15 januari – 1 februari 2019

Een land met een bewogen verleden

“Colombia? Is het daar wel veilig?” Dat was de meest gehoorde reactie toen ik besloot naar Colombia te gaan. Een land dat – blijkbaar – nog het imago heeft van een land dat geteisterd wordt door burgeroorlog, drugskartels, geweld en ontvoeringen. Dat is in het verleden zeker het geval geweest, maar er is veel veranderd.

Colombia heeft ontegenzeggelijk een bewogen verleden. Tot aan wat wij de Middeleeuwen noemen, woonden in het huidige Colombia verschillende volken: de Tairona, de Muisca, de Nariño en vele anderen. In 1509 arriveerden de Spanjaarden. De conquistadores vernietigden vrijwel alles wat ze op hun pad vonden, wie zich niet aanpaste, werd gedood. In de kolonie, het Koninkrijk Granada genoemd, werd Spaans de voertaal, het katholicisme het officiële geloof en uit Afrika aangevoerde slaven moesten helpen de kolonie tot bloei te brengen.

Vanaf eind achttiende eeuw werd de drang naar onafhankelijkheid sterker en in 1810, toen de Spaanse koning het in Europa te druk had met het bestrijden van Napoleon, werd in de kolonie de onafhankelijkheid uitgeroepen. De Verenigde Provincies van Nieuw Granada bestond toen nog uit het grondgebied van het huidige Colombia, Venezuela, Ecuador, Peru en Panama. In de negentiende eeuw volgen burgeroorlogen en verschillende regimes elkaar in hoog tempo op. De naam van het land, dat door afscheidingen een steeds kleiner grondgebied beslaat verandert in Republiek Gran Colombia, Republiek Nieuw Granada, Granada Confederatie, Verenigde Staten van Colombia en uiteindelijk in 1886 in Republiek Colombia. Panama is in 1903 het laatste gebied dat zich van Colombia afscheidt.

Ook in de twintigste eeuw is de geschiedenis van Colombia er één van veel geweld. In de eerste helft van de eeuw zijn het vooral gewelddadige confrontaties tussen het leger en opstandige arbeiders waarbij veel slachtoffers vallen. Naar aanleiding van bloedige aanvallen van het leger op inwoners van plattelandsdorpen wordt in 1964 de revolutionaire beweging Fuerzas Armadas Revolucionarios Colombianos (FARC) opgericht. De FARC en de kleinere ELN pakken de wapens op om het regime in Bogotá te bestrijden. Het is het begin van een nieuwe, bloedige burgeroorlog.

In de jaren zeventig en tachtig krijgt Colombia bovendien te kampen met de opkomst van drugskartels. Cocaïne wordt in deze jaren het belangrijkste exportproduct van Colombia, dankzij de enorme vraag in de Verenigde Staten. De opkomst van de kartels gaat gepaard met grootschalige corruptie en geweld. Pas halverwege de jaren negentig wordt de macht van de kartels gebroken. Geweld en ontvoeringen door de FARC blijven echter aan de orde van de dag. In 2012 beginnen de Colombiaanse regering en de FARC echter vredesbesprekingen en in 2017 wordt een definitieve vredesovereenkomst gesloten.

Sindsdien heeft Colombia een grote verandering doorgemaakt – ten goede deze keer. Het land is veiliger dan ooit, heeft een stabiele democratie, de economie groeit en het toerisme is in opkomst. Ondanks het slechte imago en het verleden dat nog na-ijlt, heeft Colombia veel te bieden: een veelzijdige natuur, inheemse culturen, moderne steden, de bergen van de Andes, regenwoud, en stranden aan de Caribische kust. Het land heeft tegenwoordig ongeveer 49 miljoen inwoners. Daarvan is 49% ‘mestizo’ (gemengd inheems/Europees), 37% van Europese afkomst, 10% Afrikaans/Europees en 4% inheems.

Bogotá

Ik start mijn reis in de hoofdstad Bogotá, dat in het midden van het land ligt. De stad, gebouwd op de plek waar ooit de Muisca-stad Bacatá was, ligt op 2.500 meter hoogte, waardoor het er het hele jaar door relatief koel is. Bogotá heeft acht miljoen inwoners en ligt ingeklemd tussen de Río Bogotá aan de westkant en de Cerro de Monteserrate aan de oostkant. De zuidelijke wijken zijn voornamelijk arbeiderswijken en in de noordelijke wijken zijn de duurdere buurten te vinden. Daar tussenin ligt het (moderne) zakencentrum en het historische centrum, La Candelaria.

Na ruim tien uur vliegen land ik op de luchthaven van Bogotá. Ik ben snel door de douane en mijn bagage verschijnt ook al snel op de band. Ik heb van tevoren gezorgd voor vervoer naar mijn hostel. De luchthaven ligt midden in de stad en het is dan ook maar twintig minuten rijden. Ik check in en hoewel het pas eind van de middag is, ben ik bekaf van de reis en het tijdsverschil, dus ik doe vandaag niets meer.

Op mijn eerste ochtend in Bogotá ontbijt ik in een klein restaurantje om de hoek bij mijn hostel, een klein tentje waar alleen locals komen. Het is een goed begin van de dag. Ik ga eerst La Candelaria verkennen. De historische wijk van Bogotá bestaat uit oude koloniale gebouwen en smalle straatjes, die niet berekend zijn op het drukke verkeer. De doorgaande straten zijn geasfalteerd, de kleinere hebben keien en veel van de oude gebouwen zijn in verschillende kleuren geschilderd. Het Plaza de Bolívar is het centrale plein van de oude stad. Aan de zuidkant ervan bevindt zich het Capitolio Nacional, het parlementsgebouw, recht daar tegenover staat het moderne Palacio de Justicia, waar het Hooggerechtshof zetelt. Aan de oostkant van het plein staat de kathedraal en in het midden van het verder lege plein staat een standbeeld van vrijheidsstrijder Simón Bolívar, dat eigenlijk wat te klein is voor het grote plein. Op het plein bevinden zich verder wat straatverkopers en vooral heel veel duiven. Echt sfeervol vind ik het niet.

Op de hoek van het plein bevindt zich het Casa del Florero, waar de lokale elite op 20 juli 1810 protesteerde tegen de Spaanse overheersing, waarop Bogotá autonomie werd verleend. Daarom is 20 juli in Colombia nog steeds Onafhankelijkheidsdag. Een paar straten ten zuiden van Plaza Bolívar staat het Casa de Nariño. Dit is het zwaar bewaakte presidentieel paleis. De straten er omheen zijn afgezet voor het verkeer en worden bewaakt door zwaar bewapende militairen. Arriverende auto’s worden grondig onderzocht op explosieven.

Het centrum ten noorden van La Candelaria wordt gedomineerd door, ik kan niet anders zeggen, spuuglelijke jaren zeventig hoogbouw. Sowieso is Bogotá buiten het historische centrum niet echt een heel mooie stad. In het ‘moderne’ centrum bevindt zich het Museo del Oro (het goudmuseum), waar ik aan het eind van de ochtend een bezoek aan breng. Het museum heeft naar verluidt de grootste collectie gouden sieraden en ornamenten ter wereld, voornamelijk van de inheemse culturen uit Zuid-Amerika, die vaak duizenden jaren oud zijn. Van binnen is het een erg mooi museum.

’s Middag wandel ik mee met een street art-wandeling. In Bogotá zijn overal waar je komt muurschilderingen te vinden en onder leiding van een gids lopen we met een grote groep langs een aantal van de mooiste muurschilderingen in het centrum en La Candelaria. Ook op plekken waar je anders misschien niet zo snel naartoe zou zijn gegaan. Erg leuk om te doen, een aanrader voor wie naar Bogotá gaat!

Op mijn tweede dag in Bogotá loop ik vanaf mijn hostel naar het kabelbaanstation, waar een tandradbaan je zeshonderd meter hoger naar de top van de Cerro Monteserrate brengt. Vanaf hier heb je een weids uitzicht over de zeer uitgestrekte stad. Het is er druk met dagjesmensen, maar het is zeer de moeite waard om naar boven te gaan en van het uitzicht te genieten.

De Colombiaanse versie van Starbucks heet Juan Valdez en je vindt ze bijna overal. Dus als ik terug ben op straatniveau ga ik eerst bij Juan Valdez koffie drinken. Ik relax een tijdje op hun terras (het is aangenaam zonnig weer) en daarna ga ik lunchen. De lunch is in Colombia de hoofdmaaltijd. Op veel plekken kan je een soort ‘menu van de dag’ krijgen, waarbij je (een doorgaans goed gevulde) soep vooraf krijgt, een hoofdgerecht (doorgaans rijst met vlees of vis en iets van gebakken banaan) en een toetje (vaak iets zoets). Kost meestal maar een paar euro.

’s Middags breng ik een bezoek aan Museo Botero. Het gratis toegankelijke museum is gevestigd in ene fraai koloniaal pand met een mooie binnentuin (net als het naastgelegen Casa Moneda, de oude ‘Munt’). In het museum hangen schilderijen van onder meer Picasso en Cezane, maar het draait natuurlijk om de schilderijen en sculpturen van Botero, de beroemdste kunstenaar uit Colombia, bekend van zijn mollige figuren (vooral naakte vrouwen). De rest van de middag relax ik in mijn hostel. Op televisie gaat het al de hele middag over de bomaanslag die aan het begin van de middag is gepleegd op een politieschool in Bogota, waarbij 22 doden zijn gevallen. De aanslag, gepleegd door de ELN (die anders dan de FARC geen vredesakkoord hebben gesloten) vond plaats in een ander deel van de stad, dus ik heb er niets van gemerkt, maar het is hier wel het nieuws van de dag (en dat zal het ook nog dagen blijven).

Villa de Leyva

Op vrijdag sta ik al vroeg op en neem ik een taxi naar het busstation, waar ik een kaartje koop voor de bus naar Villa de Leyva, een klein dorpje op ongeveer 3,5 uur rijden ten noorden van Bogotá. De bus is een midsize bus met vrij krappe stoelen en door de slechte wegen is het een beetje hobbelige rit, die door een heuvel- en bergachtige omgeving gaat.

Aan het begin van de middag zijn we in Villa de Leyva, waar mijn hostel aan de rand van het dorp ligt. Ik ga eerst lunchen en wandel daarna door het in 1572 gestichte dorp. Het ziet er allemaal heel sfeervol en pittoresk uit: keienstraatjes, wit gepleisterde huisjes in Spaans-koloniale architectuur en met houten veranda’s. Het centrale plein, Plaza Major, is met 14.000 vierkante meter het grootste plein in Colombia. En toegegeven: het is een indrukwekkend plein, bestaande uit grote keien en met witgepleisterde gevels van koloniale gebouwen er omheen. In het midden staat een waterput die tot in de twintigste eeuw de enige watervoorziening van het dorp vormde.  Villa de Leyva ligt in een vallei tussen de bergen in en die bergen zie je rondom het dorp overal boven de huizen uitsteken.

Veel tijd heb je niet nodig om Villa de Leyva te bekijken, maar het is zeker een bezoek waard. Nadat ik ’s avonds in mijn hostel heb gerelaxt, ga ik de volgende ochtend weer met de bus terug naar Bogotá. Vanaf het busstation neem ik een taxi naar de luchthaven en vanaf daar vlieg ik in een uurtje naar Popayán, in het zuiden van Colombia.

Popayán

De luchthaven van Popayán is superklein en vanaf de luchthaven wandel je zo de stad in. Heel apart. Ook Popayán heeft wit gepleisterde huizen, gebouwen en kerken, maar ze zijn groter en statiger dan in Villa de Leyva (in het centrum althans), maar Popayán is dan ook een stad. Met de toepasselijke bijnaam La Cuidad Blanca, de witte stad. Curieus feitje: Maar liefst vijftien presidenten die het onafhankelijke Colombia heeft gehad, kwamen uit Popayán.

Net als Bogotá heeft ook Popayán een geblokt stratenpatroon, met Calles oost-west en Carreras noord-zuid. De stad ligt in een aardbevingsgebied en werd in 1564, 1736 en 1983 zwaar getroffen, maar iedere keer ook weer netjes in de oorspronkelijke stijl herbouwd. Aan de noordkant van het centrum bevindt zich de Puente del Humilladero, een 180 meter lange stenen boogbrug over de Río Molino. Het hart van het oude centrum is meer een park dan een plein: Parque Caldas. Een groene oase is de verder witte stad, met bankjes en straatverkopers. Aan de zuidkant van Parque Caldas staat de kathedraal, met daarnaast de Torre del Reloj, oftewel de klokkentoren, gebouwd tussen 1673 en 1682. Het is een erg mooie en sfeervolle stad. En er zijn maar weinig toeristen.

Het is een stad om rustig rond te slenteren en het Parque Caldas nodigt uit om te relaxen. Dat doe ik ’s middags dan ook met een boek op een bankje. De volgende ochtend ben ik al zo vroeg wakker dat ik een bus eerder kan nemen dan ik van plan was. Op het busstation van Popayán, waar ondanks het vroege tijdstip al veel mensen onderweg zijn, haal ik koffie en een kaartje voor de bus van zeven uur naar Armenia. De rit, in een microbus, duurt 6,5 uur. Dat zou een stuk sneller kunnen, maar de bus maakt een tussenstop in Cali, waar het drukke verkeer ervoor zorgt we zeker een uur langer onderweg zijn dan wanneer we rechtstreeks naar Armenia waren gereden.

Onderweg kan je goed zien dat de bergen van de Andes noord-zuid lopen. De Andes vertakt zich in Colombia in drie bergketens: de Cordillera Oriental, de Cordillera Central en de Cordillera Occidental. De drie grote steden van het land, Bogotá, Cali en Medellín, liggen alle drie in de valleien tussen deze bergketens. De vallei waar Cali in ligt, is breed, warm en zonnig. Ook in de bus loopt de temperatuur aardig op.

Salento

Vanaf Armenia is het nog een half uur naar Salento, een klein dorpje in het hart van de Zona Cafetera, een bergachtig gebied met een subtropisch klimaat, waar naar verluidt de beste koffie ter wereld wordt verbouwd. Salento zelf bestaat uit niet veel meer dan een paar straten rondom de centrale Plaza, met wit gepleisterde huizen met gekleurde ramen en deuren. Het ziet er pittoresk uit, al moet je de toeristen wel even wegdenken. Het is de eerste plek in Colombia waar ik veel toeristen zie. Aan het eind van Calle 6 leidt een lange trap een heuvel op. Vanwege de warmte (het is zonnig en bloedheet) is het nogal een klim, maar bovenop de heuvel heb je wel een erg mooi uitzicht over Salento en de omgeving.

In Salento verblijf ik in The Plantation House, een honderd jaar oude plantagewoning, die hoort bij de Finca Don Eduardo. Deze even oude koffieplantage is tien jaar geleden overgenomen door een Brit en die geeft nu rondleidingen over de plantage en uitleg over het hele proces van het planten van een koffieboon tot aan jouw kop koffie. Colombia is de derde koffieproducent ter wereld (na Brazilië en Vietnam). Waar die andere twee een beetje Arabica en vooral veel Robusta verbouwen, is dat in Colombia andersom; hier is het overgrote deel van de koffie de kwalitatief betere Arabica. Het overgrote deel daarvan is overigens voor de export bestemd, zoveel zelfs dat Colombia voor eigen gebruik koffie importeert… De drie uur durende rondleiding is erg informatief. Ik ben verrast over de aanblik van de plantage. Ik had een veld met keurige rijtjes koffieplanten verwacht, maar in plaats daarvan is de plantage enorm uitgestrekt en ligt hij op hellingen, waar de koffieplanten worden afgewisseld met bananenbomen, die voor schaduw zorgen, bamboes, palmen, ananasplanten en andere fruitplanten. De plantage is prachtig gelegen, aan de rand van het dorp, met een weids uitzicht over de groene heuvels in de omgeving.

Nadat ik in het dorp heb geluncht (de in de omgeving gevangen forel, waarvoor je in Nederland minstens twintig euro zou betalen, kost hier omgerekend maar zes euro…) ga ik met een boek op de veranda voor mijn kamer zitten. De mooie omgeving, de rust, de temperatuur en het lage tempo waarin dingen hier gaan, nodigen uit om het ook zelf rustig aan te doen. Dat bevalt me goed.

De volgende dag (het is inmiddels woensdag) zoek ik een klein lokaal restaurantje op voor een stevig ontbijt. Dat is nodig, want ik ga een flinke wandeling maken. Salento ligt op twintig minuten rijden van de Valle de Cocora. Vanaf de Plaza rijden mannetjes in oude Amerikaanse Jeeps (‘Willys’ genoemd) heen en weer naar de vallei. Daar kan je een prachtige wandeling maken. Het eerste stuk gaat door de vallei, langs grasland met hier en daar wat paarden en koeien. Links en rechts liggen bergen met op de hellingen metershoge waxpalmen. Dat is waar de Valle de Cocora om bekend staat: het is de enige plek waar deze bomen groeien. Ze worden tot maar liefst zestig meter hoog en kunnen honderd jaar oud worden. Lange, flexibele stammen, met bovenop een soort kruintje, heel apart.

Na ongeveer drie kwartier loopt het pad verder door een dichtbegroeid bos. Het pad is niet veel meer dan aarde, stenen  en rotsen en een aantal keren steek je via wiebelige hangbruggen het riviertje Río Quindío over. Vervolgens komt er een stuk dat vrij steil de berg op loopt. Omdat je van 2.400 meter naar ruim 2.800 meter klimt, valt dit stuk niet mee. Door de warmte, de hoogte en allicht mijn fysieke conditie is het een behoorlijk pittige klim. Eenmaal op het hoogste punt, bij de Finca la Montaña, heb je een geweldig uitzicht over de vallei, met ver beneden het pad waarlangs het eerste stuk van de wandeling liep. Op het laatste deel van de wandeling kom je nog langs twee uitkijkpunten, bij de waxpalmen die je eerder vanuit de vallei hebt gezien, alleen sta je er nu vlakbij. Erg fotogeniek en je hebt er een weids uitzicht over de vallei. Kortom: erg de moeite waard.

Medellín

Nadat ik de rest van de middag heb gerelaxt is de volgende dag weer een reisdag, met bestemming Medellín. Ik zou ’s ochtends vliegen, maar de vlucht is naar de middag verplaatst. Medellín is in grootte de tweede stad van Colombia en heeft ongeveer 2,5 miljoen inwoners. Dankzij Pablo Escobar Gavira was Medellín eind jaren tachtig en begin jaren negentig het centrum van de cocaïnehandel in Colombia. Zijn Medellín-kartel was goed voor tachtig procent van de cocaïne-export naar de Verenigde Staten. De keerzijde was dat Medellín in die tijd de moordhoofdstad van het land was en één van de gewelddadigste steden ter wereld. Sindsdien is er veel veranderd. Medellín is nu een moderne en bruisende stad.

Ik logeer in Poblado, een leuke wijk aan de zuidkant van Medellín, een woonwijk met veel groen en veel bars en restaurants. Een bovengrondse metrolijn snijdt als een slagader van noord naar zuid door de stad, waardoor je snel van Poblado in het centrum bent. Ik stap uit vlakbij Plaza de Botero. Op dit plein staan 23 grote bronzen sculpturen van Botero, die uit Medellín afkomstig is. Ook vindt je hier het Palacio de la Cultura Uribe Uribe, een  groot, zwart-grijs geblokt stenen gebouw in gotische stijl. Je kan ervan houden, maar ik vind het niet echt mooi. En dat geldt eigenlijk voor het hele centrum. De hoge betonnen constructie van de bovengrondse metro en de van beton en staal gemaakte stations domineren het straatbeeld, net als de grauwe jaren zeventig hoogbouw van beton en glas. Daartussen veel verkeer. Geen mooie stad als je het mij vraagt.

Via het Parque Berrío, een klein plein annex park, loop ik naar Parque San Antonio. De noordelijke helft hiervan is een onooglijk plein dat qua stijl communistisch aandoet. Het beeld van de slapende Venus van Botero lijkt hier verdwaald te zijn. Het zuidelijke deel is een park waar je ’s avonds moet zijn voor drugs en prostitutie. Als ik verder zuidwaarts wandel, kom ik bij Plaza de Luces. Het plein staat vol met hoge kolommen die ’s avonds oplichten (vandaar de naam Plein van de Lichten), een soort modern kunstwerk. Ze vormen een scherp contrast met de gerenoveerde historische markthallen aan de oostkant van het plein en de bamboeperken aan de andere kant.

Langs het plein loopt een drukke weg, met aan de overkant het historische treinstation van Medellín, dat er op deze plek een beetje verloren bij staat. Achter het station doemt een foeilelijk grijs kantoorgebouw op en daarachter ligt La Alpuratta, het bestuurlijke centrum van Medellín en de regio Antioquia. De grijze kantoorgebouwen en het sfeerloze plein ertussen lijken rechtstreeks uit de Sovjet-Unie te komen. In het midden staat een vreemd kunstwerk dat de strijd tussen goed en kwaad moet symboliseren.

Tussen het centrum en Poblado ligt de Cerro Nutibara. Na een korte klim heb je bovenop een 360 graden uitzicht over Medellín. Hoge gebouwen, allemaal roodbruin met lichtgrijs, reiken zo ver je kan kijken. De stad is ontstaan in de vallei, maar steeds verder uitgebreid tot ver op de hellingen van de omliggende heuvels. Aan het begin van de middag neem ik de metro terug naar Poblado en loop naar Parque Lleras, het centrale plein van de wijk, een groene oase omringd door restaurants. Ik neem uitgebreid de tijd om te lunchen en relaxen. Ik heb genoeg gelopen voor vandaag.

Tayrona

Op zaterdagochtend verlaat ik Medellín. Ik neem de metro naar het centrum, vanaf daar een bus naar de luchthaven en vervolgens vlieg ik in een uur naar Santa Marta. Ik heb het mezelf makkelijk gemaakt en een transfer geregeld van de luchthaven rechtstreeks naar de lodge waar ik zal logeren, op ongeveer een uur rijden ten oosten van Santa Marta. De lodge is prachtig gelegen op een heuvel met uitzicht over de met jungle begroeide bergen. Ik slaap in een huisje met een veranda en een hangmat (met bovenstaande uitzicht).

’s Middags wandel ik naar Playa Los Angeles. Colombia is het enige land dat zowel aan de Grote Oceaan als aan de Caribische Zee ligt. Na een korte wandeling sta ik dan ook aan het strand, met palmbomen, de Caribische Zee en een temperatuur die boven de dertig graden ligt. Het klimaat is hier tropisch en dus is het het hele jaar door bloedheet. De rest van de middag hang ik dan ook in mijn hangmat.

De lodge ligt vlakbij de ingang van het Parque Nacional Natural Tayrona. Dit park bestaat uit bergen met dichtbegroeide jungle die tot aan de zee loopt, stranden en een zeereservaat voor de kust. Het grootste gedeelte van het park is niet toegankelijk, alleen een smalle strook langs de kust. Als ik de volgende ochtend bij de ingang van het park aankom, staat er al een lange rij voor de kassa. Het is de laatste dag voordat het park een maand lang dichtgaat en blijkbaar hebben meer mensen deze dag uitgekozen om het park te bezoeken. Het is er ontzettend druk.

Nadat je met een busje een eind het park in bent gebracht, kan je een wandelroute volgen door de jungle richting het strand. Het pad is deels onverhard en deels voorzien van vlonders, het gaat omhoog en omlaag en af en toe moet je over wat rotsen klimmen. Je loopt door de dichtbegroeide jungle, met palmbomen, varens en lianen en helaas heel veel mensen. Het lijkt wel een pretpark, af en toe loop je gewoon in een soort file.

Na ongeveer een uur lopen kom je bij ene hooggelegen uitkijkpunt. En dat is wel een heel mooi punt. Vanaf de rosten kan je de kustlijn afkijken tot aan Cabo San Juan, met voor je het eindeloze blauw van de Caribische Zee. Ik wandel nog een stuk verder door de jungle, waar in in de bomen een kapucijnaapje en een rode brulaap zie, en loop tot aan Aricife, dat weer aan het strand ligt. Je kan nog verder lopen, tot aam Cabo San Juan, maar ik heb het inmiddels wel gezien en wandel terug. Tayrona is een mooi park, maar wat mij betreft veel te druk.

Cartagena

Taxi, bus, taxi. Dat vat de volgende dag wel zo’n beetje samen. Ik heb online een kaartje gekocht voor de bus van Santa Marta naar Cartagena, maar als ik op het busstation van Santa Marta kom, vertelt de meneer achter de balie me dat de betreffende bus niet rijdt. Maar, hij zal me naar een bus van een andere busmaatschappij overzetten. Hij gaat er met mijn online kaartje en mijn paspoort vandoor en even later wenkt hij me vanaf een afstandje en brengt hij me naar een bus. Nog eerder dan oorspronkelijk de bedoeling was, ben ik onderweg. Het wordt een lange rit. De midsize bus rijdt niet harder dan zeventig kilometer per uur en de meeste tijd (veel) langzamer. Hij stopt overal waar iemand langs de kant van de weg staat die mee wil of als er iemand wil uitstappen. Of om verkopers van snacks de bus in te laten, die er even later natuurlijk weer uit willen. De afstand van Santa Marta naar Cartagena is 215 kilometer en daar doet de bus zes uur over. Even na zes uur ’s avonds ben ik dan eindelijk op mijn plaats van bestemming, een hotel midden in het centrum van Cartagena.

Cartagena is een grote stad met een miljoen inwoners, die merendeels wonen in de uitgestrekte woonwijken ten westen van het oude centrum en ten zuiden daarvan, in de middenklassewijk Bocagrande, een smalle strook land direct aan de kust met veel (een beetje Amerikaans aandoende) moderne hoogbouw. De reden om Cartagena te zoeken is echter het Centro Histórico. Cartagena werd in 1533 door Spaanse conquistadores gesticht. De oude stad is nog bijna helemaal ommuurd door de in de achttiende eeuw gebouwde stadsmuur, La Murallas. Je kan over de muur om de stad heen lopen, met aan de ene kant uitzicht op de rode pannendaken van de oude stad en aan de andere kant het water van de Caribische Zee. Het is ook één van de weinig plekken waar de wind voor een beetje verkoeling zorgt. J

Aan de zuidoostkant van het oude centrum bevindt zich de Plaza de los Coches met de Puerta del Reloj, de oude stadspoort en hoofdingang van het historische Cartagena. Op het plein werden vroeger de slaven verhandeld die vanuit Afrika naar Colombia waren verscheept. Het plein wordt omringd door fraaie koloniale gebouwen, het plein zelf is het territorium van talloze straatverkopers. Om de hoek ligt een ander mooi plein, het Plaza de la Aduana, vernoemd naar het Casa de la Aduana, een wit gepleisterd gebouw met een galerij met bogen, dat een hele zijde van het plein beslaat. Aan de noordkant van het plein staat een beeld van Columbus.

Dit deel van de oude stad is een aaneenschakeling van mooie pleinen, want iets verderop ligt het Plaza de San Pedro Claver. Ook hier fraaie koloniale gebouwen, maar ook een hele serie moderne metalen kunstwerken die straattaferelen uitbeelden (straatverkopers, schaakspelers, dominospelers). Anders dan de andere pleinen is Plaza de Bolívar een park met bomen, bankjes en duiven. En natuurlijk een standbeeld van Bolívar. Aan de oostkant van het plein staat het koloniale Palacio de la Inquisición, waar de Spaanse inquisitie tweehonderd jaar lang gevestigd was, verantwoordelijk voor de dood van honderden mensen, voornamelijk tegenstanders van de Spaanse overheersers.

Naast al deze bezienswaardigheden is eigenlijk het hele Centro Histórico één groot openluchtmuseum, vol met koloniale gebouwen met luiken en overhangende houten balkons vol met planten en bloemen en geschilderd in geel, oker, oranje en rood. En smalle straatjes waar zich voortdurend taxi’s doorheen manoevreren en waar traditioneel geklede dames tegen betaling met je op de foto willen. In de meeste panden zitten tegenwoordig restaurants en winkels en veel daarvan zijn op toeristen gericht. De oude stad is prachtig bewaard gebleven (veel is in de jaren negentig gerenoveerd) en erg mooi en sfeervol.

Op woensdagochtend wandel ik na de koffie naar de wijk Getsemaní. Hier hangt een wat meer dorpse sfeer, met kleine huisjes en nauwe straatjes. Maar eerlijk gezegd vind ik er niet zoveel aan. Daarom wandel ik weer terug naar het Centro Histórico, waar ik nog een rondje over de stadsmuur loop, door de gezellig drukke straatjes slenter en ’s middags nog een tijdje relax.

En daarmee is mijn reis door Colombia alweer bijna ten einde. De volgende dag wacht nog een taxirit naar de luchthaven en een vlucht van ruim negen uur terug naar Nederland. Zoals ik aan het begin al schreef heeft Colombia inderdaad veel te bieden: oude koloniale steden en dorpen, mooie natuur, lekker weer en vriendelijke mensen. Het was weer een geslaagde reis!