21 oktober – 18 november 2017

Aotearoa

De Maori noemen het Aotearoa, wat ‘lange witte wolk’ betekent. Wij kennen het land als Nieuw-Zeeland, de naam die het te danken heeft aan een Nederlandse ontdekkingsreiziger. Abel Tasman was in 1642 op expeditie vanuit Indië, toen hij in de zuidelijke Pacific een groot eiland ontdekte. Nadat hij zijn schip voor de kust had stilgelegd, kwamen eilandbewoners (Maori) aangevaren om te kijken met wie ze te maken hadden. Tasman dacht echter dat hij aangevallen werd, er volgde een kort gevecht en daarna ging Tasman er vandoor. Nieuw-Zeeland heeft zijn naam dus te danken aan een Nederlander die er nooit een voet aan wal heeft gezet.

Nieuw-Zeeland bestaat uit het North Island (Te Ika a Maui in Maori) en het South Island (Te Waipounamu) en een aantal kleine eilandjes. Deze eilanden zijn miljoenen jaren geleden gevormd door het bewegen van de aardkorsten op de grens van de Pacifische en Aziatische platen. Vulkaanuitbarstingen hebben eilanden letterlijk vanuit de zee omhoog geduwd. Het resultaat zijn spectaculaire landschappen bergen, valleien, vulkanen, gletsjers, fjorden, bossen en geisers. Een keten van (merendeels niet meer actieve) vulkanen loopt over vrijwel de hele lengte van de twee eilanden. Deze maken deel uit van een veel groter vulkanisch gebied, genaamd de ‘Pacific Ring of Fire’, waar bijvoorbeeld ook Hawaii deel van uitmaakt.

Lange tijd waren de eilanden onbewoond. Omstreeks het jaar 1200 migreerden Maori, een Polynesisch volk, van andere eilandengroepen in de Pacific naar het huidige Nieuw-Zeeland. Ze kenden geen schrift (Maori is een uitsluitend gesproken taal) en hun geschiedenis en cultuur is dan ook mondeling overgeleverd. In 1769 arriveerde een expeditie onder leiding van James Cook in Nieuw-Zeeland. Het was het begin van een periode van vreedzame samenwerking tussen de Maori en de Europeanen, die wetenschappelijke expedities, walvisjagers en zendelingen naar de eilanden stuurden. De steeds nauwere samenwerking leidde in 1840 tot het Verdrag van Waitangi, dat de Maori volledige rechten als Britse staatsburgers bood, maar het bestuur van het land in handen van de Britten legde. De Engelse vertaling van het verdrag verschilde echter van de Maori-versie, waardoor het voor de Maori niet duidelijk was dat zij hun land dreigden kwijt te raken. In de daarop volgende decennia nam de bevolking enorm toe; met name vanuit het Verenigd Koninkrijk, Schotland en Ierland migreerden mensen naar Nieuw-Zeeland. Dit leidde tot talloze gewapende conflicten tussen Europeanen en Maori. Uiteindelijk zouden de Europeanen aan het langste eind trekken: in 1916 hadden de Britten het hele land in handen en was de zelfstandigheid van de Maori ten einde.

Vanuit Nederland gezien ligt Nieuw-Zeeland letterlijk aan de andere kant van de wereld. Het is onze ‘antipode’: prik een gaatje dwars door het midden van de aarde en je komt vlakbij Nieuw-Zeeland uit. Verder weg van huis kan niet. Het is dan ook lang vliegen om er te komen: in mijn geval eerst veertien uur naar Singapore en daarna nog eens tien uur naar Auckland. Daar moet je ‘even’ doorheen, maar je krijgt er dan ook wel wat voor terug.

Nieuw-Zeeland heeft een oppervlakte van ongeveer 275.000 vierkante kilometer en is daarmee iets groter dan het Verenigd Koninkrijk en iets kleiner dan Noorwegen. Het land telt slechts 4,6 miljoen inwoners (die ‘kiwi’s’ worden genoemd), waarvan 65% van Europese afkomst is en 15% tot de Maori behoort. De meeste mensen (63%) wonen op het kleinere noordereiland, het zuidereiland (20%) is veel dunner bevolkt. Maar liefst een derde van het land is beschermd natuurgebied.

Auckland

Ik begin mijn reis in Auckland, gelegen op het noordereiland. Auckland is de grootste stad van Nieuw-Zeeland (maar niet de hoofdstad, dat is Wellington). Maar liefst een derde van de bevolking van Nieuw-Zeeland woont in Auckland.

Mijn aankomst in Auckland verloopt erg soepel. Nieuw-Zeeland is erg streng in wat het land in mag: je mag niets dierlijks of plantaardigs en geen eten (ook niet verpakt) bij je hebben. Als je outdoor-spullen bij je hebt die recent zijn gebruikt, worden die gecontroleerd en indien nodig schoongemaakt. Op die manier houdt het land ziektes buiten de deur. Maar ondanks deze strenge eisen mag ik – nadat er snel een blik op mijn wandelschoenen is geworpen – zo doorlopen; in twintig minuten sta ik buiten. De Skybus brengt me vervolgens in een half uur naar het centrum van de stad. Het is één uur ‘s nachts lokale tijd als ik na de lange reis in mijn hostel in bed duik.

De volgende ochtend is het – geheel volgens de weersverwachting – bewolkt en licht regenachtig. Net als Nederland heeft Nieuw-Zeeland een zeeklimaat en het weer is hier net zo wisselvallig als thuis. Het is Labour Day en dus een vrije dag voor de kiwi’s. Ik begin de dag met koffie, op een steenworp afstand van mijn hostel. Nieuw-Zeelanders zijn koffieliefhebbers, dus je kan hier overal goede koffie krijgen. Mijn eerste stop is het Auckland Museum, niet alleen een geschikte plek gezien het weer, maar ook een toepasselijke plek om mijn reis te beginnen. De Maori-vleugel van het museum is echt een aanrader en een perfecte introductie tot de Maori-cultuur van Nieuw-Zeeland.

Eén van de topstukken van het museum is de Ta Toki a Tapiri, een 25 meter lange kano, in 1836 gemaakt uit één grote stam van de Kauri-boom. De kano, die rijkelijk van houtsnijwerk is voorzien, biedt plaats aan maar liefst honderd krijgers. De Maori waren en zijn meesters in houtsnijwerk. Huizen, kano’s, wapens, alles wordt van houtsnijwerk voorzien, niet alleen ter decoratie, maar ook verwijzend naar – en ter ere van – voorouders. Voor Maori draait namelijk alles om familie en afkomst. Het hele sociale leven wordt door bloedverwantschap bepaald. De Maori beschouwen de aarde (Papatuanuka, de moeder) en de lucht (Ranginui, de vader) als de voorouders waaruit de mens is voortgekomen. Vanwege die verbondenheid moeten we volgens de Maori met respect omgaan met de wereld waarin we leven. Ook is er aandacht voor Ta Moko, de tatoeerkunst van de Maori. De lijnen waarmee de Maori hun gezichten en ledematen tekenen, verwijzen naar de aardbevingen en vulkanen die lijnen, ‘littekens’, in het landschap aanbrengen. Al van oudsher brengen de Maori met primitieve instrumenten lijnen aan in groeven in hun huid, wat er niet alleen sierlijk, maar soms ook ronduit indrukwekkend uitziet.

Nadat ik de indrukwekkende collectie van het erg mooie Auckland Museum heb bekeken, loop ik van het Auckland Domain, het grote stadspark waar het museum is gevestigd, naar de Auckland Art Gallery, een gratis toegankelijk museum met zowel oude als moderne kunst en een vleugel die gewijd is aan hedendaagse Maori-kunst. Naast de Auckland Art Gallery ligt Albert Park, een heerlijke plek om met mooi weer te relaxen (de zon is inmiddels doorgebroken), en daarnaast de universiteitscampus, met onder andere het Old Government House uit 1865, de oorspronkelijke zetel van de Britse koloniale regering, en de opvallende University Clock Tower uit 1926. Via de drukke Queen Street en Aotea Square loop ik naar de wijk Ponsonby, waar veel restaurants en cafés zitten. Dat klinkt gezellig, maar valt een beetje tegen. Er zijn maar weinig mensen, misschien omdat het Labour Day is.

Mijn tweede dag in Auckland begint in High Street, waar iedere derde winkel een koffiebar is. Auckland is een prettige stad om te zijn, er hangt een relaxte sfeer, maar het is geen mooie stad. Het centrum (CDB – Central Business District) staat vol met lelijke gebouwen. Als je goed kijkt, zie je hier en daar nog wel wat historische gebouwen. De stad bevindt zich bovenop een actief vulkanisch gebied. Doordat het landschap door vulkaanuitbarstingen is gevormd, is Auckland geen vlakke stad: alle straten lopen omhoog en omlaag. Niet zo gek dus dat je hier vrijwel niemand ziet fietsen… Aan het eind van Queen Street, de lange rechte straat die als een soort hoofdader door het centrum loopt, liggen de buurten Britomart en Wynyard Quarter, die grenzen aan het water van de Waitemata Harbour. Hier vind je pieren waar de veerboten vertrekken. Vroeger was dit commercieel havengebied, maar de afgelopen jaren zijn de wijken opgeknapt en veranderd in hippe buurten met winkels, restaurants en cafés en een wandelpromenade met uitzicht op het water. Bij Wynyard Quarter, waar ook de jachthaven is, heb je bovendien een prachtig uitzicht op de skyline van Auckland. Een mooie plek om te relaxen.

Aan het eind van de ochtend loop ik naar de Ferry Building en koop een kaartje voor de veerboot naar de wijk Devonport, aan de overkant van de baai. Niet dat ik nou zo graag naar Devonport wil, maar Auckland is zo met het water verbonden dat het water op wel een beetje een ‘must’ is als je hier bent. Devonport voelt aan als een dorp, met oude houten huizen en een wandelpromenade, de King Edward Promenade, met kleine strandjes. En vanaf de andere kant van de baai heb je een prachtig uitzicht op de skyline van Auckland, die wordt gedomineerd door de Skytower. Deze 328 meter hoge toren, het hoogste bouwwerk op het zuidelijk halfrond, steekt overal bovenuit. Een bezoek aan de Skytower is de moeite waard. In veertig seconden brengt de lift je naar de vijftigste verdieping, waar je een fantastisch 360 graden uitzicht over de stad hebt. Niet alleen rondom, maar op de glazen vloerpanelen ook loodrecht naar beneden. Griezelig…

Northland & The Bay of Islands

Na twee dagen Auckland haal ik op woensdagochtend mijn huurauto op. Dat wordt even goed opletten, want in Nieuw-Zeeland rijdt men links. Daar heb ik al de nodige ervaring mee (Ierland, Zuid-Afrika, Australië), maar ik het zal me toch een paar keer gebeuren dat ik aan de linkerkant van de auto wil instappen, terwijl het stuur toch echt rechts zit. Via Motorway 1 (één van de weinige stukken snelweg die ik zal tegenkomen) verlaat ik Auckland in noordelijke richting. Zodra je de stad uit bent, rijd je een landschap in met groene heuvels. Het doet een beetje denken aan Ierland, totdat je een bordje tegenkomt dat waarschuwt voor overstekende kiwi’s…

Ik neem niet de kortste weg naar Paihia, mijn bestemming van vandaag, maar rijd via Highway 12 (dat anders dan de naam doet vermoeden een tweebaans weg is) naar de Kauri Coast. Dit gebied was vroeger geheel begroeid met Kauri-bomen, die tot zestig meter hoog kunnen worden en een diameter van vijf meter kunnen bereiken. Bij het beschermde Waipouri Kauri Forest leidt een pad het bos in naar een aantal zeer grote en zeer oude kauri’s. De oudste, Tane Mahuta genaamd, is naar schatting 2.000 (!) jaar oud en daarmee de oudste nog levende kauri.

Ik kom er al snel achter dat de reistijd in Nieuw-Zeeland altijd langer is dan de routeplanner voorspelt. Er zijn vrijwel geen snelwegen (alleen rond de grote steden), maar tweebaanswegen waar je maximaal honderd kilometer per uur mag rijden, wat je vaak niet haalt omdat de wegen zich omhoog en omlaag door het heuvel- en bergachtige landschap slingeren. Rechte stukken weg zijn een zeldzaamheid en omdat de wegen maar tweebaans zijn, is rijden inspannend. Met enige regelmaat kom je een ‘one lane bridge’ tegen, bruggen met vreemd genoeg maar één rijbaan, waar telkens één kant voorrang heeft. Waarom ze die bruggen niet ook tweebaans maken, is me een raadsel…

Eind van de middag kom ik in Paihia aan en het is alsof ik een andere wereld binnenstap. Paihia is een klein dorpje, prachtig gelegen aan een baai met helderblauw water en een sikkelvormig strand. Het prachtige zonnige weer maakt het subtropische plaatje helemaal af. In het hostel heb ik ‘a room with a view’: ik kijk uit over de baai en hoef de straat maar over te steken en ik sta op het strand. Op mijn slippers wandel ik een eind over het strand en de boulevard van het dorp. Ik eindig de dag op een lounge-stoel op het terras van één van de restaurants aan het water.

De volgende ochtend meld ik me om half negen bij de pier voor een boottocht door de Bay of Islands. De Bay of Islands (Pewhairangi in Maori) is – zoals de naam al zegt – een grote baai met ongeveer 150 onbewoonde eilandjes, aan de noordkant van het noordereiland. Het plaatsje Russell, vlakbij Paihia, was in de achttiende eeuw de eerste permanente nederzetting van de Britten in Nieuw-Zeeland. Ik bemachtig een plekje op het bovendek, vanwaar je fantastisch uitzicht hebt. We varen langs verschillend eilanden en liggen een tijdje stil bij een school dolfijnen die het leuk vinden om rond de boot te zwemmen en hun gezicht te laten zien. Volgens de reisleider lopen familiebanden, vriendschappen en relaties bij dolfijnen door elkaar en hij beschrijft hun onderlinge verhouding dan ook als “friends with benefits”.

We varen helemaal tot aan het einde van de baai, naar het 148 meter hoge rotseiland Piercy Island (Motukokako in Maori), beter bekend als ‘Hole in the Rock’. Het fotogenieke rotseiland heeft een natuurlijke opening, waar onze boot – als er niet teveel deining is – nèt doorheen past. Er staat een stevige wind, die voor aardig wat golven zorgt, maar de schipper navigeert de boot toch voorzichtig onder de rots door. Volgens de Maori brengt het geluk als je onder de rots door vaart zonder een steen op je hoofd te krijgen. Het is het een prachtige boottocht, zeer de moeite waard.

Terug in Paihia breng ik een bezoek aan de Waitangi Treaty Grounds, net buiten Paihia aan de baai. De Bay of Islands is niet alleen een mooie omgeving, maar ook historisch belangrijk als de ‘geboorteplaats van Nieuw-Zeeland’. Op 6 februari 1840 werd hier het verdrag getekend tussen vertegenwoordigers van de Britse kroon en leiders van de Maori. Na langdurige discussie onderling zouden uiteindelijk ruim 500 Maori-leiders het verdrag ondertekenen. Het verdrag was zoals gezegd het begin van een hoop ellende voor de Maori. Wat nu het Treaty House heet, was destijds de Britse residentie. Er tegenover staat een Maori meeting house, dat in 1940 ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het verdrag is gebouwd. Op het grasveld voor het Treaty House staat een grote vlaggenmast met de vlag van de verenigde Maori’s, de Britse Union-vlag en de Nieuw-Zeelandse vlag.

Rotorua, Whakarewarewa en Wai-o-Tapu

Op vrijdagochtend verlaat ik Northland en daarmee ook het mooie weer. Vanaf Auckland tot aan Hamilton is de lucht egaal grijs en komt de regen met grote hoeveelheden naar beneden. Als ik in Rotorua aankom, miezert het gelukkig nog maar een beetje. Het is een lange rit van 6,5 uur en de rest van de middag doe ik dan ook niet veel meer. De volgende dag is het druilerig en maar 14 graden. Mijn slippers heb ik hier niet nodig… Met jas aan en paraplu op wandel ik naar Whakarewarewa, aan de zuidkant van Rotorua. Whakarewarewa is een ‘authentiek’ Maori-dorp waar Maori daadwerkelijk wonen en leven, maar tegelijkertijd is het natuurlijk gecommercialiseerd om toeristen te trekken. Maar een rondleiding door het dorp geeft toch een aardig beeld van hoe deze Maori vandaag de dag leven. De inwoners hebben zich weliswaar aangepast aan de moderne Nieuw-Zeelandse samenleving (ze hebben auto’s en airconditioning en televisie), maar ze houden tegelijkertijd hun tradities in stand.

Het bijzondere van Whakarewarewa is dat het zich bevindt in een geothermisch actief gebied, temidden van geisers, heetwaterbronnen en kokendhete modderpoelen. De aardkorst is hier heel dun en overal stijgt stoom op uit de bronnen en kieren in de grond. De Maori gebruiken de bronnen al honderden jaren om te koken en te baden. Eten wordt ingepakt bovenop een stomend gat in de grond letterlijk klaargestoomd. Hoewel de zwavellucht (die je overigens in heel Rotorua ruikt) anders doet vermoeden, zijn de heetwaterbronnen extreem schoon en kan je er groenten in koken. En de mineralen in het water schijnen nog goed voor je te zijn ook. Aan de rand van het dorp spuiten twee geisers ongeveer ieder uur kokendheet water de lucht in: de Pohutu-geiser en de Prince of Wales-geiser. Na de rondleiding volgt een half uur durende voorstelling van Te Pakiri, een Maori-dansgroep, die een aantal traditionele Maori-liedjes en natuurlijk de beroemde Haka (oorlogsdans) uitvoeren. Toeristisch, zeker, maar toch leuk om zo iets van de Maori-cultuur mee te krijgen.

Aan het uiterlijk totaal oninteressante en sfeerloze centrum van Rotorua zal ik verder maar geen woorden besteden. Op zondagochtend verlaat ik Rotorua en rijd ik naar Wai-o-Tapu, ongeveer twintig kilometer zuidelijker. Geothermische activiteit heeft hier geresulteerd in een gebied met diepe kraters, kokendhete poelen, borrelende heetwaterbronnen en stomende geisers. Overal om je heen stijgt hete stoom uit het aardoppervlak omhoog, opgewarmd door de magma onder de grond, en mineralen in de grond zorgen voor gele, groene en rode effecten, die de toch al bijzondere omgeving een buitenaards uiterlijk geven. Het mooist zijn de Champagne Pool met zijn oranje-rode kleur en Devil’s Bath, een krater gevuld met onwaarschijnlijk fel groen water. Het is allemaal niet zo groot en indrukwekkend als Yellowstone National Park in de Verenigde Staten, maar wel erg mooi om te zien.

Na Wai-o-Tapu rijd ik verder naar het zuiden, richting Taupo, dat aan een groot meer ligt (niet verrassend Lake Taupo geheten) dat is gevormd doordat een vulkaankrater na duizenden jaren van activiteit vol met water is gelopen. Vlakbij Taupo liggen ook de Huka Falls, waar de rivier Waikato met veel kracht door een nauwe kloof naar beneden stroomt.

Tongariro National Park

In de middag kom ik via Turangi bij de rand van Tongariro National Park. Dit is een groot bergachtig natuurgebied, midden op het centrale plateau van het noordereiland. Het hart van dit gebied wordt gevormd door drie vulkanen: de 2.797 meter hoge Ruapehu, de 2.287 meter hoge Ngauruhoe en de 1.967 meter hoge Tongariro (opvallend genoeg is het park vernoemd naar de kleinste van de drie vulkanen). Ook deze vulkanen zijn het gevolg van de verschuivende aardkorsten die Nieuw-Zeeland miljoenen jaren geleden letterlijk uit de zee omhoog hebben gedrukt, al zijn deze vulkanen later ontstaan, zo’n 300.000 jaar geleden. Nu staan ze op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Tot ver in de vorige eeuw waren deze vulkanen regelmatig actief en de Tongariro is zelfs in 2012 nog uitgebarsten.

Terwijl ik het gebied met groen begroeide bergen inrijd, regent het en dikke grijze wolken ontnemen het zich op de bergen. Ik maak een korte wandeling naar Rotopounamu Lake, aan de noordkant van het park. De wandeling loopt door het bos, licht omhoog naar het meer, dat er sereen (het is er doodstil), maar ook wat grauw bij ligt. In de loop van de middag kom ik aan bij mijn hostel, aan de doorgaande weg, in ‘the middle of nowhere’. Ik ben één van de weinige gasten.

Wanneer ik de volgende ochtend vroeg het nationale park inrijd, is het maar een graad of tien, maar wel zonnig. De dikke grijze wolken van gisteren zijn verdwenen en de vulkanen zijn nu wel zichtbaar. De met sneeuw bedekte top van de Ruapehu schittert in de zon, een ontzettend mooi plaatje. Even verderop zie ik de perfect konische vorm van de Ngauruhoe, een vulkaan zoals je een vulkaan zou tekenen. Wat een verschil met gisteren en wat een fantastisch uitzicht! Het is prima wandelweer en de wandeling naar de Taranaki Falls en Tama Lakes is prachtig. Je loopt over een goed begaanbaar pad en na een uur lopen kom je bij de Taranaki Falls, een mooie, twintig meter hoge waterval. Een eindje verderop kom je over een brug met een fantastisch uitzicht op de besneeuwde top van de Ruapehu, met de Taranaki-rivier op de voorgrond. Daarna is het nog een uur lopen naar de Tama Lakes. Het pad gaat omhoog en omlaag en sommige stukken zijn best pittig, maar over het geheel genomen is het goed te doen. De Tama Lakes zijn kratermeren, net als Lake Taupo volgelopen vulkaankraters. In totaal duurt de 15 kilometer lange wandeling vier uur. Een prachtige wandeling!

Wellington

Op dinsdagochtend sta ik al vroeg op en rijd in vier uur van Tongariro National Park naar Wellington. Ik lever de huurauto in, geef mijn bagage af bij mijn hostel en wandel de stad in. Het is prachtig zonnig weer. De hoofdstad van Nieuw-Zeeland heeft niet zoveel bezienswaardigheden, of het moet de ‘Beehive’ zijn, het in 1980 gebouwde deel van het parlementsgebouw, dat er, zoals de naam al doet vermoeden, uitziet als een bijenkorf. In grootte is Wellington de derde stad van Nieuw-Zeeland, na Auckland en Christchurch. De stad ligt een aan baai, Wellington Harbour, met een wandelpromenade die uitkomt bij het Te Papa Tongarewa Museum, het gratis toegankelijke nationale museum van Nieuw-Zeeland. Ik verken het deel over de Maori, maar het Auckland Museum sprak me meer aan.

Vanuit de haven van Wellington vertrokken in de vorige eeuw 100.000 Nieuw-Zeelandse soldaten om mee te vechten in de Eerste Wereldoorlog. Een enorm aantal, als je bedenkt dat Nieuw-Zeeland destijds maar een miljoen inwoners telde. 10% van de bevolking vocht dus mee – in een oorlog die niet eens de hunne was, aan de andere kant van de wereld, met name in Frankrijk en België. Ook in de Tweede Wereldoorlog vochten veel Nieuw-Zeelanders mee. Volgens mij een stukje geschiedenis dat niet zo bekend is, ik wist het in ieder geval niet.

Marlborough Sounds & Wine Region

De volgende ochtend steek ik de straat over naar de ferry terminal, waar om acht uur de veerboot naar het zuidereiland vertrekt. Of zoals ze op het zuidereiland zeggen: mainland. J In 3,5 uur varen we de Cook Strait over, een ontspannen vaartocht, op een ruime veerboot met zitjes, een bar en een dek om buiten van het uitzicht te genieten. Er staat een stevige wind, maar het water is kalm (de overtocht schijnt voor mensen met een zwakke maag nog wel eens heftig te kunnen zijn).

Wanneer we het zuidereiland naderen, begint het mooiste deel van de overtocht. De noordkant van het zuidereiland bestaat uit groen begroeide bergen en talloze ‘sounds’. Voor dat woord ken ik geen goede Nederlandse vertaling, ‘inham’ komt het dichtste bij. Een sound is een rivier of vallei die door het dalen van de bodem of het stijgen van de zeespiegel door de aangrenzende zee is ingenomen. Dit is dus wat anders dan een fjord, ook een ‘inham’, maar dan één die door een gletsjer is uitgesleten. Goed, aan de noordkant van het zuidereiland liggen dus de Marlborough Sounds. Via het Tory Channel varen we de Queen Charlotte Sound (Totaranui in Maori) in. Rondom dicht beboste heuvels die direct vanuit het water oprijzen. Een prachtige omgeving.

Rond het middaguur varen we de haven van Picton binnen. Picton is een klein dorp, waar alleen in het toeristenseizoen enig leven in zit. Het is nu voorjaar, dus nog niet zo druk, behalve dan dat er een schip van de Holland America Line in de haven ligt. Een jachthaven, wat restaurants, cafés en souvenirwinkeltjes, dat is het wel zo’n beetje. Mijn kamer in het hostel waar ik logeer is een soort cabin met een veranda ervoor. Een goede plek om te relaxen.

De volgende dag (donderdag) is het mooi wandelweer en dat komt goed uit, want ik ga een stuk langs de Queen Charlotte Sound lopen. Langs de jachthaven van Picton loop ik de Bob’s Bay Track op. Een smal, onverhard pad voert langs de beboste heuvels, met af en toe doorkijkjes op het water en de al net zo beboste heuvels aan de overkant. Bob’s Bay, waar je na een half uurtje lopen aankomt, is een klein baaitje met een al net zo klein strandje. Ik vervolg mijn wandeling over de Snout Track. De vergezichten over de Queen Charlotte Sound zijn schitterend. In ruim een uur loop je naar Queen Charlotte View, een hooggelegen punt, waar je een waanzinnig uitzicht hebt. Je kan er bijna de hele Queen Charlotte Sound afkijken. Nadat ik hier een half uurtje heb gezeten, begin ik aan de wandeling terug. In totaal ben ik ruim drie uur aan het lopen.

Op vrijdag ben ik alweer halverwege mijn reis door Nieuw-Zeeland. Ik heb voor vandaag een wine tasting tour geboekt door de Marlborough Wine Region. Ik blijk de enige te zijn en krijg dus een privétour. De Marlborough Wine Region beslaat grofweg de Wairauvlakte tussen de Wither Hills en de Richmond Ranges. Hier wordt driekwart van de Nieuw-Zeelandse wijn gemaakt. Nieuw-Zeeland is een jong wijnland: pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw werden hier de eerste wijngaarden aangelegd. Waren er toen zo’n negen pionierende wijnhuizen, vandaag de dag zijn er meer dan 150 (!) wijnhuizen in de Marlborough Wine Region. De zonnige dagen en koele nachten zorgen voor een perfect klimaat. Er wordt vooral veel sauvignon blanc en pinot noir verbouwd, maar ook pinot gris, riesling en chardonnay.

We bezoeken vijf wijnhuizen: Saint Clair, Whitehaven, Wairau River, Bladen en Framingham, allemaal kleine wijnhuizen, waar kwaliteit boven kwantiteit gaat en de benadering persoonlijker is. De wijnen worden hier met zorg en aandacht gemaakt en dat proef je. Overal krijg ik vijf wijnen te proeven, behalve bij Framingham, daar krijg ik er zeven. Het is hard werken voor mijn smaakpapillen. J De briljante (en prijswinnende) Whitehaven Greg Sauvignon Blanc 2017 is mijn favoriet van de dag. De pinot noirs bevestigen wat ik al dacht: ik ben geen pinot noir-fan. Al met al is het een leuke middag.

Abel Tasman National Park

Zaterdagochtend pak ik mijn spullen weer in en haal ik bij de haven van Picton een nieuwe huurauto op. Ik rijd via de Queen Charlotte Drive richting het westen. De weg slingert eerst nog langs het water  en later door bergachtig gebied richting het plaatsje Havelock en vervolgens naar Nelson, aan de Tasmanbaai. Ik neem de afslag naar Rabbit Island, een natuurgebied aan Tasmanbaai, een prachtige, rustige plek, aan het water, met bergen in de verte. Vanaf hier neem ik de Ruby Coast Scenic Route, de kustweg richting Motueka. Langs de Tasmanbaai, met kiezelstrandjes en uitzicht op azuurblauw water. Aan het begin van de middag kom ik aan in Motueka. Het dorp stelt niet zoveel voor, alles is geconcentreerd langs de doorgaande hoofdstraat. Veel cafétjes, wat restaurants en winkels. Ook hier is het te merken dat het nog vroeg in het seizoen is, er zijn nog weinig toeristen.

Motueka is de uitvalsbasis voor het Abel Tasman National Park, dat ik de volgende dag bezoek. Dit natuurgebied ligt aan de noordwestkant van het zuidereiland. Dichtbegroeide heuvels lopen hier tot aan de kust en steile kliffen rijzen op vanuit de azuurblauwe zee en idyllische baaitjes met stranden doen je denken dat je in de subtropen bent. Het is prachtig weer (zonnig en zo’n negentien graden) en dat komt goed uit, want ik ga hier veertien kilometer wandelen, van Torrent Bay naar Onetahuti Bay, een wandeling van vier uur. Abel Tasman Aqua Taxi brengt me ’s ochtends vanuit Marahau naar het beginpunt en komt me ’s middags bij het eindpunt weer ophalen. Maar voordat ik bij het beginpunt word afgezet, varen we eerst langs de Split Apple Rock, een enorme steen die eerst zo rond was als een voetbal, maar doordat er water in een scheur sijpelde dat vervolgens bevroor, is de steen in twee vrijwel gelijke helften gespleten. De Split Apple Rock ligt er erg fotogeniek bij. Ook zien we onderweg zeehonden.

De wandeling van Torrent Bay naar Onetahuti Bay is adembenemend mooi. Een gemakkelijk te volgen pad leidt over de dichtbegroeide heuvels, met telkens weer fantastische vergezichten en uitzicht op de idyllische baaitjes beneden. Het azuurblauwe water schittert in de zon, de strandjes liggen er verlaten (en uitnodigend) bij. Af en toe kom ik andere wandelaars tegen, maar verder is het er sereen stil (in het hoogseizoen is dit één van de drukst bezochte plekken van Nieuw-Zeeland). Het ene moment loop je door het bos, hoog boven de zee, het volgende moment sta je met je voeten in het zand aan een verlaten baai. Vlak voor Bark Bay steek je de Falls River over via een smalle hangbrug. Bark Bay is halverwege de wandeling en dus een mooi moment om op het strand te lunchen. Daarna is het nog twee uur lopen naar Onetahuti Bay. De wandeling is over het algemeen goed te doen, alleen de klim na Bark Bay is echt een stevige. Het is echt een supermooie wandeling en het hoogtepunt van de reis tot nu toe.

Westland Tai Poutini National Park

Maandag is een lange reisdag: in zes uur tijd rijd ik van Motueka naar Franz Josef Glacier, 460 kilometer zuidelijker. Ik vertrek daarom al vroeg. Het eerste uur gaat de weg door de prachtige Motueka River Valley. De weg slingert zich tussen de Tasman Mountains door en na drie uur rijden kom ik in de buurt van Westport bij de westkust van het zuidereiland. Vanaf daar loopt een spectaculaire kustweg verder naar het zuiden. De Tasman Sea is hier een stuk ruiger dan aan de noordkant van het eiland. Hoge golven met witte schuimkoppen beuken op de kust. De westkust van het zuidereiland wordt gedomineerd door de Southern Alps, de bergketen die in de lengterichting over het eiland loopt. Ter hoogte van Punakaiki heeft het samenspel van sedimentvorming en erosie door de golven gezorgd voor een spectaculaire rotskust. De rotsen zijn hier zo gelaagd dat ze op een stapel pannenkoeken lijken, vandaar de naam Pancake Rocks. Tussen de kalkstenen rotsen die de branding weten te weerstaan, gaat het water tekeer.

In de loop van de middag kom ik in Franz Josef Glacier aan, een klein dorp aan de rand van de Southern Alps. Franz Josef Glacier maakt (evenals het nabijgelegen Fox Glacier) deel uit van het Westland Tai Poutini National Park. Het is lekker weer en daar maak ik gebruik van door op een terras in het dorp te eten.

De volgende ochtend ga ik naar de Franz Josef gletsjer, net buiten het gelijknamige dorp. Vanaf de Sentinel Rock kan je de gletsjer zien liggen, maar veel mooier is het om de Glacier River Valley Walk te lopen, een anderhalf uur durende wandeling door de vallei waar de Waiho-rivier doorheen stroomt. Ooit was deze hele vallei door de gletsjer bedekt. 20.000 jaar geleden reikten de gletsjers nog tot aan de zee, maar veranderingen in het klimaat zijn ze nu veel kleiner. Als je de gletsjers in het zuiden van Argentinië hebt gezien, valt de gletsjer zelf een beetje tegen. De hoog op de bergen gelegen gletsjer haalt het niet bij de enorme ijsmassa’s in Patagonië (het grootste deel kan je waarschijnlijk alleen vanuit de lucht zien), maar de wandeling is absoluut een aanrader! Het is een werkelijk prachtige wandeling, over de rivierbedding (de rivier is nu niet zo breed), met op de achtergrond het voortdurende geruis van de rivier, maar vooral van de vele watervallen. Overal stroomt (smelt)water hoog van de rotsen naar beneden. Op een bepaald punt zie ik zelfs zeven watervallen om me heen. Echt heel mooi.

Het is maar goed dat ik de Glacier River Valley Walk ’s ochtends heb gedaan, want ’s middags slaat het weer om. Het begint hard te waaien en te regenen en dat zal het de hele middag, avond en nacht blijven doen. De volgende ochtend (woensdag) verlaat ik Franz Josef Glacier en rijd ik naar Lake Matheson, een mooi gelegen meer op een half uurtje rijden. Je kan hier een wandeling van anderhalf uur maken om het meer heen. Je loopt de meeste tijd door het bos, maar op een aantal plekken heb je uitzicht over het meer en – en daar is het om te doen – op de achtergrond de besneeuwde bergen van de Southern Alps die weerspiegelen in het water van het meer. Prachtig. Bij helder weer kan je vanaf hier zelfs Mount Cook zien, de hoogste berg van Nieuw-Zeeland, maar zo helder is het vandaag niet.

Mount Aspiring National Park

De weg richting Haast gaat afwisselend door bos, door valleien, langs grasland met koeien en schapen en stukken langs de kust. Daarna, vanaf Haast, volgt een lang stuk dat maar met één woord te beschrijven valt: adembenemend! De Haast Pass Highway (de weg die pas sinds 1965 bestaat, daarvoor was dit gebied onbereikbaar) gaat door het noordoostelijke deel van Mount Aspiring National Park. De tweebaansweg slingert zich door de dichtbegroeide vallei, langs de Haast River, tussen de met sneeuw bedekte bergtoppen door. Bij de Haast Pass, het hoogste punt van de route, loopt een wandelpad steil omhoog naar een uitkijkpunt, waar je een fantastisch uitzicht hebt op de bergen.

Na de bergen gaat de weg verder door de Makarora River Valley, een weidse vallei die zich ineens voor je opent. Op de valleibodem grazen koeien en schapen en aan beide zijden van de vallei, of beter gezegd overal om je heen, waar je ook kijkt, besneeuwde bergen. Na iedere bocht weer een nieuw panorama – en er zijn veel bochten. J Het is ongelooflijk mooi en het gaat maar door, kilometer na kilometer. En na de Makaroka River Valley ben je er nog niet, want dan kom je bij Lake Wanaka, een enorm groot meer met ook hier de bergen als decor. Hetzelfde geldt voor het iets verderop gelegen Lake Hawea. Het is zo’n indrukwekkende, weidse, mooie omgeving, het zijn zoveel mooie plaatjes… Na deze lange, maar prachtige rit kom ik eind van de middag in Wanaka aan. Dit dorp is werkelijk prachtig gelegen aan de zuidkant van Lake Wanaka, met de witte bergtoppen aan de overkant van het meer. Ja, ook hier. Wat een plek.

Na dagenlang de mooiste landschappen voorbij te hebben zien trekken, van Abel Tasman tot Westland Tai Poutini tot Mount Aspiring, merk ik dat ik zo langzamerhand een ‘impression overload’ begin te krijgen. Je kan ook teveel indrukken te verwerken hebben, het kan ook té overweldigend, teveel adembenemend zijn… De volgende dag besluit ik daarom een rustdag in te lasten. Ik ben twee volle dagen in Wanaka en de eerste doe ik helemaal niets. Even geen nieuwe indrukken. Een beetje koffie drinken, langs de winkels in het dorp wandelen en boodschappen doen, meer doe ik niet en dat bevalt goed.

De volgende ochtend maak ik me klaar om te gaan wandelen in Mount Aspiring National Park. De weg naar de Rob Roy Glacier Track is deels onverhard en met een normale huurauto eigenlijk niet verantwoord om te rijden, dus heb ik een plekje in een shuttlebus geregeld. Dat scheelt me ook een uur heen en een uur terug rijden. Om tien uur begin ik bij Raspberry Flat Car Park aan de wandeling. Het is prachtig weer en een graad of tien (maar in de zon warmer) en dus perfect wandelweer. De Rob Roy Glacier Track is tien kilometer (heen en terug) en overbrugt een hoogteverschil van vierhonderd meter. Het pad loopt eerst een stukje langs de Matukituki-rivier, over een hangbrug en vervolgens langzaam maar zeker omhoog, door het bos de bergen in. Sommige stukken zijn behoorlijk steil en het is dan ook best een pittige wandeling. Het pad loopt door een smalle kloof, langs de Rob Roy Stream tot het eerste uitkijkpunt. Hoog op de bergen ligt de Rob Roy Glacier. Geen lange rivier van ijs zoals je wel ziet, maar een dik pak ijs bovenop een berghelling. Eigenlijk zie je vandaag de dag alleen het restant van wat ooit een enorme ijsmassa moet zijn geweest. Vanaf het eerste uitkijkpunt is het nog een half uur lopen naar het tweede punt. Hier ben je nog wat dichter bij de gletsjer en heb je zicht op de weidse vallei die zich aan het eind van de kloof bevindt. Het is een erg mooie plek en een mooie beloning na de twee uur durende klim omhoog. De wandeling naar beneden gaat wat sneller dan omhoog en eind van de middag ben ik weer terug in Wanaka.

Fiordland National Park

Op zaterdagochtend verlaat ik Wanaka en rijd ik in ongeveer drie uur naar Te Anau, een klein dorpje aan de zuidkant van Lake Te Anau, het grootste meer van Nieuw-Zeeland en uitvalsbasis voor Fiordland National Park. Hier stop ik voor koffie en om boodschappen te doen voor de komende dagen, want ik logeer de komende drie nachten in Te Anau Downs, aan de noordkant van het meer, en daar is niets. Ook gooi ik de benzinetank vol, want na Te Anau zitten ook geen benzinestations meer. In de lodge waar ik logeer heb ik een kamer met uitzicht op het meer en de bergen van Fiordland National Park op de achtergrond. Met recht ‘a room with a view’!

Fiordland National Park is het grootste nationale park van Nieuw-Zeeland, een gebied met dichtbeboste bergen en door gletsjers uitgesleten fjorden dat op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat. Dwars door het park loopt de 119 kilometer lange Te Anau – Milford Highway, door bossen en valleien, langs meren en bergen en met diverse uitkijkpunten en wandelroutes. Op mijn eerste dag in Fiordland National Park rijd ik naar één van die wandelroutes, op drie kwartier rijden van Te Anau Downs. Bij The Divide loopt een pad de berg op, door bos en uiteindelijk naar Key Summit. Het is een wandeling van acht kilometer, waarbij je een hoogteverschil van 425 meter overbrugt. Boven heb je een mooi uitzicht op de omliggende bergen. Dit is een alpine moerasgebied: drassige grond, allerlei mossoorten en kleine poeltjes die zijn achtergelaten door de gletsjers die hier vroeger waren.

Op weg terug naar beneden zitten in het bos twee kaka’s vlakbij het pad. De kaka is één van de weinig papegaaiensoorten die in alpine gebied leven. Ze zijn niet erg onder de indruk van mijn aanwezigheid. Mooi. Over vogels gesproken: Oorspronkelijk waren er geen landzoogdieren in Nieuw-Zeeland. Alleen diverse vogels, niet-vliegende vogelsoorten zoals de kiwi en struisvogelachtigen, en zeedieren. Beren, leeuwen, slangen en andere wilde dieren vind je hier allemaal niet. Wat er tegenwoordig aan zoogdieren in Nieuw-Zeeland te vinden is, is allemaal door de Europeanen hier mee naartoe genomen. En dat zijn met name koeien en vooral héél veel schapen.

Ik ben twee dagen in Fiordland National Park en die twee dagen tonen hoe wisselvallig het hier kan zijn: op zondag is het geheel bewolkt en maar tien graden, de dag erna is de lucht strakblauw en is het een aangename 21 graden…

De Te Anau – Milford Highway wordt vanaf The Divide alleen maar spectaculairder. Indrukwekkende massieve bergwanden torenen hoog uit boven de door gletsjers uitgesleten valleien. Smeltwater van de sneeuw op de bergtoppen zorgt voor ontelbare kleine watervallen langs de steile hellingen. De weg slingert door dit onherbergzame landschap en biedt telkens weer nieuwe, spectaculaire panorama’s. een indrukwekkende route, die met recht één van de mooiste wegen ter wereld wordt genoemd. Het eindpunt van de weg is Milford, het vertrekpunt voor boottochten door de Milford Sound (Piopiotahi in Maori). Eigenlijk klopt de naam ‘sound’ in dit geval niet, want wat je hier treft zijn fjorden. De fjorden hebben ooit abusievelijk namen gekregen met het woord ‘sound’ erin en dat heeft men maar zo gelaten (de naam van het nationale park is daarom wel bewust Fiordland).

De door drie verschillende gletsjers uitgesleten Milford Sound is één van de meest bezochte plekken van Nieuw-Zeeland en het wemelt er dan ook van de toeristen (zelfs nu in het voorseizoen). Het hele fjord is omgeven door steile kliffen. Het begin van het fjord (of het eind, het is maar hoe je het bekijkt) wordt gedomineerd door de Mitre Peak, een bijna perfect driehoekige berg die bijna 1.700 meter boven het wateroppervlak uitsteekt. Het is een prachtige boottocht. Onderweg worden we verrast door dolfijnen en zien we zeehonden en watervallen.

Op de terugweg stop ik nog even bij The Chasm, waar eeuwenlange erosie door snelstromend water in een smalle kloof ronde gaten (potholes) in het steen heeft uitgesleten, en bij de Mirror Lakes, waar de lichte wind net genoeg rimpeling in het water veroorzaakt om te voorkomen dat de bergen erin reflecteren. Al met al is Fiordland National Park erg mooi en zeer de moeite waard.

De oostkust

Op dinsdag staat er weer een lange rit op het programma: van Fiordland National Park aan de wetskust naar Dunedin aan de oostkust van het zuidereiland. Volgens de routeplanner is het vier uur rijden… De route gaat eerst over grotendeels vlakke (!) wegen – voor het eerst deze reis. Eindelijk even geen bochtige bergwegen. Naarmate ik oostelijker kom, wordt het landschap heuvelachtiger, een beetje zoals eerder in Northland op het noordereiland. Dit deel van Nieuw-Zeeland is zeer dun bevolkt, af en toe kom ik door een klein dorpje en er is nauwelijks verkeer op de weg.

Aan het begin van de middag kom ik in Dunedin aan. Deze universiteitsstad met Schotse ‘roots’ is veel groter dan ik had verwacht en het is een leuke stad. Tussen alle ‘nieuwbouw’ zijn opvallend veel fraaie oude gebouwen uit de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw bewaard gebleven. Het centrum wordt gevormd door het Octagon, een achthoekig plein met omliggende straten, met onder andere het stadhuis, St Paul’s Cathedral en cafés met terrassen (waar ik met het mooie weer natuurlijk even ga zitten). Vlakbij vind je ook het oude treinstation en Speight’s brouwerij.

De volgende dag rijd ik via Highway 1 langs de kust naar het noorden. Ik stop even bij Shag Point, waar zeehonden op de rotsen voor de kust liggen te luieren, en bij Mouraki, waar de Mouraki Boulders een populaire attractie zijn. Op een mooi stuk strand liggen, verspreid over ongeveer vijftig meter, enorm grote ronde keien. De meeste zijn bijna perfect rond en hebben een diameter variërend van 50 centimeter tot bijna twee meter. Ze zijn tussen de vier en zes miljoen jaar oud. Bij Oamaru neem ik nog even een kijkje bij Bushy Beach, waar je soms zeldzame geeloogpinguïns kan zien, maar niet op het moment dat ik er ben…

Christchurch

Mijn laatste bestemming op deze reis is Christchurch. De op één na grootste stad van Nieuw-Zeeland werd in september 2010 en februari 2011 twee kort na elkaar getroffen door twee zware aardbevingen, waarbij 186 mensen om het leven kwamen en een groot deel van de stad in puin werd gelegd. Het is zeven jaar geleden, maar anno 2017 is Christchurch nog steeds een bouwput. Overal wordt gebouwd. Tussen de nieuwbouw zie je overal braakliggende stukken grond, waar voor de aardbevingen nog gebouwen stonden. De ruïne van de kathedraal, die zwaar werd beschadigd (de toren stortte geheel in), staat nog steeds in het hart van de stad. Vrijwel alle oude gebouwen en ook veel nieuwere die er omheen stonden, werden verwoest. Als je de nieuwbouw wegdenkt, blijft er weinig over. 80% van de gebouwen in het centrum werd door de aardbevingen verwoest. De ravage moet enorm zijn geweest. Wat je vandaag de dag treft, is een zwaar getekende stad, één die nooit meer hetzelfde zal zijn, maar ook een stad waar volop aan de toekomst wordt gewerkt. Het hele centrum wordt in feite opnieuw ontworpen en dat levert ook kansen op voor moderne architectuur (zoals de splinternieuwe Christchurch Art Gallery, waar ik even naar binnen loop), de aanleg van nieuwe parken langs de Avon River en autovrije winkelgebieden. De zeecontainers die na de aardbevingen werden neergezet om tijdelijk winkeltjes en restaurantjes te huisvesten, vormen nu een hippe plek voor een hapje en drankje. Maar het voelt toch raar om door zo’n gehavende stad te lopen, anders dan een ‘gewone’ stadswandeling.

Vrijdagochtend naar de luchthaven, op een kwartiertje rijden van het centrum. Mijn reis door Nieuw-Zeeland zit erop. Het prachtige land heeft aan alle hooggespannen verwachtingen voldaan. Het is dat het zo verschrikkelijk ver weg ligt, anders zou ik er veel vaker naartoe willen. Het landschap – of beter gezegd al die verschillende landschappen – is ronduit overweldigend mooi. Ik heb al veel mooie plekken in de wereld gezien, maar deze reis staat vanaf nu in mijn top 3.