16 – 17 november 2018

Twee jaar geleden ging ik aan het eind van het jaar een weekend naar Brugge, vorig jaar was Antwerpen de bestemming en dit jaar ben ik een weekend in Gent. Het is koud, maar prachtig zonnig weer, perfect dus om een weekend toerist bij de zuiderburen te spelen.

Gent ligt in de provincie Oost-Vlaanderen, op de plek waar twee rivieren, de Leie en de Schelde, samenkomen. De hele binnenstad is autovrij, maar ik kan mijn auto parkeren bij een oud klooster aan de rand van het centrum, waar ik ook zal overnachten. Vanaf daar wandel ik het historische centrum van Gent in. Het centrum is compact en vrijwel alle bezienswaardigheden zijn op loopafstand (als je van een stukje lopen houdt J).

Als eerste kom ik bij het Sint Veerleplein, waar zich de Oude Vismijn bevindt. Ik had geen idee wat het woord ‘vismijn’ betekende, maar het blijkt de middeleeuwse markthal te zijn waar destijds de vis werd verhandeld. Het opvallende poortgebouw, met een groot beeld van Neptunus, werd in de achttiende eeuw toegevoegd. Aan de achterkant ligt de Vismijn aan het water, waar de Leie en de Lieve samenkomen.

Aan de noordkant van het Sint Veerleplein staat het niet te missen Gravensteen. Dit imposante fort werd in 1180 gebouwd in opdracht van de Graaf van Vlaanderen. Het Gravensteen wordt omringd door water en heeft hoge vestingmuren met torens en kantelen. Vanaf de donjon, de centrale toren met de woonverblijven en ontvangstzalen, heb je een mooi uitzicht over de stad.

Via de Groentenmarkt (waar die naam vandaan komt, laat zich raden…) kom ik bij het Groot Vleeshuis. Dit veertig meter lange gebouw met trapgeveltjes is gebouwd in 1404 en was de centrale markthal voor de handel in vlees. Op hoek van het Groot Vleeshuis staat het Galgenhuyseken, waar in de middeleeuwen de galg en de schandpaal stonden.

Vanaf de Groentenmarkt is het maar een klein stukje lopen naar het bekendste stukje Gent. De Graslei (in Nederland zouden we kade zeggen) was in de middeleeuwen de haven van Gent. Alle graanhandel in Vlaanderen diende in die tijd via Gent te lopen en dat leverde de rijkdom op waarmee de fraaie huizen langs de Graslei en de tegenover gelegen Korenlei konden worden gebouwd. De huizen aan de Graslei dateren uit de twaalfde tot en met de zeventiende eeuw en de meeste zijn begin twintigste eeuw gerestaureerd. De huizen aan de andere kant van het water, aan de Korenlei, zijn wat nieuwer: deze zijn in de zeventiende en achttiende eeuw gebouwd. Vanaf de Sint Michielsbrug heb je een prachtig uitzicht over de Graslei en de Korenlei, en, als je de andere kant op kijkt, op de torens van de Sint Niklaaskerk, het Belfort en de Sint Baafskathedraal.

De Sint Michielsbrug komt uit bij de Korenmarkt, een plein dat wordt gedomineerd door de Sint Niklaaskerk aan de ene kant en het oude Postgebouw aan de andere kant. De bouw van het Postgebouw begon in 1898, ter voorbereiding op de Wereldtentoonstelling in 1913. Het ziet er niet uit als een postgebouw; een groot, statig gebouw, met een rijk versierde gevel, waar nu een hotel, winkelcentrum en supermarkt in zijn gevestigd.

Nadat ik op een terras aan de Korenmarkt heb geluncht (buiten lunchen in november J) wandel ik verder richting het Stadhuis van Gent. Het Stadhuis werd eind zestiende, begin zeventiende eeuw in twee fasen gebouwd en dat heeft een gebouw opgeleverd dat uit twee delen bestaat, met ieder een heel andere architectuur. Het oudste gedeelte, het Huis van de Schepenen van de Keure, heeft een rijk versierde gotische gevel, het nieuwere gedeelte, het Huis van de Schepenen van Ghedeele, heeft een veel strakkere renaissancegevel. Het lijken twee aparte gebouwen. Tussen het Stadhuis en het Belfort staat de moderne Stadshal, een open, overdekte hal van beton en hout, die nogal contrasteert met de historische gebouwen er omheen, maar ik vind die combinatie van oude en moderne architectuur niet misstaan.

Het 91 meter hoge Belfort, een klokkentoren, is in 1313 gebouwd. De klok luidt ieder kwartier en is in het hele centrum van Gent te horen. In de vijftiende eeuw werd de Lakenhalle tegen het Belfort aan gebouwd. Dit gebouw diende, zoals de naam al doet vermoeden, voor de handel in lakens (net als de Lakenhal in Leiden), maar de kelder diende ooit als stadsgevangenis. De Lakenhalle ligt aan het Sint Baafsplein, met de gelijknamige kathedraal en de in 1897 gebouwde Koninklijke Nederlandse Schouwburg

Ik weet niet waarom, maar op de Vrijdagmarkt wordt iedere zaterdag en zondag markt gehouden. In het midden van dit plein staat een groot beeld van de Vlaamse volksheld Jacob van Artevelde, aan wie Gent de bijnaam Arteveldestad dankt. Vanaf de Vrijdagmarkt loop ik richting het wijkje Patershol, aan de noordkant van het oude centrum van Gent. De oudste huizen hier dateren uit de middeleeuwen. Later werd het een wijk voor welgestelden, om vervolgens te verpauperen. Na een grondige opknapbeurt in de jaren tachtig van de vorige eeuw is Patershol weer een pittoresk wijkje met tal van cafés en restaurants. De wijk wordt begrenst door de Kraanlei, aan het water van de Leie.

Een bezoek aan Vlaanderen is natuurlijk niet compleet zonder lekker eten en drinken. Aan het eind van mijn eerste dag in Gent ga ik daarom eten bij Chez Leontine; Vlaamse stoverij met lokale Gentse bieren (Gruut en Gentse Strop).

Nadat ik de nacht in het oude klooster heb doorgebracht en rustig heb ontbeten, breng ik de volgende dag een bezoek aan het Museum voor Schone Kunsten. Dit museum, het oudste van Gent, bestaat al sinds 1798 en bevat een collectie die de hele periode vanaf de middeleeuwen tot en met de twintigste eeuw beslaat. Het museum staat aan de rand van het Citadelpark, op de plek waar ooit een citadel stond. Van de citadel is alleen nog de oude toegangspoort bewaard gebleven. Het Citadelpark is een heerlijk park om te wandelen, zeker te midden van de prachtige herfstkleuren. Het is een relaxte afsluiting van mijn weekendje Gent. Ik heb het idee dat ik nog lang niet alles gezien heb en er nog wel een keer zal terugkomen. Het is vanuit Leiden tenslotte maar twee uur rijden.