IJsland

25 juni – 5 juli 2020

Best vreemd om op reis te gaan terwijl de wereld kampt met een pandemie en Nederland nog maar net begint te ontwaken na drie maanden van vergaande beperkende maatregelen. Het grootste deel van die drie maanden heeft het vliegverkeer stilgelegen en hielden landen hun grenzen gesloten. Met als gevolg dat mijn geplande reis naar IJsland in de laatste week van mei niet kon doorgaan. Nu de maatregelen langzaamaan versoepeld worden en IJsland (één van de landen die het covid-19-virus het meest effectief hebben bestreden) zijn grenzen weer heeft geopend, kan ik – met slechts een maand vertraging – alsnog pad. En die kans laat ik niet lopen!

IJsland ligt tegen de poolcirkel en sinds een jaar of tien, om precies te zijn de uitbarsting van de vulkaan Eyjafjallajökull (die dat jaar het Europese vliegverkeer in de war schopte), is het land een enorm populaire reisbestemming geworden. Het aantal bezoekers is de afgelopen jaren vervijfvoudigd en bedraagt nu zo’n 2,5 miljoen op jaarbasis. En dat is veel, als je bedenkt dat IJsland maar ongeveer 350.000 inwoners telt. Daarmee is IJsland het dunst bevolkte land van Europa. Het land telt meer schapen (460.000) dan mensen. Daarnaast heeft IJsland maar liefst dertig actieve vulkanen, bestaat het voor een tiende uit ijskappen en gletsjers, en is meer dan zestig procent van het land vrijwel onbegaanbaar. Apart weetje: IJslanders spreken elkaar altijd aan met de voornaam (zelfs in het telefoonboek staan de namen alfabetisch op voornaam). Familienamen kennen ze niet; iemands achternaam is de voornaam van de vader met de toevoeging -zoon of -dochter. Broer en zus hebben dus verschillende achternamen.

Reykjavik

Na een vlucht van nog geen drie uur land ik ’s middags op de internationale luchthaven Keflavik, veertig kilometer ten zuidwesten van de IJslandse hoofdstad Reykjavik. Vanwege de covid-19-pandemie wordt iedereen die IJsland in reist op de luchthaven getest. Dit gaat heel snel en een paar uur later krijg ik een sms dat de uitslag negatief is. Goed geregeld.

Ik ben dan inmiddels in mijn hotel, in het centrum van de meest noordelijk gelegen hoofdstad ter wereld. Van de 350.000 IJslanders wonen er 125.000 in Reykjavik, meer dan een derde dus. Reykjavik heeft ongeveer net zoveel inwoners als Leiden en is dus niet groot voor een hoofdstad. Vanuit mijn hotelkamer heb ik uitzicht over de baai en bergen op de achtergrond. Geen slecht begin van de reis! Het is eind juni en dus wordt het hier ’s avonds niet donker. Tussen middernacht en een uur of vier ’s ochtends is eigenlijk één lange bijna-zonsondergang / zonsopkomst. Een rare gewaarwording. Het levert om twee uur ’s nachts wel mooie plaatjes op.

Het centrum van Reykjavik is vrij compact en goed te belopen. Het doet meer aan als een groot dorp dan als een stad. De architectuur is Scandinavisch, vooral de oudere houten huizen zijn van hout en in verschillende kleuren geschilderd. De nieuwere gebouwen zijn vrij simpel vormgegeven. Bakstenen zie ik nauwelijks, de meeste gevels en daken zijn ofwel gestuct of van een metalen golfplaten gemaakt. Ongetwijfeld berekend op barre winterse omstandigheden.

Ik logeer in wat Old Reykjavik wordt genoemd, het oudste deel van de stad. Hier bevindt zich onder meer het van donkergrijs basalt opgetrokken parlementsgebouw, de Althingi, gebouwd in 1881. Het is een opmerkelijk klein gebouw voor een parlementsgebouw, maar dat past misschoen ook wel bij de schaal van IJsland. Iets verderop staat het moderne betonnen Rádhús, het stadhuis van Reykjavik. Het staat aan de rand van Tjörnin, een meer midden in de stad, dat op zijn beurt weer grenst aan het park Hljómskálagardur, ideaal om te wandelen, joggen of picknicken.

In de wijk naast Old Reykjavik, Laugavedur, zitten veel winkels, cafés en restaurants. Ook staat hier de bijzonder vormgegeven Hallgrimskirkja, waarvan de karakteristieke, 75 meter hoge toren boven de hele stad uitsteekt. Voor de kerk staat een beeld van de viking Leifur Eiríksson, naar verluidt de eerste persoon die, ruim voor Amerigo Vespucci en Christopher Columbus, het continent Amerika ontdekte. En over vikingen gesproken: Hoewel de Griekse ontdekkingsreiziger Pytheas het eiland al in 330 BCA ontdekte, waren de Noorse vikingen in de negende eeuw de eersten die zich er permanent vestigden en het eiland aanvankelijk Sneeuwland noemden. Pas later werd het omgedoopt in IJsland.

Waar Laugavedur aan het water grenst (altijd fijn, een stad met water!) en moderne hoogbouw en de doorgaande weg domineren, staat Sólfar (Sun Voyager), een stalen kunstwerk dat een vikingschip verbeeldt, met het water en de bergen als achtergrond. Een eindje verderop staat het niet te missen Harpa, een ultramoderne concertzaal annex bioscoop annex cultureel complex. Als je langs het water verder loopt, kom je bij de oude haven van Reykjavik. Tegenwoordig vind je hier een mix van vissersboten, toeristische excursies en restaurants en cafés. Ik vind Reykjavik een rustige, gemoedelijke stad, ongetwijfeld omdat er momenteel weinig toeristen zijn. Toch is het op zaterdagochtend tijd om de stad te verlaten. Zodra ik de stad uitrijd, krijg ik een eerste indruk van hoe IJsland eruit ziet: groen, heuvelachtig, weids. Wat opvalt: overal bloeien velden paars-witte lupines.

De Golden Circle

IJsland ligt precies op de Mid Atlantic Ridge, de breuklijn tussen twee tectonische platen: de Noord-Amerikaanse en Euraziatische. Vandaar dat het land bezaaid is met vulkanen – het heeft zijn ontstaan aan vulkanische activiteit te danken – geisers en heetwaterbronnen. Breuklijnen tussen tectonische platen liggen overal ter wereld diep onder water. Er is maar één plek waar een breuklijn boven zeeniveau ligt en dat is in IJsland, en wel in wat nu Thingvellir National Park is. De Noord-Amerikaanse en Euraziatische platen bewegen hier jaarlijks tot 18 millimeter uit elkaar. Daar tussenin heeft zich in de loop van millennia een brede vallei gevormd. In de vallei zijn tal van kloven zichtbaar – tastbaar bewijs van het feit dat de aarde hier letterlijk uit elkaar wordt getrokken. De grootste kloof is Almannagjá en vanaf de rand van de klif heb je een schitterend uitzicht over de vallei. Hier vind je ook de waterval Öxarárfoss.

In een deel van de vallei heeft zich een meer gevormd, Thingvallavatn, met 84 vierkante kilometer het grootste meer van IJsland. Gletsjerwater van de veertig kilometer verderop gelegen Langjökull gletsjer sijpelt door de aarde totdat het in het meer uitkomt. In het jaar 920 kozen de IJslanders het prachtige Thingvelir uit om hun eerste parlement, de Althingi, te vestigen. En niet alleen hún eerste; IJsland was het eerste land ter wereld waar een nationale wetgevende vergadering werd opgericht. In een wereld geregeerd door koningen was een volksvertegenwoordiging een nieuw idee, al kwam de Athingi maar één keer per jaar bijeen en was het niet alleen een politiek, maar ook een sociaal evenement.

Thingvellir National Park maakt deel uit van wat de Golden Circle wordt genoemd. Behalve Thingvellir omvat dit meest bezochte deel van IJsland ook de Geysir en Gullfoss. De Geysir is de geiser waar alle andere geisers in de wereld hun naam aan te danken hebben. Deze geiser-aller-geisers ligt in het geothermische gebied Haukadalur, waar overal stoom uit de grond komt en de lucht naar fosfor ruikt. De Geysir zelf is al een aantal jaren ‘slapend’; de kokendhete poel stoomt wel, maar spuit geen water meer de lucht in. De naastgelegen Stokkur doet dat nog wel. Iedere paar minuten spuit hij kokendheet water tien tot twintig meter hoog de lucht in. Mijn laatste stop in deze toch wat toeristische regio (er zijn aardig wat bezoekers) is de waterval Gullfoss. De Hvítá-rivier raast hier in de twee fasen naar beneden; eerst breeduit over de rotsen heen en vervolgens een smalle kloof in.

De zuidkust

Ik overnacht in Fludir, een klein gehucht, en de volgende ochtend laat ik de Golden Circle achter me en rijd ik via Route 1, de Ring Road, richting de zuidkust. De tweebaansweg slingert door het groene landschap, met rechts de vlakke kust en links ruwe rotsen en kliffen, uitlopers van de bergen daarachter, zoals de vulkanen Hekla en Eyafjallajökull. Mijn eerste stop is de Seljalandsfoss, een prachtige, zestig meter hoge waterval die picture perfect tegen een groene achtergrond van de hoge klif naar beneden valt. Iets verderop is nog een andere waterval, de Gljúfurárbui.

Mijn tweede stop is ook een waterval: de Skógafoss, 62 meter hoog en breder dan de Seljalandsfoss. Beide watervallen brengen smeltwater van de hoger gelegen Eyafjallajökull naar de laag gelegen kust. Het weer wisselt sterk, het ene moment schijnt de zon en loop je zonder jas buiten, het volgende moment betrekt het en valt er een bui. Aan de zuidkust van IJsland valt de meeste regen, dus het hoort erbij. Ik heb geluk (of een goed gevoel voor planning), de buien vallen steeds als ik in de auto zit. Het is hoe dan ook een prachtige route om te rijden.

Mijn derde stop is de Sólheimajökull. Deze gletsjer is een uitloper van de ijskap Mýrdalsjökull. Een korte wandeling langs een lagune brengt je bij een punt waar je een schitterend uitzicht hebt op de kolossale gletsjer. Anders dan bijvoorbeeld de gletsjers in Patagonië is de Sólheimajökull niet spierwit. Omdat de gletsjer in vulkanisch gebied ligt, brengt het ijs ook zwart lavazand mee naar beneden. Het geeft de gletsjer een wit met zwart uiterlijk alsof er iemand enthousiast met houtskool in de weer is geweest.

Bij Dyrhólaey wordt de zuidkust van IJsland gekenmerkt door spectaculaire kliffen en rotsformaties, waaronder een natuurlijke rotsboog. Onderaan de rotsen liggen gitzwarte stranden met lavazand (vanwege het broedseizoen van de hier levende vogels is het strand momenteel afgesloten). Na een dag met alleen maar fotogenieke plekken, overnacht ik vlakbij het dorpje Vik. De volgende ochtend (maandag) is het grijs en het miezert. Ik neem eerst een kijkje bij Reynisfjara, een strand van zwart lavazand, vlak naast een hoge klif. Maar wat deze plek apart maakt is niet zozeer de klif of het zwarte zand, maar de bijzondere kolommen van basalt, een soort rechtopstaande lucifers, die langs de onderkant van de klif staan. Alsof iemand van de rotsen een soort kunstwerk heeft gemaakt.

Vanaf Vik (slechts een paar honderd inwoners) gaat Route 1 lange tijd door een vrijwel vlak landschap. De eerste kilometers worden links en rechts opgefleurd met eindeloze velden met paars-witte lupines. Daarna bestaat het landschap lang uit met mos begroeid lavazand. Het lege landschap, de al bijna even lege weg en de dikke laag grijze bewolking geven de omgeving een desolate indruk. Ik neem de afslag naar Route 206, waar de Fjadrárgljúfur de moeite van het stoppen waard is. De Fjadrágljúfur is een diepe kloof, uitgesleten door de rivier Fjadrá. Over de klif aan de zuidkant loopt een pad met een aantal plekken waar je de kloof in kan kijken. Het ultieme uitzicht bevindt zich aan het eind van het pad. Hier kijk je links de volle lengte van de kloof in en rechts is een prachtige waterval. Een erg mooie plek.

Vanaf Kirkjubaejarklaustur (nog geen 200 inwoners) gaat de Ring Road eerst door nog een stuk desolaat landschap van zwart lavazand. Aan de rechterkant van de weg blijft het landschap vlak, maar links doemen na een tijdje spectaculaire rotsen en kliffen op. Het zijn de uitlopers van de Vatnajökull, de gigantische ijskap die een groot deel van zuid-oost IJsland beslaat. Eén van de populairste delen van Vatnajökull National Park is Skaftafell, dat er op de kaart uitziet als een groene hap uit de witte ijskap. Het is een ‘must stop’, want een korte wandeling brengt je hier bij de schitterende waterval Svartifoss. De waterval valt van een steile klif tegen een achtergrond van zwarte kolommen van basalt, zoals die bij Reynisfjara, maar dan ‘hangend’ in plaats van staand. Mijn laatste stop vandaag is Svinafellsjökull, één van de vele gletsjertongen van de Vatnajökull. De voorkant van de gletsjer eindigt bij een groot gletsjermeer met drijvende ijsschotsen.

De oostkust

Aan de zuidoostkust van IJsland loopt Route 1 tussen steile kliffen langs de rand van de ijskap Vatnajökull en de lage kustvlakte. Het is een werkelijk prachtige route om te rijden. Mijn eerste stop is Fjarsárlón, een op deze dinsdagochtend verlaten lagune met op de achtergrond de gletsjer Fjallsjökull. (Net als de Svinafellsjökull gisteren dus, alleen dan mooier). Het hoogtepunt – glacierwise – is iets verderop. Jökulsárlón is een immense lagune waar talloze ijsschotsen in drijven. Dit ijs is afgebroken van de Breidamerkurjökull (één van de vele gletsjers van de Vatnajökull) en drijft langzaam richting de Atlantische Oceaan. De heldere, wit gekristalliseerde en door het zonlicht blauw weerkaatsende ijsschotsen drijven als natuurlijke kunstwerken in het water van de lagune. Ontzettend fotogeniek. Behalve de ijsschotsen vanaf de wal bekijken, ga ik ook mee met een boottour. In veertig minuten varen we tussen de ijsschotsen door, wat tal van mooie plaatjes oplevert. Erg de moeite waard.

Vanaf Jökulsárlón rijd ik op mijn gemak richting het dorpje Höfn, een stuk van de Ring Road dat de term ‘road trip’ meer dan waard is. Je rijdt afwisselend langs steile kliffen en door weidse valleien met hier een daar boerderijen, langs moerasland en langs nog meer uitlopers van gletsjers. Onderweg moet je wel uitkijken voor schapen, die hier overal vrij rondlopen en ook langs en midden op de weg kunnen opduiken. Ook dit – ik val in herhaling – is een prachtig stuk om te rijden.

Mijn bestemming vandaag is Höfn, het eerste dorp van enige omvang sinds, nou ja, sinds ik onderweg ben eigenlijk. Hoewel het maar 1.700 inwoners telt, maar dit deel van IJsland is nog minder bevolkt dan de zuidkust. Höfn betekent haven en in het dorp merk je aan de vislucht dat het om een vissershaven gaat. Höfn is fantastisch gelegen op de punt van een schiereiland. Vanaf het wandelpad dat langs het water ligt, heb je een adembenemend uitzicht over het water van de Hornafjördur met aan de horizon (op een heldere dag als vandaag) de Vatnajökull en maar liefst vier gletsjers in één panorama. Wat een locatie!

Het is woensdagochtend als ik Höfn weer verlaat en naar het noorden rijd. Route 1 loopt hier pal langs de kust. De eerste honderd kilometer of zo, tot aan Djúpivogur, is werkelijk schitterend en mag wat mij betreft op het lijstje mooiste kustwegen ter wereld. Rechts de Atlantische Oceaan, links imposante bergen en de Ring Road die zich daar tussendoor slingert, met telkens weer nieuwe vergezichten. Dit deel van IJsland is nauwelijks bewoond en voelt dan ook erg afgelegen. Slechts af en toe kom je een boerderij tegen. Verder veel schapen, paarden, vogels (opvallend veel zwanen) en behalve lupines zie ik hier ook Arctisch katoen, een grassoort dat kleine pluimpjes katoen produceert.

Bij Djúpivogur beginnen de oostelijke fjorden, te beginnen met de Berufjördur, die wordt gemarkeerd door de ruim duizend meter hoge berg Búlandstindor. De route slingert zich langs de oevers van de fjorden, de Stödvarfjördur, de Fáskrúdsfjördur en, na een zes kilometer lange tunnel onder de bergen door, de Reydarfjördur. Vanaf daar gaat Route 1 het binnenland in, door de bergen richting Egilsstadir. Mijn laatste stop is de Seydisfjördur, wat mij betreft de mooiste van de fjorden waar ik langs ben gereden. Om er te komen moet je vanuit Egilsstadir een pas over. De weg loopt steil omhoog en ineens lijk je in een andere wereld te zijn beland. Sneeuw! Bovenop de pas is de sneeuw van afgelopen winter nog niet geheel gesmolten, wat prachtige plaatjes oplevert.

Aan de andere kant van de pas duikt de weg naar beneden, de vallei van de rivier Fjardará in, om uit te komen bij het dorpje Seydisfjördur (650 inwoners). Het dorpje bestaat uit gekleurde houten huisjes omringd door machtig hoge bergen, met tal van kleine en grotere watervallen. In één van de straatjes is het wegdek in de kleuren van de regenboog geschilderd, met de houten huizen en het blauwe kerkje aan het eind van de straat als picture perfect decor.

Het noorden

Nadat ik in Egilsstadir heb overnacht, zet ik koers in westelijke richting. Eerst rijd je een lang stuk door heuvelachtig en licht bergachtig landschap. Geen huizen, geen dorpjes, geen verkeer. Dit is het lege, verlaten IJsland dat ik me had voorgesteld. De afstanden tussen de dorpjes en de bezienswaardigheden zijn hier veel groter dan aan de zuidkant van het eiland. Het is prachtig zonnig weer, al staat er wel een koude wind. Na twee uur rijden neme ik de afslag naar de waterval Dettifoss. Twee dingen: er valt ontzettend veel water naar beneden en je wordt geheid nat van de daardoor veroorzaakte nevel.

Mijn volgende stop is Krafla, een ruim achthonderd meter hoge vulkaan. Een korte klim brengt je hier bij de Víti-krater, met een groot gifgroen kratermeer omringd door een kale, roodbruine kraterrand. De aardkorst in dit gebied is erg dun en in 1975 leidde dit tot de zogeheten Krafla-branden. Op diverse plekken brak lava door de aardkorst heen. Een reeks erupties volgde en gedurende de daarop volgende negen jaar werd het huidige onwereldse landschap gevormd. Nog steeds vindt hier vulkanische activiteit plaats, op diverse plekken hoor je geborrel en gesis en zie je stoom uit de grond opstijgen. Blijkbaar wordt het toch veilig geacht om hier tussen de grote stromen van gestold lava te lopen.

Mijn volgende stop is Hverir, een maanachtig landschap met kokende modderpoelen en stomende scheuren in de grond. Er hangt een sterke geur van fosfor. Iets verderop ligt Mývatn, een groot meer. Aan de oostkant ervan bevindt zich de Hverfjall-krater. Deze krater is het resultaat van een eruptie die bijna drieduizend jaar geleden plaatsvond. Na een korte klim kom ik bij de rand van de krater. Hier geen kratermeer (de krater staat droog), maar je hebt wel een mooi uitzicht over de omgeving.

Dimmuborgir is ook het resultaat van vulkanische activiteit. Hier vind je vreemd gevormde rotsen van versteend lava. Mijn laatste stop vandaag is de waterval Godafoss. Het is niet de grootste waterval van IJsland, maar wel een mooie. In eindig de dag in Akureyri. De tweede stad van IJsland (18.000 inwoners) is schitterend gelegen aan het eind van de Eyafjördur, met zestig kilometer het langste fjord van IJsland, omringd door bergen met sneeuw op de toppen.

Volgende dag staat een lange rit op het programma: van Akureyri naar het schiereiland Snaefellsnes, aan de westkust van IJsland. Vanaf Akureyri gaat de Ring Road eerst door de prachtige vallei Öxnadalur, een brede, groene vallei met links en rechts besneeuwde bergtoppen, waaronder de ruim duizend meter hoge Hraundrangi. De rest van de vijf uur durende rit gaat door uitgestrekte valleien met grasland, een enkele boerderij, paarden, schapen (uiteraard) en de tweebaans Route 1.

Het westen

Eenmaal op Snaefellsnes rijd ik naar het aan de noordkant van het schiereiland gelegen Stykkishólmur. Dit pittoreske dorpje met oude, gekleurde huisjes en een haven, kijkt uit over het water van het fjord Breidafjördur. Het beste uitzicht heb je vanaf de top van de klif Súgandisey. Ik eindig de dag in Grundarfjördur, een dorp met slechts iets meer dan achthonderd inwoners, gelegen aan de gelijknamige baai. Dé reden om hier te komen is de schitterende Kirkjufell, waarschijnlijk de meest gefotografeerde berg van IJsland, in één frame te vangen met de waterval Kirkjufellsfoss.

Snaefellsnes is een lang gerekt schiereiland, waarvan het binnenland uit hoge bergen bestaat, waaronder de 1.445 meter hoge Snaefellsjökull (inclusief gletsjer). Route 574 loopt daaromheen, over de kustvlakte, met boerderijen, grasland met paarden en enkele gehuchtjes. Op mijn laatste dag rijd ik naar Djúpalónsandur, op de punt van Snaefellsnes. Een cirkelvormig strandje wordt omringd door ruige kliffen van vulkanisch gesteente die recht uit de oceaan omhoog rijzen. Het is een prachtige plek, die een beetje onverwacht komt, maar des te leuker. Hierna stop ik nog bij Púfubjarg, een hoge klif die favoriet is bij de lokale meeuwenpopulatie. Mijn laatste stop is bij Gatklettur, een fraaie natuurlijke aan de zuidkant van het schiereiland.

Hierna rijd ik terug naar Reykjavik. Na ruim tweeduizend kilometer te hebben gereden, lever ik de huurauto weer in. De rest van de middag wandel ik door Reykjavik en geniet op het dakterras van het hostel van de zon. Op zondagochtend al heel vroeg op om met de bus naar de luchthaven te gaan voor de vlucht terug naar Nederland. IJsland heeft mijn verwachtingen overtroffen. Ik had heel veel lange afstanden verwacht waarbij je niemand tegenkomt, door desolaat niets met troosteloos weer. Sommige stukken waren zeker afgelegen, maar verlaten en troosteloos was het zeker niet. Het eiland zit bovendien bomvol met prachtige plekken: ontelbaar veel watervallen, vulkanen, gletsjers, geisers, lavavelden, valleien en telkens wisselende vergezichten. En dat op maar drie uur vliegen van Nederland. Een absolute aanrader!