Chili

15 februari – 7 maart 2020

Santiago

Of het bewust gedaan is, weet ik niet, maar Chili heeft wel wat weg van een chilipeper. Het beslaat een smalle strook land, ingeklemd tussen het Andesgebergte en de Grote Oceaan. Het is gemiddeld slechts 175 kilometer breed, maar wel 4.300 kilometer lang. Van de droogste woestijn ter wereld in het noorden, tot aan de gletsjers en Kaap Hoorn in het uiterste zuiden. Chili was lange tijd onderdeel van de Spaanse koloniën in Zuid-Amerika. In 1818 werd het land onafhankelijk, maar het zou nog decennia duren voordat het land zijn huidige vorm en omvang had. Tegenwoordig heeft het land een kleine achttien miljoen inwoners, waarvan veertig procent in de hoofdstad Santiago woont.

De vlucht van Schiphol naar Santiago duurt een kleine achttien uur, met een tussenstop in Buenos Aires. Een lange zit, maar het valt mee; het lijkt erop dat ik zowaar een tijdje heb geslapen, want we zijn er voor mijn gevoel sneller dan ik had verwacht. Even na elf uur lokale tijd land ik op de internationale luchthaven van Santiago. De rij voor de douane is lang, maar mijn bagage is er vervolgens snel. Via mijn hostel heb ik een transfer geregeld van de luchthaven naar de stad. Anderhalf uur nadat ik ben geland, word ik voor de deur van mijn hostel afgezet. Ondanks dat ik er een lange reis op heb zitten, ga ik op mijn eerste middag in Santiago wel even de stad in. De wijk Bellavista is vlakbij. De zon schijnt en het is maar liefst dertig graden.

Chili is een modern land, maar de sociale ongelijkheid is er heel groot (een elite van de rijkste 1% van de Chilenen bezit de helft van de rijkdom van het land). In oktober 2019 braken er in Santiago grootschalige protesten uit. Aanleiding was de verhoging van de prijs van metrokaartjes, maar de onvrede bleek veel dieper te zitten. Het was de jonge generatie die – met tienduizenden tegelijk – de straat op ging, de generatie die de dictatuur (onder generaal Augusto Pinochet, van 1973 tot 1989) niet heeft meegemaakt en moderne rechten en vrijheden eist. Ook accepteren ze de scheve inkomensverhoudingen, de corruptie en het gebruik van geweld door de politie niet langer. De protesten liepen volledig uit de hand, mede door het gewelddadige optreden van de politie, wat het verzet alleen maar aanwakkerde. Er vielen doden en gewonden en de president riep de noodtoestand uit. Inmiddels zijn de protesten in heftigheid afgenomen, maar ze gaan nog wel door. Mijn hostel zit op een steenworp afstand van Plaza Italia, waar nog iedere avond wordt gedemonstreerd. En iedere dag leidt dat tot confrontaties met de politie. Op en rondom het plein zijn muren volgeklad met graffiti, bushokjes en reclameborden zijn kapot.

Ik steek de Río Mapocho over, de rivier die dwars door Santiago loopt. Ik houd van steden met water, maar de Río Mapocho blijkt een modderbruine stroom die diep door een betonnen goot loopt. Niet echt aantrekkelijk. In de wijk Bellavista zitten veel restaurants en bars en overal zie je muurschilderingen. Aan de noordkant van Bellavista ligt de Cerro San Cristóbal, een vijfhonderd meter hoge heuvel, van waar je een fantastisch uitzicht hebt over Santiago. Om boven te komen, kan je een funicular nemen. Die is op zondagmiddag blijkbaar erg populair, want de rij is lang. De in 1925 gebouwde funicular brengt je in een paar minuten naar boven. Het uitzicht is het wachten waard: de stad strekt zich beneden weids uit, tot aan de bergen van de Andes. Veel bezoekers komen overigens ook voor het grote beeld van de maagd Maria op de top van de heuvel.

Eenmaal terug beneden merk ik de gevolgen van de lange reis en weinig slaap. Ik houd het dan ook gezien voor deze eerste dag en ga terug naar mijn hostel. De volgende ochtend loop ik langs de Alameda, de brede boulevard die van oost naar west door de stad loopt. Ook hier, vlakbij Plaza Italia zijn de gevolgen van de maandenlange protesten goed zichtbaar. Overal zijn leuzen op de muren gekalkt, met oproepen variërend van een nieuwe grondwet en het recht op abortus tot revolutie en rechtvaardigheid. Bij een beveiligingsbedrijf is geen ruit meer heel en ook het Centro Cultural Gabriela Mistral is over de volle lengte met graffiti beklad.

Langs de drukke Alameda wissselen oude koloniale gebouwen, zoals de nationale bibliotheek en het gebouw van de universiteit van Santiago, en lelijke nieuwbouw (hoewel niet echt ‘nieuw’) elkaar af. Mooi zou ik dit deel van de stad niet willen noemen. Ik loop tot aan het Palacio La Moneda. Dit eind achttiende eeuw gebouwde klassieke gebouw was oorspronkelijk de munt, maar is tegenwoordig het presidentieel paleis. Tijdens de staatsgreep in 1973 kwam president Salvador Allende hier om het leven; een beeld van hem staat nu naast het paleis. Achter het Palacio La Moneda, onder het Plaza de la Ciudadanía, bevindt zich een ondergrondse tentoonstellingsruimte, het Centro Cultural Palacio La Moneda, met (deels gratis te bezoeken) galerieën.

Voor zover Santiago een ‘centrum’ heeft, is het hier. De autovrije winkelstraten doen modern aan en iets verder naar het noorden ligt het onvermijdelijke Plaza de Armas (geen Zuid-Amerikaanse stad of dorp zonder een Plaza de Armas). Het is een sfeervol plein, dat zich hier al bevindt sinds de stichting van Santiago in 1541. Behalve een kathedraal vind je er ook een beeld van vrijheidsstrijder Simon Bólivar dat wordt omgeven door palmbomen en bankjes. Ik wandel verder naar het noorden, tot bijna bij de Río Mapocho, waar de Mercado Central staat. Dit is de centrale markt voor verse vis en behalve de plek om langs de kraampjes te lopen ook een heel goede plek om te lunchen.

Verder op mijn rondje door de stad wandel ik na de lunch langs het Museo de Bellas Artes en door het Parque Forestal. Anders dan de naam doet vermoeden is dit park niet echt bosachtig, wat tenminste deels wordt veroorzaakt door het drukke verkeer dat aan beide kanten van het smalle park voorbij rijdt. Niettemin is het een prima plek om op een bankje in de schaduw te relaxen. Aan het eind van de middag ga ik in het wijkje Lastarria naar wijnbar Bocanariz, tijd om Chileense wijnen te proeven.

Hoewel niet meer zo grootschalig als in oktober, wordt er ook vanavond geprotesteerd op de kruising van Plaza Italia en de Alameda. Enkele tientallen jongeren met hun gezicht bedekt hangen rond het kruispunt en sluiten de Alameda af. Er wordt een vuurtje gestookt en enkele demonstranten slaan met stenen ritmisch tegen stalen hekken en relingen. Het duurt niet lang totdat de politie in gepantserde voertuigen aan komt tijden en met waterkanonnen de demonstranten van de kruising probeert te verdrijven. De demonstranten antwoorden door de politievoertuigen met stenen te bekogelen. Wie niet nat wil worden, zet het op een rennen. Zo’n waterkanon komt best ver, kan ik nu uit ervaring vertellen… Dit gaat bijna een uur zo door, de demonstranten die het kruispunt bezetten, de politie die het kruispunt schoonspuit, waarna de demonstranten weer terugkeren en het spel opnieuw begint. Bij iedere ronde weet de politie een aantal demonstranten op te pakken. Onder luid protest van andere demonstranten én het toekijkende publiek worden ze afgevoerd. Omdat de avond valt en ik niet weet hoe de situatie zich gaat ontwikkelen, houd ik het voor gezien. Maar enerverend was het wel.

Voor de volgende dag – wederom een warme en zonovergoten dag – heb ik een tour geboekt naar de Valle de Casablanca. Tussen bergen van de Cordillera de la Costa en de Grote Oceaan ligt een weidse vallei waar sommige van de beste wijnen uit Chili worden gemaakt. Ik heb een groepstour geboekt, maar ik blijk de enige te zijn, dus het wordt een privétour (dat overkwam me in Nieuw-Zeeland ook al). Onderweg praat ik uitgebreid met gids Guillermo over Chili, de protesten en natuurlijk wijn. We stoppen als eerste bij Emiliana, een wijngaard waar biologische wijnen worden geproduceerd. Na een rondleiding (met een Amerikaans en Frans echtpaar erbij) krijgen we vier wijnen te proeven. Omdat het buiten warm is, krijgen we echter eerst een rosé te drinken. En als iemand later niet al te enthousiast is over de chardonnay, krijgen we ter vergelijking een andere chardonnay geschonken. Vier wijnen wordt dus zes en dat nog vóór het middaguur… De blend van malbec en syrah is overigens fantastisch.

De tweede wijngaard is Casas del Bosque. Ook hier sluit ik aan bij een rondleiding, waarna een proeverij volgt. Deze keer met een jong Amerikaans stel, hij blijkt van Nederlandse afkomst, wat een leuk gesprek oplevert. Hier krijgen we vier wijnen te proeven, waarvan de carmenere en vooral de syrah superlekker zijn. Bij derde wijngaard, Indomita, maken we alleen een stop voor het weidse uitzicht over de vallei. Ik heb even genoeg wijn gehad. Eind van de middag ben ik terug in Santiago.

Het noorden

Op woensdagochtend gaat de wekker al heel vroeg, om vier uur. Mijn hostel zo vriendelijk om zelfs op dit tijdstip ontbijt te verzorgen een om vijf uur zit ik in een taxi naar de luchthaven van Santiago. In twee uur vlieg ik naar Calama, in het noorden van Chili. De transfer naar mijn bestemming, San Pedro de Atacama, laat even op zich wachten, maar uiteindelijk ben ik dan toch onderweg. Dit deel van Chili kan met één woord worden beschreven: droog. Kurkdroog zelfs. De Desierto de Atacama is de droogste woestijn ter wereld. Sommige delen hebben nog nooit regen gezien. En dat is te zien: we rijden door een landschap dat louter uit rotsen, stenen en zand lijkt te bestaan. Nergens is begroeiing te bekennen. Links liggen de besneeuwde toppen van de Andes.

Na tijdje rijden we een lage bergketen over, aan de andere kant valt heel soms wel een beetje regen, en hier is dan ook wat lage begroeiing te zien. Maar veel is het niet. Tegen twaalf uur rijden we een groene oase in. Het dorpje San Pedro de Atacama heeft nog geen 6.000 inwoners en bestaat uit lage adobe huizen en winkeltjes aan onverharde straten. Een groter contrast met Santiago is bijna niet mogelijk. Dit is een andere wereld. Nadat ik ben ingecheckt in mijn hostel, een eindje buiten het centrum van San Pedro, loop ik even langs het kantoortje waar ik de tours voor de komende dagen heb geboekt en daarna ga ik lunchen. San Pedro ligt niet ver van de grens met Bolivia. Acht jaar geleden was ik aan de andere kant van de grens, in de Salar de Uyuni. Dit deel van Chili blijkt echter net zo spectaculair.

Het is half bewolkt en warm, tegen de dertig graden, als ik ‘s middags aansluit bij een tour naar de Valle de la Luna. De Desierto de Atacama is hier niet alleen droog, maar ook geweldig mooi. We lopen een hoog duin op, vanwaar je een spectaculair uitzicht hebt over de Valle de la Luna. De geërodeerde rotsen zien er massief uit, maar onder de roodbruine buitenlaag bevatten ze zout en gips, wat ze breekbaar maakt. De onderaardse tectonische platen werken hier op elkaar in, waardoor de aardkorst omhoog wordt geduwd, wat spectaculair landschap oplevert, met de perfect konische vulkaan Licancábur (bijna 6.000 meter hoog) met zijn besneeuwde top op de achtergrond. In de nabijgelegen Valle de la Muerte (de naam is een foutje, de vallei heette oorspronkelijk Valle de Marte) loop je tussen bijzondere rotsformaties door, met roodbruine puntige rotsen. Het lijkt hier alsof je op een andere planeet loopt (vandaar ook de naam Marsvallei). Aan het eind van de tour kijken we vanaf een hooggelegen plek met weids uitzicht naar de zonsondergang. Dat doen alleen heel veel bezoekers, waardoor het nogal toeristisch is. Afgezien daarvan zijn de Valle de la Luna en Valle de la Muerte zeer de moeite waard.

Ook de volgende dag moet ik vroeg op voor de tour naar de altiplano, de hoogvlakte. Het is een afgelegen gebied. Mobiel bereik is er niet en afgezien van de busjes met toeristen kom je er verder alleen af en toe een paar vicuña’s tegen. Het landschap bestaat voornamelijk uit grijsbruine rotsen, waarvan de vorm het duidelijk maakt dat de aardkorst hier al miljoenen jaren flink in beweging is. En dat is ze permanent, de botsende tectonische platen veroorzaken in Chili iedere dag aardbevingen. De meeste daarvan voel je niet (te zwak en te diep onder de grond), maar met enige regelmaat zijn er ook serieuzere aardbevingen. Boven die grijsbruine rotsen steken de besneeuwde toppen van vulkanen uit, de ene na de andere: de Lascar, de Lejía, de Chiliques, de Miscanti. Nergens anders heb ik zoveel vulkanen bij elkaar gezien. Chili schijnt er maar liefst 2.600 te hebben.

Op 4.200 meter boven zeeniveau stoppen we bij Laguna Miscanti, een prachtig meer met azuurblauw water, veroorzaakt door het heldere smeltwater van de naastgelegen vulkaan met dezelfde naam. In de verte waden een paar flamingo’s door het water. Ook het nabijgelegen Laguna Miñiques is erg fraai gelegen, met een achtergrond van besneeuwde vulkanen. Ook hier zien we een paar flamingo’s. Ooit waren Miscanti en Miñiques één meer, maar door de lava van een uitbarsting van de vulkaan Miscanti zijn ze van elkaar gescheiden. Vervolgens rijden we naar de Salar de Atacama, een grote zoutvlakte. Laguna Chaxa ziet er buitenaards uit. Door het hoge zoutgehalte is het water melkachtig wit, met gekleurde afzettingen van mineralen langs de oevers. Ook Chaxa is weer prachtig gelegen, met bergen op de achtergrond. Ook stoppen we nog bij Laguna Tuyaito, ook al zo fotogeniek. De weg terug leidt door weidse valleien, droog en dor, met hier daar wat grazende vicuña’s tegen de achtergrond van maanachtige grijze bergen. Onderweg kruisen we de Steenbokskeerkring, op 45 graden zuiderbreedte. Eind van de middag zijn we terug in San Pedro de Atacama.

Vrijdagochtend breng ik door op de binnenplaats van mijn hostel. Ik heb een paar uur om te relaxen, voordat ik word opgehaald om terug te gaan naar de lichthaven van Calama. Vanaf daar vlieg ik met een overstap in Santiago naar luchthaven Araucanía bij Temuco. Die overstap is maar een half uur, dus ik ben blij dat zowel ik als mijn bagage de aansluiting halen. Vanaf de luchthaven is het nog ruim een uur rijden naar Pucón, waar ik even na elf uur ’s avonds aankom. Ik duik meteen mijn bed in, voordat ik aan de derde etappe van deze reis begin.

Het midden

Pucón is een niet al te groot dorp, dat vrijwel geheel op toerisme is gericht. Het centrum is een aaneenschakeling van restaurants, hostels, bars en hotels. Voor Chilenen is het het laatste weekend van de zomervakantie en het is prachtig weer, dus het is ook niet zo gek dat het in Pucón gezellig druk is. De bijna drieduizend meter hoge Volcán Villarrica torent boven Pucón uit. Met zijn konische vorm, besneeuwde top en kleine rookpluimpje ziet hij er niet alleen fotogeniek uit, maar herinnert hij de inwoners van Pucón ook aan het permanente gevaar dat hoort bij wonen in een vulkanisch gebied.

Het midden van Chili is totaal anders dan het noorden: in plaats van droog en kaal is de omgeving hier groen. In deze regio ga ik met een huurauto een aantal nationale parken bezoeken (29% van Chili bestaat uit beschermd natuurgebied), om te beginnen Parque Nacional Villarrica. Voor mijn bezoek aan dit park rijd ik op aanraden van mijn hostel naar El Cerduo, even ten oosten van Pucón. Een onverharde weg leidt hier langs de riviertjes Correntoso en Turbio een rustig deel van het park in. Aan het eind van de hobbelige weg kan je twee korte wandelingen maken door een werkelijk prachtige vallei. Je loopt over zwart lavazand en rotsen van gestold lava van de Villarrica met geweldig uitzicht. En: er is bijna niemand anders. De ene wandeling loopt een stukje door bos en eindigt bij een mooi waterval. De andere leidt naar een groep kleinere watervallen en poelen. Het is een prachtige omgeving.

De volgende ochtend (zondag) sta ik op tijd op en rijd naar Parque Nacional Huerquehue. Het eerste stuk is nog gewoon verharde weg, maar daarna moet je over een onverharde weg de berg op. Doe dat niet als het heeft geregend… In het in 1912 gevormde beschermde natuurgebied kan je een wandeling maken naar drie bergmeren. Maar het heten niet voor niets bergmeren; om er te komen moet je omhoog. Het pad is op zich goed te doen, maar je moet wel een beetje conditie hebben, want het is een flinke klim. Je loopt door bos, met araucania’s en bamboe, en het enige dat je hoort zijn vogels en kleine salamandertjes die voortdurend wegschieten. Ik ben vroeg en daardoor is het heerlijk rustig. Ik heb het park bijna voor mezelf. Na bijna twee uur klimmen kom ik bij het eerste meer, Laguna Chico. Vanaf daar is het nog een half uur lopen naar Laguna Toro. Dit meer is echt prachtig gelegen, tussen de met araucaria’s begroeide bergen. De zon staat hoog aan een strakblauwe hemel, het water kabbelt en het is er doodstil. Een prachtige plek. Een klein stukje verder ligt Laguna Verde, het laatste bergmeer. Al net zo mooi als Laguna Toro en een goede plek om te lunchen.

In twee uur loop ik vervolgens weer naar beneden. Onderweg kom ik veel mensen tegen die hijgend naar boven lopen. Ik snap hoe ze zich voelen. Na mijn inspannende wandeling moet ik nog een flink stuk rijden. Van Huerquehue weer terug langs Pucón, langs Temuco naar het noorden en vervolgens weer naar het oosten. Nogal een omweg, maar er loopt nou eenmaal geen rechtstreekse weg naar mijn volgende overnachtingsplek, even voorbij het dorpje Curacautin. Hier kom in begin van de avond aan. De reden dat ik hier naartoe ben gereden, is dat hier twee natuurgebieden zijn die ik wil bezoeken: Parque Nacional Conguillío en Reserva Nacional Malalcahuello-Nalcas.

De volgende ochtend breng ik als eerste een bezoek aan Conguillío. Via een onverharde weg rijd ik het park in. De weg slingert een tijdje door bos heen, totdat je bij een open stuk komt, met lavazand en rotsblokken en de veroorzaker van dit landschap: de ruim drieduizend meter hoge Volcan Llaima, één van de actiefste vulkanen van Chili. De top van de vulkaan is in de wolken gehuld, maar niettemin is het een indrukwekkend uitzicht. Je wilt niet op deze plek zijn als de vulkaan uitbarst… Ik rijd verder het park in, over de onverharde weg slingerend door bos. Er groeien hier veel araucaria’s. Bij Playa Linda is de start van de Sendero Sierra Nevada, een wandelroute de berg op naar een aantal uitkijkpunten. Ik loop een deel van de route over de dichtbegroeide berghelling, tot aan de Mirador los Condores. Hier heb je een geweldig uitzicht over Lago Conguillío en de besneeuwde bergtoppen van de Sierra Nevada erachter.

Mijn laatste dag in het midden van Chili ga ik naar de Reserva Nacional Malalcahuello-Nalcas, een half uurtje rijden. De ster van Malalcahuello is Volcán Lonquimay. Je bereikt hem via een onverharde weg die door een surrealistisch landschap voert. Een woestijn van asgrijs zand en stenen die als glooiende duinen in het gebied om de vulkaan liggen. Het is helder weer een de Lonquimay steekt prachtig af tegen de blauwe lucht. Het is dat mijn auto door de zwaartekracht op de onverharde weg blijft, anders zou door het landschap denken dat je op de maan bent. Na een tijdje kom je bij de Mirador los Volcanes, een hoog gelegen punt waar je een fantastisch panoramisch uitzicht hebt over een weids dal waar de lavastroom van de meest recente uitbarsting van de Lonquimay duidelijk zichtbaar is. En in dat uitzicht zie je maar liefst drie vulkanen: de roodbruine Lonquimay, de besneeuwde Tolhuaca en in de verte de Callaqui. Wat een plek.

De lavastroom in het dal is van de uitbarsting in 1988 en die uitbarsting kwam niet vanuit de top van de Lonquimay, maar uit een nieuwe krater aan de noordoostkant van de vulkaan. En die krater Crater Navidad, kan je van dichtbij bekijken. Daarvoor moet je dertig tot veertig minuten lopen, eerst door een weids dal van grijs lavazand, dat geen enkel teken van leven vertoont, en daarna omhoog, de steile helling van de nieuwe krater op. Het is een lastige klim, omdat je over een mix van lavazand en vulkanische stenen loopt, waar je telkens in wegzakt. En het is nogal steil. Maar het uitzicht is geweldig en eenmaal boven sta je direct aan de rand van de diepe krater. Een werkelijk schitterende plek en zeer de moeite van het klimmen waard.

’s Middags rijd ik terug naar Araucanía Airport, waar ik mijn auto inlever. ’s Avonds vlieg ik in 2,5 uur Punta Arenas, in het uiterste zuiden van Chili, voor de vierde etappe van deze reis. De vlucht is een uur vertraagd, waardoor ik pas na middernacht bij mijn hostel in Punta Arenas aanbel. Moe duik ik mijn bed in.

Het zuiden

De volgende ochtend loop ik door het wat inspiratieloze centrum van Punta Arenas om mijn huurauto op te halen. De rit naar Puerto Natales duurt 3,5 uur. Ruta 9, een tweebaansweg, loopt eerst een stuk langs de Straat van Magelhaes, de zeestraat tussen Patagonië en Tierra del Fuego, die in 1520 door de Portugese ontdekkingsreiziger werd ontdekt. De rest van de lange rit gaat door een licht glooiend landschap met hier en daar wat begroeiing en verder eigenlijk niks. Zon en wolken wisselen elkaar af en het waait hard. Deze regio van Chili duidt zichzelf aan met ‘Fin del mundo’, het einde van de wereld, en dat past wel een beetje bij de sfeer hier. Je bent letterlijk en figuurlijk ver weg van de rest van de wereld. En van de rest van Chili: Chileens Patagonië is vanuit de rest van Chili alleen per boot of vliegtuig te bereiken, niet over de weg. Begin van de middag kom ik aan in Puerto Natales. Ik check in bij mijn hostel, doe boodschappen en wandel een rondje door dit oorspronkelijke vissersdorp, dat nu vooral in het teken staat van het toerisme. Ook in Puerto Natales heerst de sfeer van een afgelegen dorp aan het einde van de wereld. Simpele huizen domineren het straatbeeld, plus heel veel hostels.

Als je vanuit Puerto Natales naar het noorden rijdt, doemen al snel de bergen op van Parque Nacional Torres del Paine, dé reden om helemaal naar dit afgelegen deel van de wereld te reizen. Toch is het nog best een stuk rijden naar de grens van het park, ruim honderd kilometer, over een deels verharde, deels onverharde weg, door een weidse vallei met azuurblauwe meren en steeds hoger wordende bergen. Ik parkeer mijn auto bij de Salto Grande (een niet zo grote waterval), en volg vanaf daar het pad naar de Mirador Cuernos. De dag is grijs begonnen, maar in de loop van de ochtend breekt de zon goed door en ook vandaag waait het hard. Ik loop langs het zuidelijke deel van Lago Nordenskjöld met de indrukwekkende Cuernos del Paine voor me. Er zijn weinig mensen, wel kom ik een paar grazende guanaco’s tegen. Het uitzicht op de Cuernos del Paine is fantastisch. Het eindpunt van het pad is pal voor deze indrukwekkende bergen, aan de andere kant van het water van Lago Nordenskjöld. Alle drie rond de 2.500 meter hoog. En links de massieve Cerro Paine Grande. Echt een prachtige plek. Ik neem hier de tijd om van het uitzicht en (afgezien van de wind) de rust te genieten.

De makkelijke wandeling naar de Cuernos del Paine zijn een opwarmer voor de lange wandeling die ik de volgende dag maak. De wandeling naar hèt uitzichtpunt dat iedereen die hier naartoe komt wil zien: Mirador las Torres. Het is nog donker als ik richting het startpunt van de wandeling rijd. Maar als ik bij Lago Sarmiento kom, is de zon net op en kan je aan de andere kant van het water, op enige afstand, de indrukwekkende Torres zien liggen, in het vroege ochtendlicht. Prachtig. Ik parkeer mijn auto bij het Las Torres hotel, waar het startpunt is. Het is even na acht uur als ik aan de wandeling begin. De wandeling naar Mirador las Torres is achttien kilometer (heen en terug) en onderweg overbrug je een hoogteverschil van 900 meter. Geen simpel wandelingetje dus.

Het eerste stuk klim je langs een berghelling geleidelijk aan omhoog. Af en toe is het even flink klimmen, dan weer is het pad even vlak of loopt het wat omlaag, om vervolgens weer omhoog te lopen. Het is redelijk te doen en het uitzicht is geweldig, zeker het deel waarbij je door de Valle de Ascencio loopt. Vanaf Refugio Chileno begint het tweede deel van de wandeling, in de beschutting van bos wandel je geleidelijk aan verder omhoog. Na dit relatief makkelijke deel ben je nog één kilometer van het eindpunt verwijderd. Maar die ene kilometer loopt wel steil omhoog en het pad maakt plaats voor een tricky klimpartij over rotsen. Niet voor niets geeft een bordje aan dat je over die laatste kilometer 45 minuten doet…

Ik had me op het ergste voorbereid, maar het valt me eigenlijk best mee. De klim is redelijk goed te doen, of mijn conditie is beter dan ik had verwacht. Voor de heenweg staat 4 á 4,5 uur, maar ik ben al na drie uur boven. En daar wordt je beloond met een fantastisch uitzicht op de bijna drieduizend meter hoge Torres del Paine. Drie smalle, spitse rotsen, met daarvoor een heldergroen bergmeer. Hèt iconische plaatje. Boven en achter de bergen hangen dreigende wolken, maar gelukkig zijn dé iconen van Chileens Patagonië goed te zien. Ik blijf een uur boven om van het uitzicht te genieten, uit te rusten, te eten en op verzoek foto’s van andere bezoekers te maken. De wandeling terug gaat via dezelfde route. Omdat de heenweg af en toe ook naar beneden liep, loopt de terugweg af en toe ook omhoog. En de vermoeidheid begint mee te spelen. Ging de heenweg nog wel, omdat je ook weer helemaal terug moet, is het alles bij elkaar toch best pittig. Maar na ruim zeven uur (inclusief het uur boven) ben ik weer terug waar ik ben begonnen. Moe, maar zeer voldaan.

Op mijn laatste dag in Torres del Paine zou ik eigenlijk een boottocht maken naar Glaciar Grey, maar vanwege de harde wind is die geannuleerd. Ik heb dus een vrije dag. Tijd om te lezen, mijn reisverslag bij te werken en een rondje door Puerto Natales te lopen. Op zondagochtend rijd ik terug naar de luchthaven van Punta Arenas en lever mijn huurauto in. In de loop van de middag vlieg ik terug naar Santiago, waar ik vlakbij de luchthaven overnacht. De volgende ochtend moet ik namelijk toch weer op de luchthaven zijn. Voor de laatste etappe van mijn reis vlieg ik 3.700 kilometer naar het westen, de Grote Oceaan over, naar Rapa Nui, beter bekend als Paaseiland.

Rapa Nui

Rapa Nui / Paaseiland hoort sinds 1888 weliswaar bij Chili, maar het is eigenlijk een Polynesisch eiland. Sinds 2007 is het een ‘territoria especial’ binnen Chili, waarmee de afwijkende cultuur en geschiedenis van Paaseiland in ieder geval deels wordt erkend. Het afgelegen eiland (dat ongeveer achtduizend inwoners telt) heeft grofweg de vorm van een driehoek en is net iets groter dan Texel: 24 kilometer lang en op het breedste punt 12 kilometer breed. Het eiland heeft één dorp, Hanga Roa. Hier vind je een keur aan hotels, restaurants, autoverhuurders en tour operators. De rest van het eiland, is groen en heuvelachtig, met voornamelijk grasland en wat boerderijen en overal lopen paarden en koeien. Behalve de hoofdweg, die van zuidwest naar noordoost over het eiland loopt, zijn de wegen in erbarmelijke staat; het wegdek zit vol grote gaten. Het eiland zelf is niet bijzonder mooi, maar het zijn de bijzondere archeologische sites waarvoor je naar Rapa Nui komt. Deze zijn sinds 1935 ondergebracht in een nationaal park, waar je als bezoeker maar liefst 54.000 pesos (60 euro) toegang voor betaalt.

Naar schatting ergens tussen de achtste en dertiende eeuw vestigden bewoners van andere Polynesische eilanden zich op Rapa Nui en ontwikkelden daar een heel eigen cultuur. Kenmerkend voor de Rapa Nui (de naam van zowel het volk als het eiland) waren de ‘ahu’, een soort altaren of ceremoniële platforms, met daarop geplaatste ‘moai’, manshoge massief stenen beelden. Voor zover bekend hebben de Rapa Nui minstens 887 moai gemaakt. Daarvan zijn er 288 op een ahu terechtgekomen, de rest ligt elders op het eiland. Tot op de dag van vandaag is het een mysterie hoe de loodzware moai van de groeve naar hun bestemming werden vervoerd. Volgens deskundigen gebeurde dat niet liggend, maar rechtop. Maar dan nog: hoe? Op het hoofd van sommige moai is een ‘pukao’ geplaatst, een (meestal) ronde steen die nog het meest op een hoed lijkt, maar mogelijk een soort haardracht symboliseert. In tegenstelling tot de donkergrijze steen van de moai zijn de pukao gemaakt van een donkerrode vulkaansteen van de vulkaan Puna Pau.

Op het hoogtepunt van de Rapa Nui-cultuur, in de zeventiende eeuw, woonden er waarschijnlijk zo’n 15.000 mensen op het eiland. Europeanen waren er toen nog nooit geweest. Tegen de tijd dat die er voet aan wal zetten, was de Rapa Nui-cultuur al ten onder gegaan. Wat precies de oorzaak is geweest (of oorzaken), daarover bestaan verschillende theorieën, van tribale oorlogen tot natuurrampen, maar overbevolking in combinatie met uitputting van de schaarse natuurlijke hulpbronnen lijkt het meest waarschijnlijk.

Op mijn eerste dag op Rapa Nui breng ik een bezoek aan Ahu Akahanga en aan wat meteen de twee hoogtepunten zijn: Ahu Tongariki en Rano Raraku. Ahu Akahanga is één van de belangrijkste ahu’s op Rapa Nui, omdat hier de eerste koning hier begraven zou zijn. De plek is niet gerestaureerd en de moai liggen plat op de grond. Ook zijn er resten van huizen en ondergrondse ovens te zien. Ahu Tongariki is de grootste ahu die ooit is gebouwd. Hier staat een indrukwekkende rij van maar liefst vijftien moai. Fotogenieker kan het niet. De beelden keken oorspronkelijk uit op een dorp, waar nu alleen nog wat restanten van te zien zijn. Indrukwekkend om op dit afgelegen eiland oog in oog te staan met deze even iconische als mysterieuze beelden. Na Ahu Tongariki blijkt Rano Raraku misschien nog wel fotogenieker. De vulkaan Rano Raraku is de plek waar de moai werden gemaakt. In het gesteente van de vulkaan werden de beelden uitgehakt. In één van de groeves in de berghelling kan je contouren zien van een moai die nog ‘werk in uitvoering’ was. Op de helling van de vulkaan staan en liggen meer dan twintig moai. Sommige zo goed als af, sommige nog niet, andere half begraven. Het lijkt alsof er nog dagelijks druk aan de moai wordt gewerkt.

De volgende (geheel bewolkte) dag rijd ik eerst langs Ahu Tahai, aan de noordkant van Hanga Roa. Hier staan twee solitaire moai en een ahu met vijf moai. Bij Ahu Akivi staan zeven moai op een rijtje. Ook deze keken uit over een dorp, maar het zijn de enige moai op Rapa Nui die met hun gezicht naar de oceaan staan; alle andere moai staan of stonden met hun rug naar de oceaan. Aan de noordkant van het eiland ligt Playa Anakena, een klein, door palmbomen omringd strand. Aan de kop van het strand bevindt zich Ahu Nau Nau, met zeven moai. Ahu Ature Huki, iets verderop, heeft maar één moai. Als laatste bezoek ik de vulkaan Rano Kau, een paar kilometer ten zuiden van Hanga Roa. Bovenop de kraterrand heb je een mooi uitzicht over het grote kratermeer. Tussen de kraterrand en de steile klif aan de rand van de oceaan bevinden zich de resten van het dorp Orongo. De gerestaureerde huizen zijn gebouwd van platte stenen met kleine ingangen en daken die met gras zijn begroeid, waardoor de huizen als het ware in de omgeving zijn opgenomen.

Mijn laatste dag op Rapa Nui breng ik relaxend door, terwijl er af en toe een flinke tropische bui valt. Mijn reis zit er bijna op. Een geweldige reis die uit vijf etappes bestond, vijf regio’s van Chili, vijf totaal verschillende omgevingen, en heel veel prachtige plekken. Op donderdag is het tijd om terug te vliegen naar Santiago, de plek waar deze reis begon, en op vrijdag vlieg ik weer terug naar huis.