter hoogte en brengt je in een paar minuten naar 2.500 meter. Vanaf daar kan je met een soort 4×4 minibusjes verder, maar ik kies ervoor om te gaan lopen. Het is een behoorlijke pittige wandeling (en houd er rekening mee dat het op deze hoogte een stuk kouder is). Op papier is het maar twee kilometer, maar die lopen wel omhoog en sommige stukken zijn behoorlijk steil. Ik doe er een uur over. De mensen die het busje hebben genomen, zijn er een stuk sneller, maar door te gaan lopen ervaar je de vulkaan wel meer.

De Etna beslaat een gebied van ruim 1.500 vierkante kilometer en heeft meerdere toppen en kraters. De hoogste twee toppen zijn de Zuid-oost-krater en de Bocca Nuova. In totaal zijn er vier grote kraters en een aantal kleinere. En dat alles temidden van een uitgestrekt zwart, maanachtig landschap. Hier en daar komt stoom uit kleine gaten in de grond en als je je hand daar op de grond legt, voel je dat het warm is. Het doet je beseffen dat diep onder je voeten gloeiend hete lava kolkt en de druk langzaam stijgt, totdat een nieuwe uitbarsting  van niet te onderschatten natuurgeweld volgt. De bijzondere omgeving, maar vooral ook dat besef maakt de Etna een indrukwekkende plek om te zijn.

Na een rondje gelopen te hebben, begin ik aan de wandeling terug naar beneden. Tegen twaalf uur ben ik terug bij mijn auto. Ik rijd aan de oostkant de Etna af, richting de kust en vervolgens via de autostrada richting Messina. Hier, aan de noordkant van Sicilië, kan je het vasteland van Italië zien liggen. Vervolgens rijd ik een klein stukje langs de noordkust van het eiland naar Milazzo. Hier slaap ik één nacht om morgenochtend de boot naar Stromboli te nemen. De auto kan naast het hotel blijven staan totdat ik terug ben. Nadat ik ben ingecheckt en het zweet en stof van me af heb gedoucht, loop ik het stadje in. Milazzo is een havenstadje en de uitvalsbasis voor de Eolische eilanden ten noorden van Sicilië. Het stadje is niet heel bijzonder, maar ik vind het toch heel aardig, met een mooie boulevard aan de westkant, een strand aan de oostkant en een aantal prima restaurants. Bij één daarvan eet ik een uitstekende pizza, het glas wijn dat ik erbij bestel is zo groot dat het er eigenlijk twee zijn.

Donderdagochtend sta ik vroeg op. Na op het dakterras te hebben ontbeten (beter kan de dag niet beginnen), vertrek ik om half acht met de hydrofoil naar Stromboli. Een hydrofoil is een soort boot op ski’s, die sneller is dan een klassieke veerboot. We doen onderweg bijna alle Eolische eilanden aan: Lipari, Vulcano, Salina, Panarea, en na 3,5 uur komen we aan bij Stromboli. Het vulkaaneiland ziet eruit zoals je een vulkaan zou tekenen: een bijna perfecte konische berg die 924 meter hoog uit de Thyreense zee oprijst. Ik check in bij mijn hotel voor vannacht en ga daarna lunchen bij de pizzeria op het plein bij de kerk. Vanaf het terras heb je een weids uitzicht over de Thyreense zee. Het dorp Stromboli, aan de noordkant van het gelijknamige eiland, bestaat voornamelijk uit wit gepleisterde huizen aan smalle straatjes. Er rijden geen auto’s op het eiland, alleen een soort golfkarretjes die als taxi fungeren en een soort kruising tussen en brommer en een pickup. Aan de noordkant van het dorp kom ik bij een strandje, dat uit zwart lavazand bestaat. Er is een vervallen pier en een stukje uit de kust bevindt zich een klein rotseiland met een vuurtoren.

De Stromboli is een actieve vulkaan –ongeveer iedere twintig minuten vindt er een kleine uitbarsting plaats. er zijn twee manieren om dit natuurspektakel van dichtbij te bekijken: door in 2,5 uur via de zuidoostflank van de vulkaan naar een uitzichtpunt op 924 meter te lopen, of in ruim een uur via de noordwestflank naar een uitzichtpunt met de naam Sciara del Fuoco, op 400 meter hoogte. Ik kies voor die laatste. Halverwege de wandeling kom je langs een restaurant met een groot terras met uitzicht op de vulkaan. Nadat ik hier wat heb gegeten, ben ik klaar voor de klim. Het wandelpad zigzagt naar boven. Het eerste stuk loopt licht omhoog, vervolgens wordt het pad zowel steiler als steeds smaller. Uiteindelijk bestaat het pad alleen nog uit lavazand en losliggende stenen en met name het laatste stuk gaat behoorlijk steil omhoog. Eenmaal boven aangekomen is het uitzicht adembenemend. Rechts uitzicht over zee, waar de zon langzaam onder gaat, recht voor je een enorm lavaveld, van de top van de helling van de vulkaan tot aan de zee, en links de top van de Stromboli, waar ongeveer iedere twintig minuten een eruptie plaatsvindt. Gloeiend hete lava en stenen worden de lucht in geslingerd, begeleid door een onheilspellend gegrom. Erg indrukwekkend.

Om kwart over acht is de zon onder gegaan en wordt het snel donker. In het schemerlicht begin ik aan de afdaling. Sommige stukken zijn dichtbegroeid en ik heb dan ook al snel mijn zaklamp nodig om te zien waar ik mijn voeten neerzet. Al snel is het helemaal donker en dan is een zaklamp helemaal onmisbaar. Na een kleine anderhalf uur lopen ben ik terug in het dorp. De volgende ochtend moet ik weer vroeg op om de boot van kwart over zeven te halen. Het dorp slaapt nog, maar bij de haven is al een koffiebar open. Net als elders in Italië vind je ook op Sicilië overal kleine koffiebarretjes, waar je op z’n Italiaans kan ontbijten: met een (dubbele) espresso en een met jam, chocola of pudding gevulde croissant. Ik bestel een croissant en een dubbele espresso om wakker te worden. De boot terug is iets sneller dan die op de heenweg, om tien uur ben ik terug in Milazzo. Mijn auto staat nog keurig naar het hotel geparkeerd.

Cefalú en Palermo

Via de autostrada rijd ik naar Cefalú en parkeer de auto langs een straat net buiten het centrum. Een verkeersbord waarschuwt dat geparkeerde auto’s weggesleept zullen worden, maar een oude dame die buiten op het terras van haar appartement zit, zegt desgevraagd dat het prima is dat ik mijn auto daar parkeer (“Si, bene!”J). Daar vertrouw ik dan maar op… Cefalú is een mooi, oud stadje, met smalle straatjes, pleinen met kerken uiteraard en een fraai strand, maar ook erg toeristisch. Het strand ligt vol met mensen en ook de terrassen zitten vol. Ik lunch op het terras van een restaurant, met uitzicht op het strand en daarna loop ik het oude stadje door.

Na mijn korte bezoek aan Cefalú rijd ik in een goed uur naar Palermo, mijn laatste bestemming tijdens deze week op Sicilië. De autostrada op Sicilië had ook ‘De weg van de duizend tunnels’ kunnen heten, ik heb het gevoel dat ik de helft van de tijd door tunnels rijd… Eenmaal in Palermo lever ik de auto weer in en loop ik naar de bed & breakfast die ik heb gereserveerd. Daar aangekomen blijkt dat er iets is misgegaan met de reservering. Uiteindelijk krijg ik een kamer aangeboden in een andere bed & breakfast van dezelfde eigenaar, bij Piazza Marina. Wat mij betreft prima. Piazza Marina is bovendien een uitstekende plek om rest van de middag op een terras door te brengen, met een glas wijn, een boek, mooi weer en relaxte muziek op de achtergrond.

Mijn laatste dag gebruik ik om Palermo te bekijken. Het is een stralende dag, de zon staat aan een strakblauwe lucht. Palermo is de grootste stad van Sicilië en telt ongeveer 800.000 inwoners. De stad ziet eruit alsof ze uit een ver verleden het heden is binnen gestruikeld. Het oude centrum herbergt talloze stadspaleizen uit de zeventiende en achttiende eeuw, smalle keienstraatjes die teruggaan tot de Middeleeuwen en pleinen met kerken en palmbomen. Sommige oude gebouwen verkeren in slechte staat, als gevolg van jarenlang geen of gebrekkig onderhoud, maar dat is een deel van de charme van Palermo. Het moderne leven met auto’s en smartphones en toeristen , restaurants, koffiebars en ijssalons, vind hier plaats met dit Middeleeuwse decor als achtergrond.

Het beste is om gewoon rond te lopen en de fraai architectuur te bewonderen. De belangrijkste bezienswaardigheden, maar ook de kleine stille straatjes zijn de moeite waard. ’s Ochtends is het nog rustig op straat, later op de dag wordt het een stuk drukker (het is zaterdag, iedereen is vrij en er zijn veel toeristen). Ik loop onder andere langs Piazza Pretoria, een door stadspaleizen omringd plein met een enorme fontein in het midden: de rijkelijk van beelden voorziene Fontana Pretoria uit de zestiende eeuw. Naast Piazza Pretoria ligt Piazza Bellini, met La Martorana, een ooit als moskee bedoelde kerk met Byzantijnse mozaïeken. Piazza Vigliena heeft als bijnaam Cuatro Canti en is misschien wel één van de mooiste kruispunten ter wereld. Op de vier hoeken van het kruispunt zorgen de hoge, rondlopende gevels van de zeventiende eeuwse palazzi, voorzien van beelden en fonteinen, ervoor dat de kruising de vorm van een cirkel heeft. Erg mooi.

De canolo (een typisch Italiaanse snack) die ik onderweg koop, is zo machtig is dat ik voorlopig geen lunch hoef. En dus loop ik verder en via smalle straatjes en de Ballaro-markt kom ik bij Piazza Independenza met het Palazzo dei Normanni. Dit gebouw is oorspronkelijk gebouwd in de negende eeuw, maar later danig verbouwd en is nu de zetel van het Siciliaanse parlement. Via de in Arabische stijl gebouwde stadspoort Porta Nuova loop ik de Corso Vittorio Emanuele af. Dit is één van de grote straten in het centrum van Palermo die op zaterdag worden afgezet voor autoverkeer, waardoor de weg vrij is voor voetgangers. Ik kom langs de Cattedrale di Palermo, een rare mix van bouwstijlen doordat de kathedraal in de loop der eeuwen is uitgebreid. De bouw begon in 1184, maar de boogpoorten dateren uit de vijftiende eeuw en de koepel uit de achttiende eeuw. Via via kom ik uiteindelijk bij Piazza Giuseppe Verdi, waar het Teatro Massimo staat, het grootste theater van Italië en het één-na-grootste van Europa.

Nadat ik nog een tijdje heb gerelaxt op Piazza Politeama, in wat de ‘nieuwe stad’ wordt genoemd, de wijk ten noorden van het oude centrum, is het aan het begin van de avond tijd om met de bus naar de luchthaven te gaan voor de vlucht terug naar Nederland. Ik heb bij lange na niet heel Sicilië gezien, maar een week op dit Italiaanse eiland is al zeer de moeite waard. Historische steden, indrukwekkende vulkanen, wijn en heerlijk eten maken het een relaxte bestemming, op nog geen drie uur vliegen vanaf Nederland.