6 – 22 september 2019

Als ik de drie Baltische staten, Estland, Letland en Litouwen, moet samenvatten dan zou ik zeggen: een roerige geschiedenis, prachtige oude steden en rustige natuurgebieden. En zeer de moeite van een bezoek waard!

Wat die roerige geschiedenis betreft: Het huidige Estland en Letland zijn in de loop der eeuwen achtereenvolgens Deens, Duits, Zweeds, Pools en Russisch grondgebied geweest. Vanaf het begin van de achttiende eeuw hadden de Russen het er voor het zeggen en ontwikkelden Tallinn (Estland) en Riga (Letland) zich tot belangrijke Russische havensteden.

Litouwen heeft een wat andere geschiedenis dan Estland en Letland. Het Groothertogdom Litouwen is in de dertiende eeuw ontstaan en ontwikkelde zich in de veertiende tot en met de zestiende eeuw tot een regionale grootmacht. Het land was toen veel groter dan nu en omvatte delen van het huidige Polen, Wit-Rusland, Rusland en Oekraïne. De hoofdstad Vilnius was één van de grootste steden van Oost-Europa. Eind zestiende eeuw nam de macht van Litouwen snel af en na een unie met Polen werd het land in de tweede helft van de achttiende eeuw onderdeel van Rusland.

Na de Eerste Wereldoorlog streden de Baltische volken voor onafhankelijkheid. In 1918 herwon Litouwen zijn onafhankelijkheid. In 1919 werd Letland voor het eerst in de geschiedenis een onafhankelijk land, gevolgd door Estland een jaar later. De onafhankelijkheid was echter maar van korte duur. Toen Duitsland en de Sovjet-Unie in 1939 het Molotov-Ribbentroppact sloten, kwamen de Baltische staten weer onder Russische invloed te vallen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de drie staten door Duitsland bezet en na de oorlog werden het weer Sovjet-republieken. Wat volgde was ruim veertig jaar totalitaire dictatuur.

In de jaren tachtig groeide het onafhankelijkheidsstreven in de Baltische staten en op 23 augustus 1989, vijftig jaar na het Molotov-Ribbentroppact, vormden twee miljoen Esten, Letten en Litouwers een menselijke keten van Tallinn via Riga naar Vilnius om dit streven kracht bij te zetten. Na de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van de Sovjet-Unie riepen de Baltische staten in 1991 (opnieuw) de onafhankelijkheid uit.

Bijna dertig jaar later zijn Estland, Letland en Litouwen moderne democratieën en trots lid van de Europese Unie. In de steden leven mensen een westerse levensstijl en moderne gemakken als wifi en contactloos betalen zijn gemeengoed. Ze lijken de Sovjet-tijd ver achter zich te hebben gelaten. Inwoners van de Baltische staten die nu halverwege de twintig zijn, hebben de onafhankelijkheid van hun land niet meegemaakt. Zij zijn opgegroeid in een moderne democratische rechtsstaat en voor hen is de Sovjet-tijd iets uit de geschiedenisboekjes.

Tallinn, Estland

Ik begin mijn reis in Estland, de meest noordelijke van de Baltische staten. Ondanks eeuwenlange overheersing door buitenlandse machten hebben de Esten een sterke historische en culturele nationale identiteit. Cultureel zijn ze (in tegenstelling tot Letland en Litouwen) het meest verwant met Finland, ondanks de historische relatie met Rusland. Ook de Estse taal is nauw verwant aan het Fins. Van de drie Baltische staten heeft Estland de minste inwoners: 1,3 miljoen. Hiervan is 70% van Estse oorsprong, een kwart is Russisch.

Ik kom op vrijdagmiddag aan op de bescheiden luchthaven van Tallinn en met tram ben ik in twintig minuten in het centrum van de stad, die 415.000 inwoners telt. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is Tallinn in rap tempo gemoderniseerd en is de oude, ommuurde stad gerenoveerd. Dit gedeelte, Vanalinn geheten, staat nu op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Het blijkt een verrassend mooie oude stad te zijn, en dat hebben meer mensen ontdekt: het wemelt er van de toeristen. Het is prachtig nazomerweer: zonnig en zo’n twintig graden, perfect om de stad te verkennen.

Toompea is het oudste nog bestaande gedeelte van Tallinn. Op de gelijknamige heuvel werd in de veertiende eeuw een citadel gebouwd. Een deel van de muur en drie van de torens zijn bewaard gebleven. Binnen de muren van de citadel bevindt zich een kasteel, dat echter in de loop der eeuwen veelvuldig is verbouwd en niet echt meer op een kasteel lijkt. Het zalmroze gebouw is nu de zetel van het Estse parlement. Er tegenover staat de in 1900 gebouwde Russisch-orthodoxe kathedraal. De rest van Toompea bestaat uit nauwe keienstraatjes die teruggaan tot de vijftiende eeuw, met huizen waarvan de gevels in pastelkleuren zijn geschilderd.

Vanaf de Patkuli Vaateplats heb je een fraai uitzicht over het lager gelegen gedeelte van de oude stad. In dat lager gelegen gedeelte vind je het Raekoja Plats, het stadhuisplein. Aan de zuidkant van het plein staat het in 1404 gebouwde stadhuis. Aan de andere drie zijden van het plein staan statige panden met pastelkleurige gevels, gebouwd in de veertiende tot en met de zeventiende eeuw. In de meeste panden zijn nu restaurants gevestigd, met terrassen op het plein. De 64 meter hoge toren van het stadhuis, gebouwd in 1530, is open voor publiek. Via een smalle en steile wenteltrap (115 treden) kan je tot bovenin de toren komen, waar smalle ramen uitzicht bieden over de daken van de oude stad en de citadel op de Toompea-heuvel.

De volgende dag loop ik langs de indrukwekkende kanontoren die luistert naar de Nederduitse naam ‘Kiek in de kök’, in 1475 gebouwd als onderdeel van de middeleeuwse fortificaties van Tallinn. Iets verderop ligt Vabaduse Väljak, oftewel het Vrijheidsplein, dat vooral voor grote evenementen wordt gebruikt. Aan de westkant van het plein staat een groot glazen kruis ter nagedachtenis aan de onafhankelijkheidsoorlog in 1920.

Net als Toompea bestaat ook het lager gelegen deel van de oude stad uit pittoreske straatjes, die, zoals het een middeleeuws centrum betaamt, geen van alle recht lopen. Tallinn was ooit een belangrijke Hanzestad, iets waar het Grote Gildehuis uit 1410 en de statige huizen langs Lai (de brede straat) en Pikk (de lange straat) nog aan herinneren. Hoe verschillende tijden elkaar raken wordt duidelijk als je in die laatste straat voor nummer 59 staat: in dit fraaie gebouw was tijdens de Koude Oorlog het Estse hoofdkwartier van de KGB gevestigd, met cellen en martelkamers in de kelder. Aan het eind van de straat bevindt zich de Suur Rannavärav, de middeleeuwse stadspoort aan de noordkant van de oude stad, die toegang gaf tot de haven. Aan de noordwestkant van de oude stad is een groot deel van de oude stadsmuur bewaard gebleven, inclusief negen (van de oorspronkelijke 45) torens.

Zondagochtend neem ik vanaf het Vrijheidsplein de tram naar het Kadriorg-park. Nadat Rusland in de achttiende eeuw Estland had ingelijfd, liet tsaar Peter de Grote tussen 1718 en 1736 dit park, inclusief een zalmroze paleis, aanleggen voor zijn vrouw Catherine. Tegenwoordig is het park publiek toegankelijk, ook de fraaie, in Franse stijl aangelegde tuinen rondom het paleis, dat nu dienst doet als museum. Aan de rand van het Kadriorg-park staat het in 2006 gebouwde KUMU (de afkorting van Kunstimuuseum oftewel het kunstmuseum). Het moderne, strak vormgegeven museum heeft een vaste collectie van Estse schilder- en beeldhouwkunst van de achttiende eeuw tot de Tweede Wereldoorlog, en een verdieping die is gewijd aan kunst uit de Sovjet-tijd.

Laheema National Park, Estland

Na drie dagen Tallinn haal ik op maandagochtend mijn huurauto op en verlaat ik de Estse hoofdstad via snelweg 1 (bij het woord ‘snelweg’ moet je je niet teveel voorstellen, de meeste wegen zijn hier tweebaans 80- en 90-kilometerwegen). Ik kom langs afslagen naar Stockholm en Helsinki, zie borden die waarschuwen voor overstekende elanden, en als ik deze weg maar lang genoeg volg, kom ik vanzelf in Sint Petersburg. Maar daar ga ik niet naartoe, mijn bestemming is Laheema National Park, op een uur rijden van Tallinn.

Laheema National Park is in 1971 gevormd en was het eerste nationale park van de Sovjet-Unie. Het beslaat 725 vierkante kilometer beschermd natuurgebied langs de noordkust van Estland. Het is een bosrijk gebied, met vooral dennenbossen, maar ook boerderijen en kleine dorpjes, vaak niet meer dan een paar huizen bij elkaar. Ook vind je er grote landhuizen van de voormalige rijke (vaak Duitse) elite, die nu vaak dienst doen als hotel of museum, zoals het uit 1720 daterende Palmse en het in 1753 gebouwde Sagadi.

De grillige noordkust van Estland, met schiereilanden en baaien, is gedurende miljoenen jaren door gletsjers gevormd. De gletsjers, die tot een kilometer dik waren, brachten grote keien vanuit het huidige Finland mee en toen de gletsjers zich door de opwarmende aarde terugtrokken, bleven de keien achter. Overal langs de kust en in de bossen kan je deze keien zien liggen. De oudste keien zijn naar schatting 1.600 miljoen (!) jaar oud. Ik wandel de 4,5 kilometer lange trail langs het water van de Käsmu-baai, waar grote keien fotogeniek in het water liggen. Ik geniet een tijdje van de serene rust aan het water en loop vervolgens door het dennenbos verder. Op mijn voetstappen, het geruis van de bomen en wat vogels is het volkomen stil, er is verder helemaal niemand. Ook hier liggen overal grote keien, veelal met mos begroeid. De keien variëren in grootte, sommige zijn enorm, zoals de zeven meter hoge Majakivi-kei. De grootste kei ligt in het bos bij Tammispea en is maar liefst acht meter hoog.

Nadat ik de nacht heb doorgebracht in het tot hotel verbouwde landhuis Sagadi, ga ik de volgende ochtend naar Altja, een klein vissersdorpje dat uit niet meer dan een paar huizen bestaat. Ook tijdens mijn wandeling hier kom ik niemand tegen. De trail loopt deels langs de kust, met uitzicht op de Golf van Finland. Tot eind jaren tachtig was dit de grens van de Sovjet-Unie en stond hier langs de kust een hoog hek. Ik loop langs het kabbelende water, over stukjes strand aan de rand van het dennenbos, en ga een tijdje op een boomstronk zitten met uitzicht over het water. Het is prachtig zonnig weer en ik neem dan ook alle tijd om van de serene rust te genieten.

In de middag rijd ik in twee uur van Laheema National Park naar het stadje Tartu. Het overgrote deel van Estland bestaat uit platteland, in het noorden vrijwel vlak, in het zuiden wat glooiender. Omdat Estland dunbevolkt is, is het erg rustig op de weg. Sommige stukken lijken vrijwel verlaten.

Tartu, Estland

De volgende dag wandel ik in alle rust door het universiteitsstadje Tartu. Het is mooi weer, maar de eerste herfstblaadjes dwarrelen al rond. Tartu is een relaxed stadje van nog geen 100.000 inwoners. Het oude centrum kan je in een paar uur bekijken.

Het hart van het oude centrum is het driehoekige Raekoja Plats (het Stadhuisplein), met aan de westkant het roze/wit gepleisterde stadhuis. Het is gebouwd tussen 1782 en 1789 en afgezien van de kleur is het ontwerp gebaseerd het traditionele Nederlandse stadhuis. Langs de lange zijden van het plein staan statige klassieke panden. In één van de zijstraten bevindt zich het statige hoofdgebouw van de universiteit, waarvan het ontwerp met dorische zuilen is geïnspireerd door de oude Griekse tempels.

Achter het stadhuis ligt Toomemägi, de Kathedraalheuvel, waar al in de zesde eeuw een bolwerk werd gebouwd. Op de heuvel staat de ruïne van een gotische kathedraal, die hier in de dertiende eeuw werd gebouwd. De kathedraal is in de loop der eeuwen meerdere keren verwoest en weer herbouwd. Het is nu deels ruïne en deels museum. Onder Toomemägi, is in de achttiende eeuw de Püssirohu-kelder gebouwd, een tien meter hoge bakstenen munitiekelder, die nu dienst doet als café-restaurant.

Op de hoek van de Riia en Pepleri-straten staat een donkergrijs gebouw waar in het begin van de twintigste eeuw de KGB zijn intrek nam, nadat Estland bij de Sovjet-Unie was ingelijfd. In de kelder bevonden zich de cellen waar politieke gevangenen vast werden gezet. Na de bezetting door de Duitsers keerde de KGB in hetzelfde gebouw terug en zou er tot de val van de Sovjet-Unie blijven . Heel wat Esten zijn hier gevangen gezet, gemarteld, geliquideerd of naar één van de strafkampen in Siberië gestuurd. In de voormalige cellen is nu een klein museum gevestigd, dat de moeite waard is.

Cesis en Gauja National Park, Letland

Op donderdag verlaat ik Estland. Vanuit Tartu leidt één lange weg rechtdoor naar het grensplaatsje Valga (Estse kant) / Valka (Letse kant). Dankzij het feit dat de Baltische staten tegenwoordig bij de Europese Unie horen, rijd je vrijwel ongemerkt de grens over. Letland heeft 2,2 miljoen inwoners en bestaat vrijwel alleen maar uit platteland, bossen en natuur. Het is één van de dunstbevolkte landen van de Europese Unie en heeft maar één echte stad: de hoofdstad Riga.

Ik rijd in twee uur tijd naar Cesis, een klein dorpje met een grote aandachtstrekker: het middeleeuwse kasteel. Dit kasteel is in de twaalfde eeuw gebouwd en bestaat, of beter: bestond, uit een centrale binnenplaats met daar omheen hoge, anderhalve meter dikke muren en vier verdedigingstorens, zoals je een kasteel zou tekenen. In 1577 besloot de Russische tsaar Ivan (de Verschrikkelijke) Cesis te veroveren. Toen duidelijk werd dat de inwoners van het kasteel de slag gingen verliezen, besloten ze dat ze zich niet wilden overgeven. In plaats daarvan gebruikten ze de munitievoorraad om zichzelf op te blazen. Vandaar dat het kasteel nu een ruïne is. Het kasteel is de moeite waard, maar een wandeling door het dorp dat rondom het kasteel is ontstaan, is dat zeker ook. Het is erg pittoresk, met oude houten huizen en latere huizen van steen met afbladderend pleisterwerk aan rustige keienstraatjes.

Ik overnacht weer in een oud landhuis, een kwartiertje rijden ten zuiden van Cesis, in Gauja National Park. Dit is 1973 gestichte park is het oudste nationale park van Letland. Een groot gebied met dennenbos, grasland, riviertjes en boerderijen. Op vrijdagochtend is het bewolkt, maar wel droog en dus goed wandelweer. Ik wandel door het bos, richting het riviertje Amata, en vervolgens langs het riviertje over zandstenen kliffen. Ook hier is het heerlijk rustig. Een smal paadje leidt langs een aantal uitzichtpunten, zoals op de klif van Ainavu. Ook bezoek ik de Zvartes Iezes (Zvarte rots), een fotogenieke rode zandstenen rots aan de Amata. De omgeving is niet heel spectaculair, maar het is een mooie wandeling. En goed getimed, want de middag verloopt regenachtig.

Riga, Letland

Met ruim 700.000 inwoners is Riga de grootste stad van de Baltische staten. De stad is gelegen aan de rivier Daugava en was net als Tallinn ooit een belangrijke Noord-Europese havenstad. De compacte middeleeuwse binnenstad (Vecriga) bestaat uit grotendeels autovrije keienstraatjes. Daaromheen liep ooit een slotgracht, wat nu het Pilsekas Kanals (het Stadskanaal) is, en daarbuiten is in de negentiende en twintigste eeuw de stad uitgebreid. Op de grens tussen het oude en ‘nieuwe’ gedeelte staat het torenhoge Vrijheidsmonument, bijgenaamd Milda (die drie sterren omhoog houdt). Het monument, met de inscriptie “voor vaderland en vrijheid” is in 1935 geplaatst en opvallend genoeg heeft het er ook tijdens de Sovjet-tijd altijd gestaan.

De oude binnenstad van Riga heeft een aantal mooie pleinen, zoals Livu Laukums, een gezellig plein met terrassen en achttiende-eeuwse pastelkleurige gevels. Aan het Ratslaukums (Stadhuisplein) staat uiteraard het stadhuis, maar alle aandacht gaat uit naar het gebouw dat er recht tegenover staat: het Melngalvju Nams, oftewel het Zwarthoofdenhuis. In dit in 1344 gebouwde pand was het Zwarthoofdengilde gevestigd, een gilde voor ongetrouwde Duitse handelaren. Het huidige gebouw is overigens een replica: het origineel overleefde de Tweede Wereldoorlog niet, maar de originele tekeningen wel en aan de hand daarvan is het pand in 2001 herbouwd. Hetzelfde geldt voor het stadhuis, ook dit werd tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoest en in 2003 volgens het originele ontwerp herbouwd. Midden op het plein staat een beeld van de beschermheilige van de stad, Sint Roland (naar ik aanneem ook een replica J).

In de oude stad zijn veel straatjes met fraaie oude huizen van rijke handelaren en ook vind je er veel art nouveau-architectuur. Het mooiste plein vind ik zelf het Doma Laukums (Domplein). Behalve de kathedraal vind je hier ook het roodbruine bakstenen gebouw waar vroeger de effectenbeurs was gevestigd (nu een museum) en een fotogenieke zuidkant met fraaie gevels en terrassen, waar het dankzij het mooie weer gezellig druk is.

Ik wandel verder langs Riga Pils (nee, geen bier, pils betekent kasteel in het Lets), de residentie van de Letse president, door de Maza Pils Iela, waar de drie oudste huizen van Riga staan (de oudste dateert uit de vijftiende eeuw, de andere twee uit de zeventiende) en langs de Zweedse Poort, de enige nog bestaande stadspoort in Riga, gebouwd in 1698. Vervolgens door de Torna Iela, met de okergele gevel van het zestiende-eeuwse kazernegebouw (waar nu restaurantjes in zitten) tot aan de Pulvertornis (Kruittoren). De stadsmuur van Riga had ooit achttien torens en dit is de enige die nog overeind staat.

Op zondag, een regenachtige dag, bezoek ik het Latvian National Museum of Art, dat geheel gewijd is aan Letse schilderkunst vanaf de zestiende eeuw tot nu. Het is aan aardig museum, maar ik vond de werken in het KUMU in Tallinn mooier en interessanter. Na het museum wandel ik door ‘Centrs’, het ‘nieuwe’ centrum van Riga, met brede straten en veel fraai vormgegeven gebouwen uit eind negentiende, begin twintigste eeuw. Nu zitten er allerlei winkels, restaurants en koffiezaakjes. In één van die gebouwen, bekend als ‘het Hoekhuis’, zat in de vorige eeuw de Letse vestiging van de KGB. Het is nu het Museum over de Bezetting van Letland, dat het verhaal vertelt van de verschrikkingen van het totalitaire communistische regime en het verzet daartegen. Saillant detail: het gebouw staat aan wat nu de Brivibas Iela heet, de Vrijheidsstraat.

Zemaitija National Park, Litouwen

Op dinsdag staat een lange autorit op het programma, waarbij ik Letland verlaat en Litouwen binnenrijd. Als ik bij het dorpje Eleja de grens oversteek, valt me op dat aan de Letse kant de oude douanepost er nog staat. De weg loopt er nu omheen en je rijdt ongehinderd van Letland Litouwen in. Ook in Litouwen zijn de meeste wegen tweebaans en is het niet erg druk. De omgeving is licht glooiend en bestaat vooral uit landbouwgrond. Litouwen is in oppervlakte de grootste van de drie Baltische Staten en heeft ruim 3,5 miljoen inwoners. Het is ook het meest homogene land van de drie: 85% van de inwoners is Litouws, 6% Pools en 5% Russisch.

Mijn bestemming voor vandaag is Zemaitija National Park, dat in het noordwesten van Litouwen ligt. Diep in de bossen ligt hier een voormalige nucleaire raketbasis van de Sovjet-Unie. De Plokštine-basis is in de jaren zestig, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, in het diepste geheim aangelegd, ver van de bewoonde wereld. Terwijl de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in een wapenwedloop waren verwikkeld, plaatsten de Russen hier middellangeafstandsraketten, die in geval van oorlog West-Europa moesten treffen. De basis is nu opengesteld onder de (wellicht wat overdreven) naam  Cold War Museum.

Nadat je de hekken met prikkeldraad bent gepasseerd kom je bij vier koepels die de bovenkant vormen van de ondergrondse raketsilo’s. Door een klein deurtje daal je af naar een ondergrondse bunker, waar onder andere de controlekamers en de verblijven van de militairen waren gevestigd. Via diverse gangen en stalen deuren kom je aan het eind bij één van de dertig meter diepe raketsilo’s. Het is een beetje creepy plek om rond te lopen, zeker als je bedenkt wat het doel ervan was. Een heel bijzondere plek om te bezoeken.

Na een regenachtige middag is het de volgende ochtend wel een paar uur mooi weer. Ik maak van de gelegenheid gebruik om een wandeling te maken in Zemaitija National Park. Dat doe ik aan de westoever van het Plateliai-meer, waar het ’s ochtends nog heerlijk rustig is. In anderhalf uur loop ik langs het meer en door het bos terug. Daarna rijd ik in 3,5 uur naar mijn laatste stop deze reis: de Litouwse hoofdstad Vilnius.

Vilnius, Litouwen

Vilnius telt 550.000 inwoners en zit qua formaat dus tussen Tallinn en Riga in. Net als de oude stad van deze steden staat ook het oude centrum van Vilnius op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Ik begin aan de zuidkant, bij de Aušros Vartai, vrij vertaald de Zonsopkomstpoort. Het is de enige nog bestaande stadspoort in de oude stadsmuur die ooit heel Vilnius omringde. Vanaf hier wandel ik door de straatjes van de oude stad, die vol staat met kerken en barokke gebouwen. Ik loop langs het Rotušes Aikšte (het Stadhuisplein), door kleine achterafstraatjes en de hoofdstraat Pilies Gatve.

Aan de noordkant van de oude stad kom je bij het Katedros Aikšte (het Kathedraalplein), zo genoemd, uiteraard, vanwege de grote kathedraal die hier staat. Niet een Gotische kathedraal zoals je vaak ziet, maar een enorm hagelwit gebouw met een klassieke voorgevel met hoge dorische zuilen. Op het plein voor de kathedraal staat een 57 meter hoge, en al even hagelwitte, klokkentoren. Naast de kathedraal staat het Paleis van de Groothertogen van Litouwen. Het oorspronkelijke paleis is diverse keren uitgebreid, verwoest en herbouwd. De huidige versie is relatief nieuw, maar gebouwd zoals het er in de zeventiende eeuw uitgezien moet hebben. Aan de andere kant van de kathedraal staat het nationaal museum, met daarvoor een beeld van de enige koning die Litouwen ooit heeft gehad: koning Mindaugas.

Vilnius is in de dertiende eeuw gesticht op de Gediminas-heuvel, waar een fort werd gebouwd. Van dat fort staat alleen de rode bakstenen uitkijktoren nog overeind, overigens een in de vijftiende eeuw gebouwde versie ervan. Vanaf deze toren heb je een prachtig uitzicht over heel Vilnius. Door de vijftiende en zestiende-eeuwse straatjes loop ik langs het presidentieel paleis en de fraaie campus van de Universiteit van Vilnius. Deze universiteit is gesticht in 1579 en de campus bestaat uit een cluster van zestiende-eeuwse gebouwen rondom dertien binnenplaatsen, waaronder de fraaie Grote Binnenplaats. De gebouwen zijn nog altijd in gebruik als universiteitsgebouwen en het is er dan ook druk met studenten.

Op vrijdag loop ik door het ‘nieuwe’ deel van Vilnius, dat wil zeggen het deel dat in de negentiende eeuw is gebouwd en nu het centrum van de stad vormt. Hier vind je brede boulevards, zoals de hoofdstraat Gedimo Prospektas, met winkels, restaurants, cafés, hotels en theaters. Aan de noordoever van de rivier Neris stonden vroeger vooral grauwe flatgebouwen uit de Sovjet-tijd, maar in de afgelopen jaren is hier een nieuw, modern ‘business district’ gebouwd. Met moderne hoogbouw, kantoren en winkelcentra.

Na een relaxte zaterdag meld ik mij op zondagochtend op de luchthaven van Vilnius voor de terugvlucht naar Nederland. Die blijkt echter om onbekende redenen geannuleerd te zijn. Dat is me in al die jaren reizen nog nooit overkomen… De luchtvaartmaatschappij heeft een alternatieve vlucht voor me geboekt, of liever gezegd twee: ik vlieg eerst van Vilnius naar Moskou en vervolgens van Moskou naar Amsterdam. Ik ben blij dat ik naar huis kan, al is het met een omweg en in totaal zo’n  tien uur vertraging…