24 mei – 9 juni 2019

Canada is het op één na grootste land ter wereld (na Rusland), maar heeft slechts 35 miljoen inwoners. Ik reis twee weken rond in de provincies Ontario en Québec, gelegen in het zuidoosten van Canada. Het land is zó groot dat dit deel van Canada dichterbij Europa ligt dan bij Vancouver, dat aan de andere kant van Canada ligt. Canada is cultureel opzicht zeer divers; de bevolking bestaat uit bijna alleen maar immigranten en hun nakomelingen. Alleen al in Toronto, de grootste stad van Canada, worden 130 talen gesproken en is maar liefst de helft van de inwoners buiten Canada geboren.

Het gebied dat nu Canada heet, werd oorspronkelijk bewoond door de Aboriginal People of North America, ook wel de First People genoemd, en door de Inuit in het noorden. Maar toen kwam Columbus langs (in 1492), gevolgd door John Cabot (in 1497). Hoewel de Europeanen in het nieuw ontdekte continent aanvankelijk vooral handelsmogelijkheden zagen, zou het daar natuurlijk niet bij blijven. Tegen het eind van de zestiende eeuw hadden Frankrijk en Groot-Brittannië een groot deel van Newfoundland geclaimd. De Fransen gingen nog een stap verder, koloniseerden een groot gebied langs de St Lawrence rivier en noemden het vanaf 1663 New France. Ze kregen het geregeld aan de stok met die andere kolonisten, de Britten, die het naast hun eigen koloniën in Noord-Amerika ook op het Franse gebied hadden voorzien. In 1759 gaven de Fransen zich over en werd New France als ‘Lower Canada’ onderdeel van het Britse rijk.

Door de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten raakten de Britten een groot deel van hun Amerikaanse grondgebied kwijt en vluchten veel loyalisten naar ‘Upper Canada’. In 1867 werden Upper en Lower Canada samengevoegd in een nieuwe Unie, the Dominion of Canada. Upper Canada werd de provincie Ontario, Lower Canada werd Québec. Hoewel Canada vanaf dat moment een grote mate van zelfstandigheid kende, bleef Groot-Brittannië lange tijd invloed houden op het bestuur van het land. Pas in 1982 maakte de Canada Act hier een einde aan en werd Canada echt onafhankelijk. Tot op de dag van vandaag is het land echter onderdeel van het Britse Gemenebest, met de Britse koningin als staatshoofd.

Toronto

Ik begin mijn reis in Toronto, gelegen aan de oever van Lake Ontario. Wat nu de grootste stad van Canada is, begon ooit als een klein dorpje met de naam York. Het was nog steeds een kleine plaats toen het vanaf 1793 enige tijd de hoofdstad werd van de Britse kolonie Upper Canada. Tot halverwege de twintigste eeuw zou Toronto een provinciestadje blijven. De groei en de komst van de wolkenkrabbers die nu de skyline van downtown Toronto bepalen, hebben zich pas in de laatste veertig jaar voorgedaan. In die periode groeide Toronto uit tot het economische en culturele centrum van Canada en werd de stad samengevoegd met omliggende plaatsen. De ‘Greater Toronto Area’ telt nu zes miljoen inwoners.

Na een kleine acht uur vliegen land ik op Toronto Pearson International Airport. Vanaf daar neem ik de trein naar Union Station, in het centrum van de stad. Ik logeer vlakbij het stadhuis van Toronto, gelegen aan het Nathan Philips Square. Dit plein is in de jaren zestig van de vorige eeuw aangelegd, en omvat een grote vijver in het midden, met daar omheen een verhoogde betonnen wandelpromenade. Het stadhuis, dat samen met het plein is ontworpen, bestaat uit twee gebogen torens van beton en glas, die samen een cirkel vormen. Het ontwerp doet een beetje Oostblokachtig aan en vormt een sterk contrast met het neoclassicistische oude stadhuis, dat nog steeds aan de oostkant van het plein staat.

Via Bay Street loop ik richting het zakencentrum van de stad. Dit is het epicentrum van de bankensector van Toronto en wordt gedomineerd door torenhoge wolkenkrabbers. De hoge glazen gevels weerkaatsen de zon. Aan Front Street, dat ooit aan de oever van Lake Ontario lag, maar door landwinning nu een stukje landinwaarts ligt, staat Union Station, met zijn indrukwekkende klassieke gevel met dikke zuilen. De ingang van het historische station, gebouwd in het begin van de twintigste eeuw, wordt momenteel verbouwd, maar de grote hal binnen is indrukwekkend en straalt de grandeur uit van de hoogtijdagen van de spoorwegen.

De skyline van Toronto is te herkennen aan de CN Tower, de 553 meter hoge toren en zendmast, die tot 2007 de hoogste vrijstaande constructie ter wereld was. Het doel van de CN Tower (vernoemd naar de Canadese spoorwegmaatschappij Canadian National) was aanvankelijk vooral praktisch, namelijk een hoge zendmast bouwen voor de Canadese televisiezender CBC. Maar de toren trok al snel zoveel aandacht dat het een toeristische attractie werd en nu op iedere promotiefoto van de stad te vinden is. In esthetisch opzicht is het niet echt een mooie toren en hij roept bij mij vooral herinneringen op aan de vergelijkbare torens die ik eerder bezocht in Seattle (VS) en Auckland (Nieuw-Zeeland).

Wat me opvalt is dat dit deel van Canada ontzettend ‘Amerikaans’ aandoet. De politieke cultuur in Canada mag dan verschillen met die in de Verenigde Staten, de architectuur, de inrichting van de stad, de auto’s, de winkels, de sfeer, de hele ‘look and feel’ komt in grote mate overeen met de zuiderburen. Alleen de Canadese vlaggen en het feit dat alles tweetalig is (Engels/Frans) doet me eraan herinneren dat ik in Canada ben.

Op mijn tweede dag in Toronto breng ik een bezoek aan het Royal Ontario Museum (ROM). Het grootste museum van Canada is gevestigd in een historisch gebouw, dat is uitgebreid met een contrasterend modern deel. De oude entree bevat een indrukwekkende hal met een hoog, goudkleurig en met mozaïek ingelegd plafond. In het museum is ontzettend veel te zien, van afdelingen met Oosterse kunst tot mineralen en gesteenten en een tentoonstelling over biodiversiteit. Je kan er uren ronddwalen.

Tussen het ROM en de gebouwen van de Universiteit van Toronto bevindt zich een parkje met een wandelpad, dat luistert naar de naam ‘Philosopher’s Walk’. Het pad volgt de bedding van een voormalig beekje. De naam van het pad doet vermoeden dat er beelden van beroemde filosofen langs staan, maar dat is niet het geval. Wel is een man bezig om stenen die her en der in het park liggen te stapelen. De op elkaar balancerende stenen vormen buitengewoon delicate bouwwerkjes, die dan ook regelmatig omvallen. De man bouwt echter onverstoorbaar door aan zijn volgende bouwwerkje. Hij doet me aan Albert Camus’ Sisyphus denken – en daarmee heeft de naam ‘Philosopher’s Walk’ toch betekenis gekregen.

Een ander museum dat zeer de moeite waard is, is de Art Gallery of Ontario. Ook dit museum, gevestigd in een gebouw met een opvallende, golvende glazen gevel, is enorm groot en voornamelijk gewijd aan schilderkunst en sculpturen, van Middeleeuwse Europese kunst tot aan moderne kunst. Wat mij het meest aanspreekt zijn de schilderijen van de ‘Group of Seven’, een groep Canadese schilders die er als ontdekkingsreizigers op uit trokken om de Canadese wildernis vast te leggen, en daarmee de Canadese identiteit. Ook hier kan je urenlang rondkijken. De Art Gallery zit aan de rand van Chinatown, een buurt vol met Aziatische restaurants, winkels, massagesalons en reclameborden met Chinese karakters. De buurt voelt ver weg van de wolkenkrabbers van het Banking District.

Op mijn laatste dag in Toronto loop ik langs het Eaton Centre, een enorm groot winkelcentrum en door downtown. Tussen de moderne hoogbouw zijn ook nog oude gebouwen te vinden, soms geheel ingeklemd tussen de wolkenkrabbers. Op de eerste verdieping van de verder verlaten zuidtoren van het Dominion Centre, een complex van vier zwarte kantoortorens, bevindt zich de onopvallende Gallery of Inuit Art. De kleine tentoonstelling bevat een aantal vitrines met sculpturen van Inuit kunstenaars. Ten oosten van downtown Toronto ligt het St. Lawrence District. Dit is het oudste nog bestaande deel van de stad, waar de gebouwen van rode baksteen grotendeels uit de negentiende eeuw dateren. De wijk was lange tijd vervallen, maar na een grondige opknapbeurt nu een hippe en gezellige wijk. Het is mooi weer en dus zitten de bankjes op het gezellige pleintje Berczy Park vol. De uit 1844 daterende markthal is nog steeds de plek waar inwoners hun boodschappen doen.

Niagara Falls

Het is maandagochtend als ik in het centrum van Toronto mijn huurauto ophaal en via de Gardiner Expressway de stad verlaat. Dat duurt veel langer dan gepland, want de Expressway, de grootste verkeersader die dwars door de Greater Toronto Area loopt, is ontzettend druk. Vervolgens rijd ik over de Queen Elizabeth Way, om de westkant van Lake Ontario heen, richting Niagara Falls. De Niagara Falls zijn waarschijnlijk de bekendste watervallen ter wereld en vormen samen met de Victoria Falls en de Cataratas del Iguazu de top 3 van grootste watervallen ter wereld. De Niagara Falls bestaat uit twee watervallen, gelegen op de grens van Canada en de Verenigde Staten: de 320 meter brede American Falls en de twee keer zo brede Horseshoe Falls (zo genoemd vanwege hun halfronde vorm). De twee watervallen worden van elkaar gescheiden door Goat Island. Het water dat vanuit Lake Ontario via de Niagara River naar Lake Erie stroomt, stort hier voortdurend met veel gedonder 53 meter naar beneden. Door de erosie die de kracht van het water veroorzaakt, schuiven de Horseshoe Falls ieder jaar dertig centimeter op. Volgens berekeningen is de waterval in de afgelopen 12.000 jaar daardoor maar liefst elf kilometer opgeschoven. Langs de rivier loopt een pad vanaf waar je prachtig uitzicht op de watervallen hebt. De enorme hoeveelheid water en het indrukwekkende geluid van watervallen als deze blijven indruk op me maken.

De Niagara Falls zijn een natuurfenomeen, maar de omgeving van de watervallen is allesbehalve natuurlijk. Het dorp Niagara Falls is een toeristisch attractie van de eerste orde, vol met hotels en restaurants die jaarlijks door miljoenen toeristen worden bezocht. Vooral de straten van Clifton Hill doen aan als een pretpark. Vreselijk, maar niet te vermijden als je op zoek bent naar koffie en lunch. Even toeristisch, maar wel een ‘must’ als je hier bent, is een tocht op één van de boten van Hornblower Cruises. Op een boot vol met andere toeristen, allemaal gehuld in een rode poncho, varen we langs de American Falls en vervolgens richting de Horseshoe Falls. De stuurman brengt de boot tot zeer dichtbij de waterval (vandaar de poncho, anders zou je na afloop doorweekt zijn). Van onderaf zijn watervallen nog indrukwekkender dan van bovenaf. Het boottochtje is dan ook zeer de moeite waard.

Overnachten doe ik een stukje noordelijker aan de Niagara Parkway. Het Queen Street District doet aan als een slaperig provinciestadje, ver weg van het toeristische gekrakeel. Een prima plek om op een terras van een brewpub na te genieten met een craft beer.

Bruce Peninsula & Georgian Bay

Op dinsdag staat een lange rit gepland: in 4,5 uur rijd ik van Niagara Falls, om de Greater Toronto Area heen (een enorm stedelijk gebied, met ook de steden Hamilton en Burlington), richting het noorden, naar de Bruce Peninsula. Na het stedelijke gebied wordt de omgeving landelijk en licht heuvelachtig. Het is grijs en het miezert, een groot verschil met de afgelopen dagen, die juist heel zonnig waren. Eenmaal op de Bruce Peninsula wordt het droog en rijd ik via een lange, min of meer rechte weg naar het uiterste noordpuntje van het schiereiland. Hier ligt het dorpje Tobermory, dat in de zomer wordt overspoeld door toeristen, maar nu, vroeg in het seizoen, een oase van rust is. Het is een heel klein dorpje, met een haventje dat luistert naar de aandoenlijke naam Little Tub Harbour.

Bruce Peninsula is een schiereiland in Lake Huron, of beter gezegd tussen Lake Huron aan de westkant en de Georgian Bay aan de oostkant. De omgeving wordt hier gekenmerkt door wat het Canadian Shield wordt genoemd. Dit is een gebied waarin de oppervlakte bestaat uit gesteente dat meer dan 500 miljoen jaar oud is en in latere ijstijden door gletsjers is uitgesleten. Een groot deel van de Canadese wildernis is bestaat uit dit Canadian Shield. De oostkant van Bruce Peninsula wordt gekenmerkt door hoge kalkstenen kliffen. Deze kliffen maken deel uit van een lange rij die de Niagara Escarpment wordt genoemd. De Niagara Escarpment loopt langs en door de ‘Grote Meren’ op de grens van Canada en de Verenigde Staten, en het hoogteverschil die door de Escarpment wordt veroorzaakt is mede de oorzaak van het ontstaan van die meren. Én van de Niagara Falls, want de Escarpment omvat ook de kliffen waar de Niagara Falls vanaf stromen.

Het noordelijke deel van het schiereiland bestaat grotendeels uit het Bruce Peninsula National Park en voor de kust ligt het Fathom Five National Marine Park. Het eerstgenoemde park biedt een aantal wandelroutes, waarvan er een aantal beginnen bij Cyprus Lake. Op woensdagochtend wandel ik hier in alle rust langs Horse Lake, door het bos, waarna ik uitkom bij de oever van de Georgian Bay. De baai heeft een prachtige kustlijn, met zoals gezegd kalkstenen kliffen en grote keien. Als je vanuit het bos bij het water komt, sta je bovenop zo’n klif, maar je kan nog iets verder klimmen, naar een hoge klif genaamd Indian Head Cove, waar je met enige fantasie inderdaad het hoofd van een indiaan in kan zien. Je hebt er een fantastisch uitzicht over de baai en de kustlijn. Vanaf de klif kan je naar beneden klauteren, over de keien heen, tot aan het kristalheldere water. Onder de rotsen bevindt zich de Grotto, een door erosie uitgesleten grot, en een eindje klimmen verder bevindt zich de Natural Bridge. Op de terugweg door het bos kom ik een Eastern Ribbon Snake tegen, een ongevaarlijke slangensoort (dat hij ongevaarlijk is leer ik uiteraard pas later na terugkeer in mijn motel).

De volgende dag ga ik mee met een boot die me naar Flowerpot Island brengt, één van de vele eilanden in het Fathom Five National Marine Park, maar het enige dat toegankelijk is. Het eiland ontleent zijn naam aan twee grote pilaren van kalksteen, die wel wat van een bloemenvaas weg hebben. De ‘flowerpots’ zijn het gevolg van eeuwenlange erosie, ooit was dit gebied bedekt door metershoge gletsjers. Ook hier is het water kristalhelder. Ik loop over een wandelpad die langs de oever van het eiland loopt, klim over de keien naar de ‘flowerpots’, en vervolgens dwars over het eiland door het bos terug. Onderweg kom ik meerdere Garter Snakes tegen (net zo ongevaarlijk als de Eastern Ribbon Snake) en aan het eind een grote Grey Rat Snake, die op keien in de zon ligt en weliswaar niet gevaarlijk is, maar er wel zo uitziet.

Ottawa

Op vrijdag en zaterdag rijd ik in twee lange etappes van Tobermory naar Ottawa. Vrijdag is een grijze, miezerige dag en ik heb niet echt zin om te gaan wandelen, zoals ik eerst van plan was. De rit naar Ottawa is de laatste autorit deze reis (hierna zal ik me per trein verplaatsen). Ik lever de huurauto in en loop een rondje door het centrum van Ottawa. De één miljoen inwoners tellende hoofdstad van Canada ligt op de grens van de provincies Ontario en Québec en de straatnaambordjes zijn dan ook tweetalig. Het is een prettige stad, maar heel erg veel is er niet te zien. Het interessantste deel is Parliament Hill, een heuvel aan de Ottawa rivier, waar de gebouwen van het Canadese parlement staan. Drie grote, statige gebouwen in Victoriaanse stijl, waarvan het middelste onderdak biedt aan de Canadese ‘Tweede en Eerste Kamer’. De gebouwen ondergaan momenteel een grote renovatie.

Vlakbij Parliament Hill is Confederation Square, met het nationale oorlogsmonument. Aan de overkant van het Rideau Canal staat het oude treinstation van Ottawa (nu een conferentiecentrum) en daar tegenover het kasteelachtige Fairmont Château Laurier hotel. Het Rideau Canal kwam in 1832 gereed en loopt helemaal van de St Lawrence rivier bij Kingston naar de Ottawa rivier, wat destijds een belangrijke handelsroute was. Aan de noordkant van het kanaal ontwikkelde zich vanaf 1855 het stadje Bytown, dat later werd omgedoopt in Ottawa en in 1857 de hoofdstad van Upper Canada werd.

De volgende dag bezoek ik de National Gallery of Canada. Het museum neemt je mee door de tijd heen, van Aboriginal art, via Canadese en Europese schilders (waaronder zeventiende eeuwse Hollandse meesters) naar moderne kunst. Na een rondje door een enorm groot winkelcentrum zoek ik een terras op bij één van de vele restaurants en cafés in de buurt Byward Market.

Québec City

Op maandagochtend zit ik al om half zeven in de trein. In zes uur reis ik van Ottawa naar Québec City. De trein is comfortabel en heeft gereserveerde stoelen, catering en wifi aan boord. Het uitzicht onderweg is niet echt spannend. Dit deel van Canada is vrijwel vlak en er is niet veel te zien. Als ik in Québec City aankom en de stad in loop, heb ik het idee dat ik in Frankrijk ben beland. Niet alleen de taal is anders (alles is hier in het Frans), ook de architectuur  en sfeer zijn anders.

Vieux Québec, het oude deel van de stad, is de enige ommuurde stad in Noord-Amerika en staat op de Werelderfgoedlijst van Unesco. De stad ligt aan de St Lawrence rivier, het ommuurde Haute-Ville op een hoge klif, Cap Diamant, en Basse-Ville aan de voet van de klif, aan het water. Basse-Ville is het oudste deel van de stad, uit 1608, Haute-Ville dateert uit 1620. Aan de oostkant van Vieux Québec bevindt zich de oude stadsmuur, met drie stadspoorten: Porte St. Louis, Porte Kent (wat raar klinkt) en Porte St. Jean, en oude barakken en wapendepots in Artillery Park.

In het hart van het compacte Haute-Ville, waar het wemelt van de toeristen, staat het Hôtel de Ville uit 1883. Ernaast torent het art deco-gebouw Edifice Price overal bovenuit. Richting de rivier is het Place d’Armes, met een fontein en bankjes, dat dienst lijkt te doen als verzamelpunt voor iedereen die Québec City bezoekt; touring cars en koetsjes rijden af en aan en ik zie meer Aziaten dan westerlingen. Op de hoek van Place d’Armes staat het oude Palais de Justice uit 1877, maar alle aandacht gaat hier uit naar het enorme Château Frontenac. Het is een mengeling van kasteel, fort en hotel – dat laatste omdat het ook echt een hotel is, in 1893 door de Canadese spoorwegen gebouwd. Imposant ja, mooi niet echt. Langs Château Frontenac loopt een brede houten wandelpromenade, Terrasse Dufferin, waar je niet alleen het kasteel in vol ornaat kan bewonderen, maar ook een weids uitzicht hebt over de St. Lawrence rivier.

Bij Place d’Armes loopt een steile trap naar beneden (de vergelijking met Montmartre dringt zich op) naar het lager gelegen Basse-Ville. Dit is een zeer pittoresk wijkje met keienstraatjes en huizen die uit de zeventiende en achttiende eeuw dateren. Rue du Petit-Champlain is de oudste straat van Québec. Ook hier heb je het gevoel in een oud Frans dorpje te lopen. Zij het wel één vol restaurantjes en toeristenwinkeltjes, die er zijn gekomen nadat de wijk in de jaren zeventig van de vorige eeuw een grondige opknapbeurt had gekregen. Place Royale (ooit Place du Marché, prioriteiten veranderen blijkbaar) is waar de stad in 1608 begon.

Montréal

Op woensdagochtend verlaat ik Quebec City en reis ik per trein in drie uur naar Montréal, de op één na grootste stad van Canada (na Toronto) en tevens de op één na grootste Franstalige stad ter wereld (na Parijs). Waar Québec City echt Frans aandoet, is Montréal meer een mengeling. Op straat wordt zowel Frans als Engels gesproken, de architectuur is meer Amerikaans en de sfeer is internationaal.

Vieux-Montréal was net als Vieux-Québec tot in de jaren zestig van de vorige eeuw vervallen, maar is daarna gerevitaliseerd en je vindt er nu tal van restaurants, winkels en galeries. Ook hier vind je een Place d’Armes, met behalve een kerk ook de Banque de Montréal, dat aan het gebouw van de effectenbeurs aan Wall Street doet denken, en het opvallende zandkleurige art deco Aldred Building. De Rue Notre-Dame is de oudste straat van Montréal. Het Old Courthouse en het Edifice Ernest Cormier hebben allebei een Amerikaanse uitstraling, terwijl het iets verderop gelegen Hôtel de Ville uit 1870 juist geïnspireerd is op Franse architectuur. Tegenover het stadhuis staat Château Ramezay, dat in 1705 is gebouwd als woning voor de gouverneur van Montréal. Vanaf hier loopt het in 1804 aangelegde Place Jacques-Cartier naar beneden richting de rivier.

Aan de Rue St.-Paul staat het uit 1850 daterende Marché Bonsecours, met een opvallende zilverkleurige koepel. De andere kant van het gebouw kijkt uit over de Vieux Port, de oude haven van Montréal. Het gebied is nu deels een park met wandelpaden, deels een evenemententerrein en deels attractiepark, met een onmisbaar reuzenrad. Vanaf de wandelpromenade heb je een fraai uitzicht over de rivier. Aangezien het prachtig weer is, is dit een prima plek om te relaxen.

Mijn laatste dag in Montréal, en in Canada, breng ik door in downtown. Hier veel hoogbouw, kantoren, winkels, restaurants, musea en theaters, afgewisseld met groene pleinen en parkjes, zoals Square Dorcester (op z’n Frans, dus niet Dorcester Square) en Place du Canada. In downtown vind je ook de Underground City. De aanleg hiervan begon in de jaren zestig van de vorige eeuw met het ondergrondse winkelcentrum Place de Ville Marie. In de jaren daarna werd er een heel stelsel van tunnels aangelegd die metrostations, winkelcentra, kantoren en appartementengebouwen met elkaar verbinden. Dit ondergrondse netwerk, Réso genoemd, wordt vooral in de hier doorgaans zeer strenge winters door de inwoners van Montréal gebruikt om van de ene naar de andere plek te komen.

Ten westen van downtown ligt Mont Royal, anders dan de naam doet vermoeden een heuvel (233 meter hoog is geen berg). Het is een groene oase midden in de stad, in de vorm van een stadsbos met beschutte wandelpaden. Bovenop, bij Chalet de Mont-Royal, heb je een prachtig weids uitzicht over Montréal en de St. Lawrence rivier. Het pak achter het Chalet is een heerlijk rustige plek om te relaxen, omringd door nieuwsgierige (en hongerige) eekhoorns.

De volgende dag is het tijd om naar de luchthaven te gaan. Mijn twee weken in Ontario en Québec zitten er alweer op. Het was een geslaagde reis, waarin prettige steden met interessante musea en bezienswaardigheden afgewisseld werden met de indrukwekkende Niagara Falls en het rustige Bruce Peninsula. En waarin vooral het verschil tussen het Amerikaans aandoende Ontario en het Frans aandoende Québec me is opgevallen. Het naar verluidt prachtige westen van Canada staat voor een volgende keer op het programma.