13 maart – 2 april 2018

Antigua

De winter geeft zich nog niet gewonnen en het voorjaar laat dus nog even op zich wachten, een goed moment om op reis te gaan. J Mijn bestemming deze keer: Midden-Amerika. Guatemala, Honduras en Belize om precies te zijn. Eén reis, drie landen. Ik vlieg met een overstap in Atlanta (VS), alles bij elkaar zo’n zestien uur. Maar dat wordt bijna nog langer, wanneer bij het vertrek in Atlanta de piloot de start afbreekt. Blijkbaar is er een probleem met het vliegtuig. Het duurt even en dan klinkt de mededeling: “We have solved the problem… We hope…”, waarna we alsnog vertrekken. We landen om kwart voor acht ’s avonds lokale tijd op de luchthaven van Guatemala City. Mijn bagage is ook meegekomen en bij de douane kan ik zo doorlopen. In de hal van de luchthaven koop ik een kaartje voor de shuttle naar Antigua. Ik zal bijna de hele reis van dit soort shuttles (minibusjes) gebruik maken. Een klein uur later word ik afgezet op het centrale plein in Antigua, waar vandaan het nog maar een klein stukje lopen is naar mijn hotel. Het is inmiddels tien uur lokale tijd, vijf uur ’s ochtends in Nederland, dus ik duik meteen mijn bed in.

Mayastammen leefden al drie tot vierduizend jaar geleden in wat nu Guatemala is. Het hoogtepunt van de Mayacultuur viel samen met de eerste helft van wat in het Westen de Middeleeuwen heet. Uit die tijd stammen Mayasteden als Tikal, maar ook Calakmul in Mexico en Copán in Honduras. Dit waren belangrijke politieke, religieuze en commerciële centra, met grote tempels en piramides rond pleinen. In 1521 vielen de Spanjaarden het gebied binnen, onderwierpen de Maya’s (in feite werd een hele bevolking tot slaaf gemaakt) en bekeerden hen ondertussen tot het Catholicisme. In 1821 leidde een opstand tot onafhankelijkheid, maar voor de Maya’s werd de situatie er niet veel beter op. In plaats van de Spaanse koning hadden nu de rijke grootgrondbezitters het voor het zeggen. Na een aantal dictatoriale regimes stonden de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw in het teken van politiek geweld door guerrillabewegingen en (door de VS gesteund) ingrijpen door het Guatemalteekse leger. Tienduizenden mensen kwamen om het leven. Pas in 1996 werd er een vredesakkoord getekend. Inmiddels gaat het langzaamaan beter met Guatemala, maar armoede, corruptie, criminaliteit en politieke schandalen zijn er nog steeds aan de orde van de dag.

Guatemala is iets groter dan Engeland en heeft bijna 15 miljoen inwoners. Ruim de helft daarvan leeft onder de armoedegrens. 40% is Maya, 60% is Mestizo (gemengd Maya/Spaans). Guatemala City is de enige echte, moderne stad van Guatemala (eenvijfde van alle Guatemalteken woont daar) en is berucht vanwege de criminaliteit. Dat is ook de reden dat ik bij aankomst gelijk doorreis naar Antigua – voor bezoekers is er weinig reden om in de hoofdstad te blijven. De hoofdstad vormt een groot contrast met de rest van het land, waar in de dorpjes de Mayacultuur domineert, vrouwen in traditionele kleding lopen en één van de vele lokale dialecten wordt gesproken (de officiële voertaal in Guatemala is Spaans, maar voor Guatemalteken is dat hun tweede taal).

Mijn reis begint dus in Antigua. Op de eerste ochtend daar ga ik ontbijten bij een klein restaurantje in de buurt van mijn hotel. Op het dakterras, in de zon, met een desayuno típico (een traditioneel lokaal ontbijt) en koffie. Een perfect begin van de dag. Antigua is een kleine stad, met ongeveer 35.000 inwoners en het historische centrum is makkelijk te belopen. Het centrum bestaat uit keienstraatjes en laagbouw met gekleurde gevels en ziet er erg pittoresk uit. Het centrale punt is Parque Central, het centrale plein met bomen, bankjes en een fontein in het midden, zoals je dat in vrijwel ieder Latijns-Amerikaans dorp en stad vindt. Het plein fungeert als sociale ontmoetingsplaats voor locals, oriëntatiepunt voor toeristen en verkoopplek voor (uiteraard) de verkoopsters. Het plein wordt omringd door koloniale gebouwen. Aan de zuidkant staat het Palacio de los Capitanes Generales uit 1549, dat ooit het hoofdkwartier van de Spaanse koloniale machthebbers voor heel Midden-Amerika was. Aan de oostkant van het plein staat de Catedral de Santiago, of eigenlijk alleen de voorgevel ervan, want de rest van de oorspronkelijke kathedraal werd tijdens een zware aardbeving in 1776 in puin gelegd. Aan de noordkant van het plein bevindt zich het Palacio del Ayuntamiento, oftewel het stadhuis van Antigua. Vanaf het balkon op de eerste verdieping heb je een mooi uitzicht over het plein, met de top van de vulkaan Agua op de achtergrond.

Als je vanaf het plein naar het noorden loopt, kom je bij de Arco de Santa Catalina, een boog over de straat heen, die ooit deel uitmaakte van een zeventiende-eeuws klooster. De boog staat op vrijwel elke promotiefoto van Antigua. Iets verder staat de Iglesia y Convento de Nuestra Señora de la Merced, een groot geel gebouw met witte versiering (het zou een suikertaart kunnen zijn) die – in tegenstelling tot de kathedraal – tot nu toe elke aardbeving heeft overleefd. Als enige lijkt het wel, want van de Iglesia del Carmen en de Compañía de Jésus zijn alleen de ruïnes bewaard gebleven. (Normaal gesproken laat ik kerken links liggen, maar in het oer-katholieke Latijns-Amerika valt er niet aan te ontkomen.

Het is heerlijk weer, half bewolkt en zo’n 25 graden. Het is gezellig druk op straat en de mensen zijn erg vriendelijk. Ze zeggen je gedag of glimlachen en de sfeer is erg prettig. In de straten rijden tuktuks, motorfietsen en rammelende auto’s die – in tegenstelling tot de tuktuks – stapvoets over de oneffen keienstraatjes rijden. Ik lunch op de binnenplaats van één van de restaurantjes aan het plein en neem de tijd om te relaxen. ’s Middags loop ik nog een rondje en eind van de middag ga ik eten bij een klein Mexicaans restaurant. Mojito’s en tortilla’s terwijl het buiten langzaam donker wordt.

Tijdens mijn tweede dag in Antigua doe ik rustig aan. Na het ontbijt – op hetzelfde dakterras – wandel ik over de lokale markt, waar echt van alles wordt verkocht, van kleding tot elektronica en van huishoudelijke artikelen tot groente en fruit. Pal naast de markt bevindt zich het ‘busstation’ (niet veel meer dan een zandvlakte), waar de ‘chicken busses’ af en aan rijden. Chicken busses (zo genoemd omdat mensen er ook hun kippen en andere dieren in meenemen) zijn oude schoolbussen uit de Verenigde Staten, veelal in vrolijke kleuren geschilderd. Ze rijden overal naartoe en stoppen overal en voor iedereen, totdat er écht niemand meer bij past.

Ik pas me aan het Latijns-Amerikaanse tempo aan en ga een tijdje met een beker koffie op een bankje in het Parque Central zitten. Na de lunch wandel ik naar de Cerro de la Cruz, een heuvel aan de noordkant van Antigua, vanaf waar je een fantastisch uitzicht hebt over de stad. Antigua ligt in een vallei tussen drie vulkanen: Volcán Agua (wat een beetje rare naam is voor een vulkaan), Volcán Acatenango en Volcán Fuego. Op de achtergrond torent de Agua hoog boven de stad uit. Mocht deze vulkaan ooit weer uitbarsten, dan zijn ze in Antigua het haasje. Ik blijf hier een uurtje zitten om van het uitzicht en het mooie weer te genieten.

Eind van de middag ga ik naar een kleine wijnbar, naast de Arco de Santa Catalina, waar ze een bijzonder concept hanteren: het eerste glas wijn kost 35 quetzales, het tweede 30, het derde 25 en het vierde 20. Hoe meer je drinkt, des te goedkoper wordt dus je wijn. Houd het dan maar eens bij één glas. J De wijnbar is maar heel klein en de twee serveersters – allebei jonge meiden uit Duitsland – hebben alle tijd om met hun gasten te praten en (reis)ervaringen uit te wisselen. Het typeert de open en gemoedelijke sfeer in Antigua.

Lago Atitlán

Na twee dagen Antigua laat ik me met een shuttlebusje in 2,5 uur naar Panajachel brengen. Het westelijk deel van Guatemala bestaat uit hoogland en hier vind je de hoogste bergen van Midden-Amerika, waaronder veel vulkanen. Naast vulkaanuitbarstingen wordt Guatemala met enige regelmaat getroffen door aardbevingen: In 1776, 1917,1918 en 1976 vonden er verwoestende aardbevingen plaats.

Omdat de omgeving heuvelachtig is en het busje daar soms wat moeite mee heeft, heeft de chauffeur de airconditioning uit gezet, wat het een vrij warme rit maakt. Om elf uur zijn we in Panajachel, dat aan de noordkant van Lago Atitlán ligt, een groot meer dat 85.000 jaar geleden door vulkaanuitbarstingen is ontstaan. Het is een ontzettend toeristisch dorp, waar je voortdurend wordt aangesproken door mannetjes die je een boot aanbieden (“Barco! Barco!” Nee, ik wil geen boot!) en waar het wemelt van de stalletjes met lokale souvenirs. De tuktuks rijden met een noodgang door de straten. Maar de schitterende ligging aan Lago Atitlán maakt dat allemaal goed. Het meer wordt omringd door heuvels en drie niet te missen vulkanen: Volcán San Pedro, Volcán Toliman en Volcán Atitlán. Aan het water zitten veel restaurantjes, waar je heerlijk kan eten met uitzicht over het meer.

De volgende ochtend ben ik al vroeg wakker en loop ik even naar de oever van het meer. Het is een heldere ochtend en nog vrij rustig, een mooi moment om foto’s te maken van het meer, de vulkanen op de achtergrond en de houten steigers op de voorgrond. Na het ontbijt word ik opgehaald voor een boottocht langs de diverse dorpjes rondom het meer. We varen eerst naar San Marcos La Laguna, een klein dorpje dat vooral in trek is bij hippies en liefhebbers van yoga en biologisch eten. Het tweede dorpje dat we aandoen is San Juan La Laguna, een authentieker dorpje, waar men trots is op de lokale cultuur, getuige de vele muurschilderingen in het dorp, waarop onder andere weefsters en het verbouwen van koffie zijn afgebeeld. Er is een kleine markt en veel vrouwen lopen er in traditionele kleding. San Pedro La Laguna is weer een stuk toeristischer, met name het deel rondom de aanlegsteigers. Wat verderop, de heuvel op, speelt het lokale leven zich af. Het laatste dorp dat we bezoeken is Santiago Atitlán. Santiago is groter dan de andere dorpjes en ook hier zijn de straten rondom de aanlegsteigers voornamelijk gericht op de toeristen. Tuktuks rijden af en aan en ook een enkele chickenbus en pickup (met de passagiers in de laadbak) baant zich een weg door de straten. Weg van de gebaande paden vind ik een stil straatje, dat eindigt bij water. Aan de wal liggen kleine houten bootjes die door vissers worden gebruikt en die hier nog op traditionele wijze met de hand worden gemaakt.

In de loop van de middag ben ik terug in Panajachel. Tijd om te relaxen met een boek in de binnentuin van mijn hospedaje. ’s Avonds probeer ik uit hoe de lokale vis hier smaakt bij één van de eerder genoemde restaurants aan het meer.

Iedere zondag vindt in Chichicastenango (Chichi), anderhalf uur ten noorden van Panajachel, een grote markt plaats. Inwoners van omliggende dorpen komen dan naar Chichi om hun groenten, fruit, vlees en andere producten te verkopen. De markt vindt plaats op het centrale plein, maar dat plein is zó volgepropt met stalletjes en voorzien van een golfplaten dak, dat je het niet meer als plein herkent. Ook de omliggende straten worden volledig door de markt in beslag genomen en voor een deel is de markt gericht op toeristen. Het is er enorm druk. Locals en toeristen banen zich een weg door de smalle paadjes. Het is een wirwar van gangetjes, waar je je gevoel voor richting snel kwijt raakt. Vrijwel alle vrouwen en meisjes dragen traditionele kleding. Aan de noordkant van het plein bevindt zich het Centro Commercial San Tomás, een hal die helemaal gevuld is met stalletjes waar groente en fruit wordt verkocht. Vanaf de galerij op de eerste verdieping heb je een mooi uitzicht op de handel beneden. Ook is een deel van de markt ingericht met eetstalletjes, waar vrouwen in grote pannen eten klaarmaken en hun dochters tortillas maken (de kleine ronde pannenkoekjes die je in Guatemala bij veel gerechten krijgt).

Eind van de ochtend ontvlucht ik de drukte in een restaurantje, waar ik lunch en nog wat tijd doorbreng voordat ik ‘s middags per shuttle naar Guatemala City ga. Bij de mannen van de shuttlebusjes is aanvankelijk wat verwarring over welke shuttle ik moet hebben. De uitkomst van de discussie is dat ik eerst de shuttle naar Antigua moet nemen en daar moet overstappen op een shuttle naar Guatemala City. De rit naar Antigua duurt door het drukke verkeer langer dan gepland en de chauffeur vertelt onderweg dat het centrum van Antigua vanwege een of andere processie is afgesloten voor het verkeer. We worden aan de rand van het centrum afgezet en lange tijd is het onduidelijk waar ik de aansluiting naar Guatemala City kan vinden. Uiteindelijk blijkt dat er om zeven uur vanaf de andere kant van het centrum een shuttle naar Guatemala City vertrekt. Ook deze rit duurt langer dan gepland (je verwacht hier ’s avonds geen files…), maar om negen uur ben ik dan eindelijk in mijn hotel in de Guatemalteekse hoofdstad, de stad die ik alleen als ‘hub’ gebruik.

Copán

Soms moet je tijdens een reis heel vroeg op, ook al is het vakantie. Bijvoorbeeld als je van Guatemala City naar Copán wilt, net over de grens in Honduras. De bus die daar naartoe rijdt, vertrekt al om half vijf ’s ochtends en je moet er ruim van tevoren zijn, dus vroeg op. Maar dan rijd je wel per comfortabele touringcar in vijf uur naar je bestemming. Dat Guatemala City niet zo’n veilig stad is, wordt nog eens onderstreept door de gewapende beveiliger die het eerste deel (het stuk dat we in het donker rijden) met ons meerijdt. Als het licht is, rijden we door een heuvelachtig landschap dat er vrij droog uitziet, met af en toe een dorpje, wat landbouw en hier en daar wat koeien. Het grensgebied met Honduras is wat bergachtiger, maar al met al is de omgeving niet heel bijzonder. Tegen half tien zijn we bij de grens van Guatemala en Honduras. De douaneformaliteiten nemen weinig tijd in beslag en daarna is het nog maar tien kilometer rijden naar Copán.

Copán blijkt een erg leuk plaatsje te zijn. De keienstraatjes met wit gepleisterde huisjes met rode dakpannen ziet er schilderachtig uit en er is een gezellig centraal plein, waar vrouwen en dochters op bankjes zitten. Stoere mannen dragen lichtgekleurde cowboyhoeden. Het is een compact dorpje en er hangt een heel relaxte sfeer. Het is ook veel minder toeristisch dan bijvoorbeeld Antigua. En als we dan toch aan het vergelijken zijn: het is in Copán ook een stuk warmer: was het in Guatemala gemiddeld zo’n 25 graden, in Copán ligt de temperatuur ruim boven de dertig graden…

Nadat ik een fotorondje ben gelopen, vind ik een café annex hostel waar je, buiten op de veranda, goed blijkt te kunnen lunchen (zo goed dat ik er een paar keer terug zal komen). De posada waar ik logeer, heeft een eigen relaxplek waar ik een paar keer gebruik van zal maken: een sfeervol ingericht dakterras, waar je met een muziekje en uitzicht over de daken en de omliggende heuvels uitstekend van een verse frappuccino of een ander drankje kan genieten. Wat mij betreft helemaal goed. J

In de klassieke Mayatijd was Copán één van de belangrijkste Mayasteden in Midden-Amerika. Achtereenvolgende Mayakoningen bouwden de stad steeds verder uit. Waarschijnlijk groeide de bevolking zo snel dat grondstoffen uitgeput raakten. Ook ontbossing en overstromingen hebben waarschijnlijk een rol gespeeld bij de ondergang van het oude Copán, dat rond het jaar 1200 geheel verlaten was. De ruïnes van de oude stad liggen anderhalve kilometer buiten het huidige Copán. Je vindt er het Gran Plaza, waar diverse tempelgebouwen omheen stonden en waar je nu nog een aantal stenen grafzuilen vindt met afbeeldingen van Mayakoningen en andere figuren. De Esclinata de los Jeroglífos is een in de achtste eeuw gebouwde stenen trap die van boven tot onder bewerkt is met hiërogliefen die, voor zover bekend, de geschiedenis van de koninklijke familie van Copán uitbeelden. Via een aantal trappen kom je bovenop de Templo de las Inscriptiones, waar je een geweldig uitzicht hebt. De tempel vormde samen met de Patio Oriental en de Patio Occidental en de gebouwen daar omheen de Acrópolis, die alleen voor de elite toegankelijk was. Archeologen hebben ontdekt dat de ruïnes van de gebouwen die je nu ziet over eerdere gebouwen zijn gebouwd, soms wel drie of vier keer opnieuw, steeds groter en mooier.

Aan het eind van de ochtend ben ik terug in het moderne Copán waar ik de rest van de dag relax. Ook de volgende ochtend, woensdag, staat nog in het teken van ontspanning (beetje lezen, beetje eten) en in de loop van de middag begeef ik me richting de bus die me weer terug zal brengen naar Guatemala. De bus vertrekt anderhalf uur later dan gepland (geen idee waarom) en we komen uiteindelijk twee uur later dan de bedoeling was aan in Guatemala City.

Flores en Tikal

Je kan van Guatemala City met de bus naar Flores reizen. Dan doe je er (minimaal) twaalf uur over. Je kan er ook in een uur naartoe vliegen. Dat vind ik geen moeilijke keuze. We vliegen met een klein propellorvliegtuigje waar maar net achttien mensen in passen. Niet supercomfortabel, maar omdat het vliegtuigje niet zo hoog vliegt, heb je wel mooi uitzicht. We landen op de kleine luchthaven van Santa Helena (één landingsbaan en een kleine vertrek- en aankomsthal) en vanaf daar is het nog maar een klein stukje rijden naar Flores.

Flores ligt op een eiland in het Lago de Petén Itzá en is met een weg verbonden met het vaste land. Ook Flores is een klein, pittoresk plaatsje, met keienstraatjes en pastelkleurige huisjes. Ook hier zijn de mensen vriendelijk en ook hier is het zonnig en boven de dertig graden. Alle straatjes van het bijna perfect ronde eiland lopen omhoog naar het hoger gelegen centrale plein met een witte kerk. Rondom het dorp is een wandelpromenade, malecón, aangelegd. Maar door de stijgende waterspiegel van het meer is ongeveer een derde daarvan onder water komen te staan. Een maf gezicht. Aan de westkant van de malecón zit een aantal café/restaurants met veranda’s, waar je heerlijk kan eten en cocktails drinken met uitzicht op het meer. Ik blijf er een paar uur zitten terwijl de zon langzaam ondergaat. Life is hard. J

De volgende ochtend word ik door een shuttlebusje opgehaald om naar Tikal te gaan. Dat gaat nogal met een omweg. Eerst iemand bij een hotel in Santa Helena ophalen, daarna twee mensen bij de luchthaven, weer terug naar Flores, opnieuw naar de luchthaven (?), tanken en daarna rijden we eindelijk naar Tikal. Wat nog best een stuk rijden is. Het noorden van Guatemala is lager gelegen en wordt gedomineerd door regenwoud. De ruïnes van Tikal liggen verspreid over een groot gebied, midden in die dicht begroeide jungle. Maya’s vestigden zich hier zo’n 700 jaar voor onze jaartelling , maar de ruïnes die je vandaag de dag ziet, stammen uit de zevende en achtste eeuw, toen de macht van Tikal op zijn hoogtepunt was. Het meest bekend zijn de hoge, steile piramides aan het Gran Plaza. Die steile bouwstijl is typerend voor Tikal en vind je bijvoorbeeld niet in Mexico of elders in Guatemala. Net als bij de Egyptenaren waren de piramides bij de Maya’s grafmonumenten voor de koningen, die onder de piramide begraven lagen.

De hoogste en mooiste, Templo del Gran Jaguar, staat aan de ene kant van het Gran Plaza en mag je niet beklimmen, Templo del Mascaras aan de andere kant mag je wel op en vanaf boven heb je een indrukwekkend uitzicht over de ruïnes. Tussen de piramides aan de noordkant van het Gran Plaza bevinden zich de ruïnes van de Acrópolis del Norte, die veel ouder zijn dan de twee grote piramides. Sommige gebouwen stammen waarschijnlijk uit de tijd dat de Maya’s zich net in Tikal hadden gevestigd. De Acrópolis bestond waarschijnlijk uit twaalf verschillende tempels.

Er zijn hier wel meer toeristen dan in Copán, maar het is lang niet zo massaal als in Mexico en de mensen verspreiden zich omdat het gebied zo groot is. Via wandelpaden door de jungle kan je naar andere groepen ruïnes lopen, zoals de fraaie Templo 5 (met afgeronde hoeken en nog maar deels uitgegraven en gerestaureerd), de ruïnes van Mundo Perdido (een piramide met diverse gebouwen er omheen) en het Plaza de Siete Templos. Uiteindelijk kom ik bij Templo 4, diep verscholen in de jungle. Templo 4 is het op één na hoogste pre-Columbiaanse bouwwerk op het Amerikaanse continent, 64 meter hoog. Ook deze piramide, daterend uit de achtste eeuw, mag je beklimmen en bovenop kijk je kilometers ver over de boomtoppen heen. Een eindje verderop steken de toppen van de Templo del Gran Jaguar en de Templo del Mascaras  Templo 5 en Mundio Perdido ook boven de bomen uit. Een mooie (en bloedhete, in de volle zon) plek.

De volgende ochtend is relaxt met ontbijt aan de malecón en met een boek op de veranda van de posada. Rond het middaguur laat ik me door één van de vele bootjes aan de waterkant overvaren naar San Miguel, aan de andere kant van de lagune. Het is maar een klein stukje varen en daarna nog zo’n twintig minuten lopen naar een strandje aan het meer. Een prima plek om een middag door te brengen. Voor het eten zoek ik ’s avonds weer een restaurant aan de malecón van Flores op.

San Ignacio en Xunantunich

Na twee weken in Guatemala en Honduras is het tijd om naar het derde land van deze reis te gaan: Belize. Belize is een klein land, ten oosten van Guatemala, aan de Caribische Zee. In wat in het Westen de late Middeleeuwen worden genoemd, heersten hier de Mayakoningen van Caracol en Xunantunich. De Mayaruïnes in wat nu Belize is, behoren tot de oudste in Midden-Amerika. De Spanjaarden hielden hier aanvankelijk flink huis. Oorlogen en ziekten leidden tot de dood van zo’n 90% van de Maya’s. In 1798 werd het gebied onder de naam Brits Honduras onderdeel van het Britse rijk. En dat zou het heel lang blijven. Pas in 1981 kreeg het land zelfbestuur en pas sinds 1981 werd het zelfstandig, maar het maakt nog altijd deel uit van het Britse gemenebest.

Later dan gepland word ik opgehaald om met de bus van Flores naar San Ignacio te gaan, net over de grens in Belize. Omstreeks negen uur komen we bij de grens aan. Eerst moet ik naar een hokje van de douane van Guatemala. Vervolgens is het de bedoeling om te voet (met bagage) de grens over te steken, waar vervolgens een hokje van de douane van Belize is. Maar voor dat hokje staat een enorme rij. Er zijn blijkbaar heel veel mensen die vanochtend de grens over willen en daar heeft de douane van Belize duidelijk geen rekening mee gehouden. De twee beambten in het hokje krijgen ook geen versterking, wat ertoe leidt dat ik (samen met ik schat zo’n tweehonderd anderen) maar liefst vier (!) uur moet wachten. Buiten. In de brandende zon. Af en toe komen er Guatemalteken langs die de rij voorbij lopen en zich er vooraan tussen proberen te wringen, maar daar worden ze door twee streng kijkende mannen (en onder luid gejoel van de wachtenden) teruggestuurd. Achteraan aansluiten!

San Ignacio ligt ongeveer vijftien kilometer van de grens. Het is een klein plaatsje, niet echt bijzonder, maar een handige uitvalsbasis voor toeristen. En over toerisme gesproken: Belize heeft slechts ongeveer 370.000 inwoners, maar ieder jaar bezoeken ongeveer 300.000 toeristen en nog eens 675.000 cruisetoeristen het land. Toerisme is dan ook verreweg de belangrijkste bron van inkomsten. In San Ignacio merk je meteen dat je in een ander land bent. Er hangt een meer Caribische sfeer en ook de mensen zijn anders. Behalve Maya of van Spaanse afkomst is ruim een derde van de bevolking van Belize Mestizo (gemengd Maya/Spaans), een kwart is Creools (gemengd Afrikaans/Brits) en zo’n zes procent is Garifuna (gemengd Afrikaans/Caribisch). Belize is ook het enige land in Midden-Amerika waar Engels de officiële voertaal is.

Voor mij is San Ignacio de uitvalsbasis voor een bezoek – de volgende dag – aan Xunantunich. Voor vijf Belizaanse dollars laat ik me door een taxi (een dertig jaar  oude Toyota die met duct tape aan elkaar hangt, de jonge chauffeur heeft zijn vriendinnetje naast zich zitten) afzetten op de plek waar je een pontje kan nemen naar de andere kant van de rivier. Vanaf daar  is het nog anderhalve kilometer heuvel op lopen naar de ruïnes. Xunantunich is veel kleiner dan Tikal en er zijn ook veel minder bezoekers, maar het is wel erg de moeite waard. De ruïnes van deze Mayastad stammen uit de zevende eeuw. De plek wordt gedomineerd door El Castillo, de vervallen tempel die overal bovenuit steekt. Je kan El Castillo beklimmen en bovenop heb je een prachtig uitzicht op de ruïnes beneden en over de wijde omgeving. Minstens zo’n mooi uitzicht als ik Tikal als je het mij vraagt. Rond het middaguur ben ik terug. De rest van de dag breng ik door met een boek in de schaduw op het balkon van mijn hotel.

San Pedro

Op dinsdagochtend ga ik met een shuttle van San Ignacio naar Belize City, wat ongeveer anderhalf uur rijden is. Belize City (verwarrend genoeg niet de hoofdstad van Belize, dat is Belmopan) oogt armoedig en wordt geplaagd door criminaliteit en bendegeweld. Het is dan ook niet mijn bestemming voor vandaag. Vanaf Belize City neem ik een watertaxi naar San Pedro op Ambergris Caye, één van de eilanden voor de kust van Belize en beter bekend als “La Isla Bonita” uit het gelijknamige liedje van Madonna uit de jaren tachtig.

Guatemala, en ook het westen van Belize, ademden een Latijns-Amerikaanse sfeer, maar in San Pedro stap ik na anderhalf uur varen echt het Caribisch Gebied binnen: Strandjes met palmbomen aan het azuurblauwe water van de Caribische zee en een kustlijn vol hotels, hostels, resorts en beach bars. San Pedro draait overduidelijk op het toerisme. Maar er heerst ook een ontspannen Caribische sfeer. Het belangrijkste vervoermiddel op het lange, smalle eiland zijn golfkarretjes, pelikanen vliegen langs de kustlijn en je ruikt de zee. Voor de kust van Belize ligt het Meso American Reef, het op één na grootste koraalrif ter wereld (op het Great Barrier Reef bij Australië na). Overal in San Pedro worden dan ook duik- en snorkelexcursies aangeboden. Langs de oostkant van Ambergris Caye zijn talloze houten pieren, waar vandaan de boten naar het koraalrif vertrekken. Mijn hostel zit direct aan het strand, met een aantal ligbedjes op de houten pier voor de deur en een open beach bar met uitzicht op de zee. Een prima plek om te relaxen en cocktails te drinken. J

Voor de volgende dag heb ik een snorkeltrip geboekt. Het rif ligt op slechts tien minuten varen van de kust. Als je vanaf San Pedro over de Caribische Zee kijkt, kan je precies zien waar het rif zich bevindt: daar waar de golven breken. Een deel van het rif maakt deel uit van het Hol Chan Marine Reserve. Het koraal bevindt zich dicht aan de oppervlakte en het rif is dan ook zeer geschikt om te snorkelen. Behalve koraal zie je er ook talloze vissen. Ook kom ik een zeeschildpad en een enorme aal, een murene, tegen. Ik blijf echter minder lang in het water dat ik van plan was. Mijn masker lekt en als ik iets irritant vind tijdens het snorkelen dan is het wel een lekkend masker. Onze tweede stop is bij Shark Ray Alley. Zoals de naam al doet vermoeden is dit de leefomgeving van haaien, verpleegsterhaaien om precies te zijn, een soort waar ik nog nooit van had gehoord en die over het algemeen niet gevaarlijk zijn voor mensen (over het algemeen, dus soms wel…). Ze zijn gewend aan bezoekers en ze weten dat ze gevoerd worden, dus er zwemt al snel een hele groep haaien om de boot heen. Je mag het water in, maar dat laat ik maar even aan mij voorbij gaan.

Ook de volgende, wederom zonovergoten dag ben ik nog in San Pedro. Ik loop een rondje over het eiland en neem daarbij ook een kijkje aan de veel rustigere, en minder toeristische westkant. Het waait harder dan gisteren. Sowieso waait het hier altijd en zit je binnen vijf minuten van top tot teen onder het zout van de zee. De wind zorgt er wel voor dat de temperatuur aangenaam is. Nadat ik even bij de bar van het hostel heb gezeten, loop ik ’s middags naar het noordelijke deel van Ambergris Caye. Dit deel is veel rustiger dan het drukke San Pedro, maar naar mijn mening ook minder mooi. Tegen drie uur ben ik weer terug bij mijn hostel en zoek ik met een boek en een biertje een plek in de beach bar.

Caye Caulker

Op vrijdagochtend neem ik de watertaxi van San Pedro naar het iets zuidelijker gelegen eiland Caye Caulker. Na een half uurtje varen zijn we er. Caye Caulker is veel kleiner dan Ambergris Caye. Er zijn geen verharde straten, geen auto’s, veel minder golfkarretjes en – hoewel ook toeristisch – minder mensen. De sfeer is er nog relaxter dan in San Pedro en de inwoner spreken zelf dan ook over Caye Caulker als ‘a slow island’.Nadat ik mijn bagage naar mijn hostel heb gebracht, loop ik naar een klein koffiebarretje, in een klein houten hokje aan het strand. Daarna loop ik een fotorondje over het eiland, dat vanwege de grootte makkelijk te belopen is. Ook dit eiland is naar het oosten gericht, daar is het rif en daar zijn de strandjes, de restaurants en de resorts. Aan de veel stillere westkant kom ik langs een klein baaitje waar een groep grote tarpons zwemt (nog een vissensoort waar ik nog nooit van had gehoord). Verder is het rustig in de onverharde straatjes waar de locals wonen. En warm: aan deze kant van het eiland staat nauwelijks wind. Via de oostkant van het eiland loop ik weer terug, over witte strandjes, onder palmbomen en langs een (deels) azuurblauwe zee. Een tropisch paradijs en een prima plek om de reis af te sluiten. Dat afsluiten doe ik de rest van de middag en de volgende ochtend met een boek in een hangmat.

En daarmee is de reis zo’n beetje ten einde. Eén reis, drie landen, alledrie zeer de moeite waard. Ik heb veel gezien, maar de reis was een goede balans tussen actief en relaxen. Op zaterdagmiddag ga ik met de watertaxi terug naar Belize City, waar ik de volgende ochtend al vroeg naar de luchthaven moet voor mijn vlucht – via Atlanta – terug naar Nederland. Je verzint het niet, maar net als op de heenweg is er ook nu bij het vertrek uit Atlanta een probleem met het vliegtuig. Het is even de vraag of we verder kunnen of dat we terug moeten, maar gelukkig kan het probleem in de lucht worden opgelost. Op maandagochtend land ik veilig en wel op Schiphol. In Nederland is het nog steeds geen voorjaar…